DE GEKRUISTE KONING

In de Evangeliën kunnen wij enkele malen lezen dat verschillende vijanden de Heer Jezus wilden doden.

Meteen,na Zijn eerste optreden in Nazareth,wilden Zijn plaatsgenoten Hem van een steile berg werpen zodat Hij verpletterd zou worden. Lukas 4:29.

De Heer der heerlijkheid zou echter niet sterven door de hand van sluipmoordenaars, maar Hij zou uit dit leven heengaan zoals er van Hem stond geschreven. Alles moest nauwkeurig aan Hem geschieden zoals de Wet en de Profeten daarover hadden voorzegd.

Niets,letterlijk niets zou daaraan ontbreken.

De ceremonieën van het Israëlitische Paasfeest zagen allen op het lijden en sterven van de Zoon de mensen, die, ná de doop in de Jordaan, door profetenmond geopenbaard werd als het Lam Gods dat de zonden der wereld zou wegdragen.

De Lijdenspsalmen, en Jesaja 53, en nog vele andere Bijbelplaatsen zouden in vervulling gaan, en, door de vier Evangelisten werd er telkens op gewezen, dat datgene wat er geschiedde, reeds voorzegd was.

De hooggestemde Johannes schept er een behagen in om zelfs ogenschijnlijk onbeduidende bijzonderheden te vermelden, zoals bijvoorbeeld het werpen van het lot over de klederen van de Heer.

Maar,goed beschouwd,wat predikt tot ons zélfs déze bijzonderheid ons van Gods leiding in alles wat Zijn Koninkrijk betreft.! De Allerhoogste zorgde er voor dat letterlijk alles zou worden volbracht wat Hij door de profetenmond had geopenbaard.

Nu vestigd Johannes onze aandacht op de vervulling ervan in de bijkomstige zaken zodat wij met grote eerbied het Woord Gods zullen lezen en dan bemerken hóe getrouw de Hemelse Vader is in het volbrengen van hetgeen er geschreven staat.

Deze nauwkeurigheid vergroot de zekerheid van het gewichtigste feit in de wereldgeschiedenis: de kruisdood van de Heiland der wereld waardoor de breuk tussen God en de mens zou worden geheeld.

Eéns werd het leven van de Heiland belaagt door Herodes, de moordenaar van Johannes de Doper, zoals Hem bekend gemaakt werd door de Farizeeërs.

Waren dezen dan zó bezorgd voor Zijn leven.?

Neen,maar zij wilden de Heer daardoor bewegen om naar Judea te gaan, naar Jeruzalem, waar de leidslieden van het volk zich van Hem meester konden maken om Hem dan uit de weg te kunnen ruimen.

Het antwoord van de Heer maakt ons duidelijk hóe de Heer dit alles doorzag,maar óók,hoe gerust Hij was aangaande Zijn toekomstig lot.

Hij zegt tegen de Farizeeërs: "Gaat henen en zegt dien vos: Zie, Ik werp de duivelen uit en maak gezond, heden en morgen en ten derden dage word Ik voleindigd. Doch Ik moet heden en morgen en de volgende dag reizen, want het gebeurt niet, dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem."

Hierop liet de Heer een ontroerende klacht horen over de verstokte inwoners van Jeruzalem die zich niet wilde laten vergaderen onder de beschuttende liefde van Hem, Die, als een hen hare kiekens, Zijn volk wilde vergaderen om het onder Zijn dekkende vleugels tegen het kwade te beschermen.

Nee, niet door de handen van gewone moordenaars zou de Heiland vallen, maar door gerechtelijke uitspraken, door de geestelijke en de wereldlijke macht,dús, door de gehele mensheid, door het uitverkoren volk in zijn wettige vertegenwoordigers, de leden van het Sanhedrin en door de landvoogd die door het Romeinse Rijk was aangesteld, het Romeinse Rijk, dat de wereldmacht bezat.

Hij zou door de gehele mensheid uitgeworpen worden, de mensheid, wier zonden Hij op Zich had genomen.

Kajafas, de ambtelijke voorzitter van de Grote Raad der Joden, was wettisch genoeg aangelegd om de Heer Jezus niet te veroordelen op het getuigenis van lieden die elkaar weerspraken en waarop zijn slachtoffer zelfs met geen enkel woord antwoordde.

"Antwoord Gij niets.? Wat getuigen dezen tegen U.?";

Maar de Here Jezus zweeg stil, en, de Hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: "Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zone Gods."

In spanning wacht het Sanhedrin nu op het antwoord; en nú opent de, tot nu toe zwijgende Beklaagde de mond en onbeschroomd, hoewel wetende dat Zijn antwoord Hem de dood zal brengen, zegt Hij, bovenaards plechtig: "Gij hebt het gezegd, doch Ik zeg ulieden van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen zittende ter rechterhand Gods en komende op de wolken des hemels."

Hierop verscheurde de Hogepriester zijn klederen, zeggende: "Hij heeft God gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van node.? Zie nú hebt gij Zijn Godslastering gehoord, wat dunkt ulieden.?"

En zij, antwoordende zeiden: "Hij is des doods schuldig."

In een voltallige, op wettige wijze bijeengeroepen zitting van de Joodse Raad, werd dus het vonnis over Christus, de Messias, de Gezalfde, geveld.

Hoewel de Romeinen, als verstandige wereldbestuurders, aan de onderworpen volkeren veel vrijheid hadden gelaten ten opzichte van hun godsdienstige gebruiken, hadden zij zich tóch het recht voorbehouden om doodvonnissen te voltrekken. En dus moest het Slachtoffer van het Sanhedrin nú naar Pontius Pilatus gevoerd worden.

Echter, in hun duivelse blijdschap vergaten zij hun voorzichtigheid want, éérst hadden zij gezegd dat zij de Heer gedurende het Feest niet gevangen zouden nemen omdat zij bang waren voor een opstand onder het volk.

Máár, nu zij hun vijand in hun macht hadden was hun bloeddorst zó erg geprikkeld dat Jezus van Nazareth zo spoedig mogelijk gedood moest worden, en, omdat het Paasfeest aanstaande was, was de grootste spoed geboden.

In de namiddag van de dag waarop zij, bij het krieken van de morgen naar de Wet het vonnis hadden geveld, moest het Paaslam in de Tempel worden geslacht.

Daarvoor moest elke huisvader zich, mét zijn lammetje, naar het Heiligdom begeven waar het lammetje door Priesterhanden gedood zou worden.

Maar wie onrein was mocht het Huis des Heren niet betreden; onrein werd men bijvoorbeeld door het betreden van de woning van een heiden ; en dus konden de Oversten van het volk, die de mug uitziften maar de kameel doorslokten, het paleis van de Landvoogd die een heiden was, niet betreden.

De landvoogd, die als Romein opgevoed in de eerbied voor het recht, was zo welwillend om naar buiten te komen en zijn eerste vraag was: " Wat beschuldiging brengt gij tegen deze mens.?"

De Joden begrepen zeer goed dat de reden waarom zij de Heer hadden veroordeeld, voor Pilatus niet geldig zou zijn en zij antwoordden met een vage beschuldiging, die voor elke rechter verwerpelijk was: "Indien deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben." De zaak kon dus niet zó erg zijn geweest.! "Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uwe wet, het is ons niet geoorloofd om iemand te doden."

Johannes voegt hier aan toe: "Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende hoedanigen dood Hij sterven zou,"

Hij, Christus, had immers gezegd dat Hij zou overgeleverd worden in de handen der heidenen die Hem de kruisdood zouden doen sterven opdat Hij, als de slang in de woestijn, zou worden verhoogd en allen tot Zich trekken.

Hoe wonderlijk zijn toch de wegen Gods.!, want, toen Israël had gezondigd, toen zond de Here God vurige slangen die het volk beten. Mozes moest toen een koperen slang op een stang zetten en elk slachtoffer zou, door het kijken naar die slang, genezen worden. Voor het verstand van de Israëlieten was dit een verwerpelijk geneesmiddel, maar wel werkzaam omdat de Here God dit zó wilde; een middel dat reeds heenwees op het grote geneesmiddel der mensheid, gebeten en dodelijk gewond door de oude slang, de satan.

Máár, ook dát geneesmiddel is voor velen een verwerpelijk geneesmiddel want het gaat tegen alle verstand in.

Er is echter géén énkel ánder middel tegen de dodelijke werking van de slangenbeet van de satan dan het Kruis van Golgotha; het Kruis, voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid.

Nu schets ons het Evangelie van Johannes op een grootse wijze het verhoor van de Heiland der wereld, de Heiland, Die Zich in de macht van Pilatus bevond, van een man, die reeds vele misdaden had begaan en die niet terug zou deinzen voor een nieuwe misdaad. Maar tóch gevoelde Pilatus zeer goed dat hij hier tegenover een zeer bijzonder en buitengewoon mens stond.

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat Pilatus, in zijn functie van landvoogd, wel het één en ander van Hem gehoord zal hebben, van Hem van Wie het gehele land sprak.

Pilatus wilde de Heer redden, maar de Joden kenden al de zwakheden van deze zondige landvoogd en daar maakten zij op een handige maar ook onbarmhartige manier misbruik van.

Pilatus was nog niet geheel verstokt en het is meelijwekkend om te zien hoe hij, zich in allerlei bochten wringende, toch terrein verloor.

Wonderlijke woorden had deze Gevangene tot hem gesproken, slechts een paar, maar deze woorden hadden hem verbaasd door hun verheven rust en grote diepzinnigheid.

Hij had gezegd dat Hij een Koning was, maar dan in een andere betekenis dan de aardse betekenis.

Hij was gekomen om een Rijk te stichten waarvan de WAARHEID de grondslag zou zijn; en, hoewel een geboren Koning zijnde, gaf Hij Zich vrijwillig over aan hem, die zijn macht toch slechts ontleende aan Hem, de Vader, die bóven was.

Pilatus was na dit laatste antwoord diep ontroerd, en probeerde vanaf dat moment op allerlei manieren een mogelijkheid te vinden om Hem los te kunnen laten.

De Joden hadden echter nog één middel tot hun beschikking: de positie waarin Pilatus zich bevond. Er waren over Pilatus reeds meerdere keren klachten ingediend bij de Romeinse Keizer Tiberius; Pilatus had echter aan het hof van deze keizer een machtige beschermer, Seianus geheten; maar júist in déze dagen was deze beschermer in ongenade gevallen en dus kon zijn invloed de landvoogd niet langer beschermen wanneer er een klacht door het Sanhedrin zou worden ingediend dat de vertegenwoordiger van de Keizer iemand had vrijgelaten die zich, in het toch al zo onrustige land der Joden, had opgeworpen tot koning.!

Pilatus voelde zich dus machteloos in de handen van de vijanden van de Man, van Wie de wereldlijke rechter herhaaldelijk getuigd had dat hij in Hem geen schuld kon vinden, maar die hij, desondanks, tóch door zijn ruwe soldaten had laten geselen en bespotten.

De soldaten, die, de Zich Koning noemende ,met een doornenkroon, een oude soldatenmantel en een rietstaf als koninklijke scepter hadden toegetakeld. "Zie de Mens"

Probeerde Pilatus, als redmiddel, nu het medelijden op te wekken.?

Dan had hij een grote misrekening gemaakt, want het geroep: "Kruist hem.!" groeide aan tot een onheilspellend gebrul.

En, al had de landvoogd dan wel zijn handen gewassen, als een teken van zijn onschuld, nú verkrachtte hij wél het recht.! Zelfs de waarschuwing van zijn vrouw om met deze Rechtvaardige niets van doen te hebben mocht niet meer baten; zijn eigen leven moest gered worden.

Pilatus nam plaats op de rechterstoel in de plaats genaamd Lithostrotos, ofwel in het Hebreeuws: Gabbatha. Er werd beweerd dat deze, met mozaďek ingelegde plek, rustte op aarde die vanuit Rome was aangevoerd en daardoor moest uitdrukken dat de rechtspraak van Rome op deze plaats zou worden uitgeoefend.

Zijn laatste poging om de Heer toch vrij te laten door Hem tegenover de moordenaar Barabbas te stellen was mislukt.

Nu restte hem nog een laatste woord: "Zal ik uwen Koning kruisigen.?"

Dit moest toch wel invloed uitoefenen, want welk een afgrijselijke dood werd er door aangeduid.! Maar het door vijandschap verblinde volk, de van haat woedende priesters en andere overheidspersonen, waren niet langer vatbaar meer voor menselijke gevoelens.

Alleen wraakzucht en bloeddorst hadden zich van hen meester gemaakt: "Neem weg, neem weg.! Kruist Hem."

In hun razernij vergaten zij zelfs hun anders zo hevig nationaal gevoel en vernederden zich diep doordat zij riepen: "Wij hebben geen Koning dan de Keizer.!"

Tóen gaf Pilatus Hem dan over om te kruisigen. "En zij namen Jezus en leidden Hem weg"

Gegeseld, gepijnigd door de doornenkroon ten spot, bedroefd door de haat van Zijn eigen volk, een volk, dat Hij alleen maar goed had gedaan en welks heil Hij gezocht had, verlaten van Zijn vrienden, betrad de Koning der Koningen de zware weg van Gabbatha naar Golgotha, alwaar wij Hem, op Goede Vrijdag, in de grootste ellende zullen aanschouwen, maar dán, Gode zij lof, als Overwinnaar, wanneer uit Zijn stervende mond het zal weerklinken: "HET IS VOLBRACHT"

Wat is een aandachtige lezing en overdenking van het lijden sterven van de Heer, een ernstige zaak, want óveral blijkt ons Gods liefde en trouw. Overal zien wij Zijn leiding die er voor zorgde dat élke voorzegging vervuld werd op een wijze, die onze bewondering en ontroering opwekt.

Temidden van dit, zo bewogen tafereel, zien wij, in verheven zielsrust Hem, van Wie de tijdgenoten dachten dat Hij van God geplaagd, geslagen en verdrukt was; Die in Zijn verdrukking Zijn mond niet opendeed en als een Lam ter slachting werd geleid en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, Zijn mond niet opendeed. Maar, de, door Gods gerechtigheid Verbrijzelde, zou zaad zien en het welbehagen des Heren zou door Zijn hand gelukkig voortgaan. Veler zonden heeft Hij gedragen, en voor de overtreders gebeden Maar Hij zal de machtigen als een roof delen, want HIJ IS DE OVERWINNAAR.!

MARAN- ATHA, de Heer komt!!