VUUR

"Het vuur zal voortdurend brandende gehouden worden op het altaar; het mag niet uitgaan" Leviticus 6:13.

Eén onzer broeders heeft zijn gedachten over het vuur Gods aan het papier toevertrouwd; laten wij nu eens met hem mee denken nu wij leven in de tijd van het Pinksterfeest.

Het vuur is voor het mensdom van onschatbare waarde. De volken uit de oudheid, de Perzen, Grieken en Romeinen, hadden een grote eerbied voor het vuur.

Zij gingen daarin zo ver, dat zij vuuraanbidders werden.Het vuur werd verheven tot zinnebeeld van hun goden.

Ook de Israëlieten kenden het vuur als goddelijk symbool; bij hen was het echter het teken van de enig ware God.

De Heer verscheen aan Mozes in het vuur van het brandende braambos.

Door een vuurkolom openbaarde Hij zich tijdens de woestijnreis.

In vuur kwam God op de berg Sinaï om Mozes Zijn geboden mede te delen.

In de bovenstaande tekst uit het boek Leviticus worden wij herinnerd aan het vuur op het brandofferaltaar in de voorhof van de Tabernakel. Dit vuur moest, op Gods bevel, dag en nacht brandende gehouden worden.

Die blijvende vuurvlam was het bewijs dat God altijd in Zijn Heiligdom aanwezig is als het bewijs dat Hij nooit slaapt of sluimert.

Voor een ieder, die met berouw tot Hem komt, heeft die grote God Zijn oren en ogen voortdurend open.

Het vuur op het altaar is niet slechts zinnebeeld, doch heeft ook een diepere, geestelijke betekenis.

In Leviticus 9 lezen wij dat na hun priesterwijding Aäron en zijn zonen de eerste offerdienst moeten leiden.

Precies volgens de voorschriften van de Heer wordt alles daartoe in gereedheid gebracht en uitgevoerd. Ofschoon Aäron het vuur aansteekt om de offers te laten branden is de offerdienst echter nog niet compleet.

Slechts een menselijk handelen is er te zien. Het vuur van God ontbrak nog.

Aangezien echter alles gebeurt naar Gods heilige wil, zal Hij zich verbinden met het werk van zwakke mensen.

In Leviticus 9: 24 lezen wij dan ook: "En er ging vuur uit van de Here en dit verteerde op het altaar het brandoffer en het vet; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht.

Het zelfde gebeurt veel later bij de inwijding van de tempel te Jeruzalem.

In deze beide geschiedenissen wordt de geestelijke betekenis van onze dienst aan God voorgesteld.

De mens heeft de roeping om aan God te offeren; dat is: zichzelf geheel geven.

Het vuur dat uit de hemel neerdaalde leert ons dat de mens alleen kan offeren indien God hem te hulp komt.

HET VOLMAAKT OFFER:

De offerdienst van Israël is het schaduwbeeld van de Christelijke eredienst.

Daarin zullen wij ons richten naar het voorbeeld van onze Heer en Heiland.

Hij heeft een volmaakt offer gebracht.

Door de kracht van het hemelvuur, de eeuwige Geest Gods, Hebreeën 9:14, heeft Hij God een smetteloos offer gebracht.

Zijn gehele leven was een heilig brandoffer omdat Hij Zich ten volle wijdde aan de wil van zijn Vader.

Zijn sterven was een heilig zondoffer waardoor Hij ons met de Vader verzoende.

Apostel Paulus roept tot navolging op in Romeinen 12 :1: "Ik vermaan u dan broeders met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst."

Wij moeten dus de wil van Christus volgen en onszelf wijden aan de wil van God.

En, wij zijn hiertoe in staat, want het hemelvuur is ook tot ons neergedaald.

HET ALTAAR VAN ONS HART:

Op de Pinksterdag, Handelingen 2, waren de discipelen des Heren bijeen. De aanwezigen brandden van verlangen om zich geheel aan de dienst van God te wijden, doch het vuur Gods moest nog komen om hun offer te verteren.

Plotseling daalt de Heilige Geest, het vuur van bóven, op hen neer in uiterlijke kentekenen van wind en vuurtongen.

Hij vervult het hart van de gelovigen; Hij maakt woning in hen en verwekt een nieuw Goddelijk leven.

Zó worden zij in staat gesteld om zich aan God te wijden en als zijn kinderen Christus na te volgen.

Ook wij hebben de geestelijke vervulling van Leviticus 6:13 mogen ervaren.

Bij onze doop hebben wij beloofd, zelf, of door middel van onze ouders die ons ten doop hielden, dat wij Gods geboden zullen gehoorzamen.

Wij offerden dus onszelf.

En de Heer beantwoordde onze bereidwilligheid met het vuur van de Heilige Geest.

Door middel van de handoplegging van het apostelschap ontvingen wij de doop met vuur.

Sedertdien brandt nu op het altaar van ons hart een heilig Goddelijk vuur.

Zonder dit vuur zijn wij niet bij machte ons aan God te offeren; ons geestelijk leven zou beperkt blijven tot goede wensen en voornemens.

Kinderen Gods kunnen, en behoeven, niet te zeggen dat het volbrengen van Gods geboden een te zware opdracht is.

Indien wij de begeerten en neigingen van de oude mens in het heilig vuur van de Geest werpen zullen deze verteerd worden.

Wanneer wij werkelijk willen strijden in de kracht van Gods Geest die in ons woont, dan zal blijken dat in het geloofsleven niets te moeilijk voor ons is.

Wij zullen de volheid ervaren van Jezus' woorden in Mattheus 11:30: " Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. "

BLUST DE GEEST NIET UIT:

Het vuur op het altaar der Israëlieten was weliswaar uit de hemel ontvangen doch het moest door mensen voortdurend brandende worden gehouden. Elke dag moest de dienstdoende priester nieuw brandhout aanleggen.

Ook hierin zit een grote geestelijke betekenis.

De Heer die het heilig vuur in ons ontstoken heeft, roept ons ook bij voortduring op om dit vuur brandende te houden.

"Blust de Geest niet uit" Het vuur kan namelijk door onze schuld weer uitgedoofd worden.

Hóe dit vuur brandende gehouden kan worden is eveneens afgebeeld in de dienst van de priesters in het Oude Verbond.

Dagelijks moesten zij de as van het altaar verwijderen. De as is het gedeelte van het hout dat niet door het vuur verteerd wordt.Het belemmert het vuur om helder te branden.

De as is het beeld van onze zonden en tekortkomingen.

Door Gods Licht ontdekken wij die dagelijks in onszelf.

Zo zijn wij in staat om dagelijks tot inkeer te komen en God onze schulden te belijden.

De as wordt verwijderd en het vuur van de Heilige Geest kan helder branden.

Laten wij voortdurend bedenken dat wij wel tot heiligmaking geroepen zijn, maar dat die heiligmaking nooit voltooid is zolang wij leven.

Als wij onze ogen sluiten voor onze dagelijkse kleine zonden--(pekelzonden)--dan laten wij de as op het altaar van ons hart zorgeloos liggen.

Het heilig vuur in ons gaat dan kwijnen.

"Indien wij onze zonden belijden", zo schrijft apostel Johannes, "Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid."

Let op, niet onze zonde, (enkelvoud), d.w.z. onze zondigheid zullen wij belijden, maar onze zonden, (meervoud).

Dat zijn onze dagelijkse fouten, onze zelfzucht, onze drift, onze liefdeloosheid, onze aardse gezindheid.

Dat alles is de as die verwijderd moet worden; dán blijft Gods vuur helder en verwarmend in ons branden.

NIEUW HOUT

De Oud-Testamentische priesters moesten niet alleen dagelijks de as verwijderen doch ook nieuw hout op het vuur leggen.

Dat is ook onze plicht; want het vuur Gods moet door ons gevoed worden.

Dit kan geschieden door gebed, door het lezen in Gods Woord, en in de zegeningen van Zijn huis.

Vooral het gebed in de binnenkamer is het fundament van het geestelijk leven; het is de "geestelijke ademhaling van de Christen".

Zonder ademhaling kunnen wij niet leven; zonder gebed geen geestelijk leven.

Zijn de gebeden in de kerk dan niet voldoende?

Nee, dat zijn namelijk onze gemeenschappelijke gebeden voor het Werk Gods in al zijn facetten.

Er is echter ook een persoonlijke gemeenschap met de hemelse Vader nodig. Daarin openen wij vol vertrouwen ons hart en leggen Hem alle dingen voor die ons hart beroeren.

Ook de studie van Gods Woord is brandstof voor het geestelijk vuur.

Door het persoonlijk gebed worden wij in contact gebracht met God; door de aandachtige lezing van Zijn Woord nemen wij toe in de wijsheid en kennis Gods.

Verder moet het vuur in ons brandende gehouden worden door de zegeningen die wij ontvangen in Gods Huis; in de eerste plaats door het sacrament van het Heilig Avondmaal.

Bij het altaar in de heilige erediensten ontvangt het Goddelijk vuur in ons steeds nieuw voedsel.

Laat de les uit het boek Leviticus ons blijven wijzen op de hoge roeping om ons aan God te wijden in de kracht van Zijn vuur.

In het bijzonder bij de viering van het Pinksterfeest gedenken wij de rijke zegeningen Gods door het werk van de Heilige Geest.

Belemmert dan die Geest niet om krachtig in u te werken opdat wij God blijven verheerlijken door ons handelen en daardoor onszelf en anderen tot zegen zullen zijn.

Moge de Heer, als Hij komt, ons getrouw vinden.

Het heilig vuur Gods zal dan van ons lichaam al het sterfelijke en verderfelijke verteren.

Wij zullen aan de Heer gelijk worden.

Maran-atha, de Heer komt gewis.!

Terug naar laatste bazuin