Het reukwerk op het gouden altaar.

In Hebr.8:5 vinden we de tekst dat de priesters van het Oude Testament hun dienst verrichtten bij wat 'de afbeelding en schaduw is van het hemelse heiligdom', omdat Mozes het ontwerp ervan op de berg getoond was (door engelen volgens Hand.7:53).

Anders gezegd, is de tabernakeldienst een heenwijzing met een geestelijke betekenis naar de tijd dat het werkelijke zou komen, dus met de komst van de Heer en Zijn kerk. Alle zaken die in het bijbelboek Exodus vanaf hoofdstuk 25 staan opgetekend, hebben dus hun echte zin hierin gekregen en kunnen geestelijk worden verstaan.

De tabernakeldienst verwijst er dan naar hoe in het Nieuwe Testament de ordening en wezen van de dienst aan de Heer geregeld zou moeten zijn (Salomo’s tempel wijst naar de volmaaktere eredienst van het l000-jarig vrederijk).

Nu kan men een dik boek schrijven over alle facetten van de priesterdienst in de woestijn, maar we zullen ons dit keer beperken tot twee zaken die het gouden reukaltaar betreffen, namelijk wat men moest en niet mocht offeren.

Algemene zaken.

Even wat algemene zaken. Het reukaltaar stond in het Heilige en dit was dus niet zichtbaar voor de buitenwereld. Dat betekent dat de wereld er geen weet van heeft, maar dat men deel moet hebben aan de kerkelijke eredienst om te begrijpen wat er geschiedt: de verborgen omgang met God vinden. Op het reukaltaar werd reukwerk geofferd, precies voorgeschreven naar samenstelling, terwijl ook duidelijk aangegeven wordt wat persé niet op het altaar mocht komen.

In onze kerkdienst ziet de dienst van het reukaltaar naar de dienst der aanbidding. Dit hoeft maar één dienaar te doen, gezien het feit dat het altaar een el in het vierkant is, de menselijke maat (de tafel met toonbroden is anderhalve el, hetgeen aangeeft dat het Heilig Avondmaal door een priester en een helper kan worden uitgedeeld).

Het altaar was van acaciahout met goud overtrokken. Dit wijst naar de zwakke en van nature nutteloze mens (het hout) die met de waarheid (het goud) bekleed moet zijn om daadwerkelijk God te kunnen dienen.

Bijna alle onderdelen van de tabernakel hadden twee draagstokken. Deze wijzen naar de dienst van apostelen en profeten, fundament van Christus' kerk, zonder welke de gaven en optimale krachten van Gods Geest niet te verkrijgen zijn.

Het gouden altaar stond ten slotte voor de voorhang, welke het Heilige der Heiligen verborg. Wat wel? Wat werd geofferd?

We vinden het in Exod.30:34:”neemt u welriekende stoffen, druipende hars, onyx en galbanum,welriekende stoffen en reine wierook, in gelijke delen”. In het volgende verse lezen wij nog dat er zout aan moest worden toegevoegd, hetgeen wijst op de vrede van de Heer, waarmee we God en mensen ook in het gebed in reinheid en heiligheid toe moeten treden. De genoemde stoffen verbeelden de inhoud van het heilige gebed, dat gebed, dat door de dienstdoende priester moet worden opgezonden, door Paulus beschreven in lTimoth.2:1, waar we vinden: 'Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen.' Tegelijkertijd wijzen deze stoffen op degenen die dit gebed opdragen, waarbij in eerste instantie de smekingen door de herder, de gebeden door de evangelist, de voorbeden door de apostel en de dankzeggingen door profetenmond geschieden. Dat wil zeggen dat deze dienaren naar hun aard zullen bidden en natuurlijk ook de drie andere vormen van gebed zullen opdragen. Niet te vergeten zij dat alle gebeden door onze Middelaar Christus Jezus bij de Vader worden gebracht, als ze Hem aangenaam zijn.

Wat niet?

Nog eerder in de tekst dan de samenstelling van het reukwerk vinden we wat niet geofferd mocht worden op het reukaltaar, namelijk al meteen in vers 9: 'Gij zult daarop geen vreemd reukwerk brengen noch brandoffer noch spijsoffer, ook een plengoffer zult gij er niet op plengen.'

Het rechte gebed in de aanbiddende dienst is zo heilig, dat er dus precies voorgeschreven wordt, welke onderdelen niet thuishoren in dit gedeelte van de eredienst. Deze zaken zijn niet volledig bekend, dus we zullen er achtereenvolgens iets meer aandacht aan besteden.

1. Vreemd reukwerk

In tegenstelling tot de andere drie genoemde verboden, wordt dit nooit door God aanvaard. Het wijst op alle menselijke pogingen om tot God door te dringen búiten het bloed van de Heer Jezus om. Hij is de éne Middelaar tussen God en de mensen. Zónder Hem is toegang tot de Vader niet mogelijk. Niet alleen kunnen we zonder Hem niets (goed) doen, ook dienen we tot de Vader te gaan in Zijn Naam. Wij mensen hebben niets dat voor God welbehaaglijk is uit onszelf. Slechts door het offer van onze Heer en Heiland is het mogelijk tot de Vader te naderen. Dat betekent dat, wanneer we met de gesteldheid van de oude mens, zouden naderen, dit door God niet wordt aangenomen. Alle vleselijke verheffing en hoogmoed dient weggedaan te zijn. Alleen in ootmoed, in nederigheid zal God ons gebed willen aannemen. Psalm 51:17 verwoordt het zo: 'De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, 0 God.'

2. Brandoffer

De dienst aan het (koperen) brandofferaltaar in de voorhof wijst naar de belijdenis van zonden en schuld, met de vergeving door het ambt der verzoening, hetgeen geschied is in het eerste gedeelte van de eredienst. In het gebed ter aanbidding hoort geen belijdenis van zonden en schuld thuis, het is verboden! Dit betekent dus evenzeer dat van de dienaar wordt verwacht dat deze niet ongereinigd tot de Heer zal gaan. Niet vergeven of beleden, nog bevlekkende zonden zullen de priester niet slechts weerhouden tot het Heilig Avondmaal toe te treden, maar ook om dit hoge gebed voor Zijn heilig aangezicht te brengen.

3. Spijsoffer

De Engelse apostel T. Carlyle schrijft dat dit het zinnebeeld is van de waarheid welke uit het Woord of uit de ervaring is geschapen en met het geloof en zalving in gerechtheid Gods naar voren wordt gebracht. Dit klinkt op zich niet verkeerd, maar past toch niet in dit onderdeel van de dienst aan God. Het betekent dat men geen lievelingsgebeden, leerteksten of herhalingen uit het voorgebed naar voren moet brengen. Ook pogingen om de gemeente te beleren of te vermanen, hoe goed bedoeld ook, horen geen deel uit te maken van het geestelijke reukwerk van dit gebed. Alles wat voor de Heer gebracht wordt onder valse schijn, wordt door Hem niet aangenomen.

4. Het plengoffer (drankoffer)

Dit offer wijst op de nieuwtestamentische lofprijzing. Niet dat het hart van de dienaar en de gemeente niet vervuld zouden mogen zijn van lofprijzing bij het brengen van de voorbede, integendeel, maar de Heer heeft uitdrukkelijk voorgeschreven, dat deze niet in dit gebed thuis hoort. De volle uitdrukking van het eer toebrengen is in het zingen van lofzangen gelegen en niet te vergeten in het 'Heilig, heilig, heilig' dat onmiddellijk aan de dienst van het reukaltaar voorafgaat. Het lofoffer (zie Hebr.13:15) met zijn eigen plaats dient voor de God van orde niet verwisseld te worden met de dankzeggingen, als reeds vermeld. (in 1 Tim.2:1)

Sieraad

Uit het bovenstaande moet wel duidelijk geworden zijn, dat de dienst der aanbidding een zeer belangrijke plaats inneemt bij de godsdienstoefening. We mogen niet vergeten, dat het weliswaar de dienstdoende priester is, die dit gebed uitspreekt, maar dat we allen, werkelijk hoofd voor hoofd en hart voor hart, dit gebed meebidden en dienen, opdat het voor de Heer welbehaaglijk zij en Hij deze smekin- gen, gebeden, voorbedes en dankzeggingen aanvaardt en verhoort.

Dat we met elkaar en met koning David het begin van Ps.l42 kunnen spreken: '0 Here, ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep. Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan, het opheffen van mijn handen als avondoffer. Here, stel een wacht voor mijn mond, waak over de deuren van mijn lippen.'

Niet voor niets eindigen we met een 'wederkomstgezang'. Ook door dit gebed zijn we verbonden met de grote Voorbidder Jezus Christus, naar Wie we uitzien en Die nu al Zijn weldaden wil zenden tot allen die Hem aanroepen en tot allen voor Wie gebeden wordt. Dat het reukaltaar van goud is, bewijst alleen al hoe belangrijk het voor God is, dat we deze dienst ten behoeve van alle mensen uitvoeren. Rond dit altaar was ook nog een gouden omlijsting, een soort van krans. Dit geeft dan ook aan dat het offer der voorbede tot de hoogste hemelse ver- hevenheid van de liturgie behoort en een sieraad van de gemeente hoort te zijn.©awb