In dit redactionele artikel is getracht om de apostolische leer der verzoening, in het kader van de priesterlijke volmacht tot schuldvergeving, nader toe te lichten.
De behoefte aan verzoening ontstaat bij de mens als het geweten ontwaakt, en, men wil goedmaken wat tegenover een ander verkeerd is gedaan.
Een bijbels voorbeeld vinden we in Genesis 33 waar Jacob zich op ontroerende wijze verzoent met zijn broer Ezau.
Reeds in de antieke wereld was de mens zich bewust van Gods toorn en heilig misnoegen wegens zijn misdragingen.
De heidenen uit die dagen meenden de toorn van de goden te kunnen afwenden door zoenoffers te brengen. Maar hun wijsgeren leerden duidelijk dat de goden geen behagen hebben in zoenoffers van mensen die geen berouw hebben; mensen, die niet proberen om hun leven te beteren.
Hierin zien wij hun gedachten parallel lopen met Gods gedachten die vanuit de Heilige Schrift tot ons komen.
Toch is er een wezenlijk verschil tussen beide gedachten.
De heidense volken probeerden met hun zoenoffers om de goden te bevredigen, gunstig te stemmen.
Het volk Israel wist echter dat de verzoening met God van Hemzelf uitgaat en niet van de zondaar.
God, de barmhartige, verzoent de ongerechtigheid; telkens geeft Hij Zijn toorn op. Ps.78: 32-39.
Die verzoening bestond soms uit strenge straffen.
Volgens de Thora diende een moordenaar te worden gedood. Hij kon slechts verzoening ontvangen door zijn eigen bloed te geven.
Het Hebreeuwse werkwoord dat in het Nederlands door "verzoenen" is vertaald, betekent waarschijnlijk oorspronkelijk bedekken of wegwissen.
Het gestelde in Psalm 65:4 en Jesaja 6:5-7 duidt in die richting.De verzoening geschiedt vooral door het offer.
God Zelf verschafte de mens het middel van het dierlijk offerbloed waardoor zijn zonde kon worden verzoend. ev.17:11.
Heel Israëls eredienst rust op de grondslag der verzoening.Bij het dagelijks brandoffer gaat een bloedsprenging op het altaar aan het eigenlijke offer vooraf, Lev.1:5.
Vooral zond- en schuldoffer staan in dienst der verzoening.
Het bloedritueel van de offerdienst bereikt zijn jaarlijks hoogtepunt op de Grote Verzoendag, Jom Kippur.
Volgens de voorschriften die God in de Mozaïsche wetten liet vastleggen worden de offers van de Israëlieten door de priesters op het altaar gebracht.
De besprenging van het altaar met het bloed is een daad van verzoening die de priester verricht als vertegenwoordiger van God.
Het bloed van het offerdier vertegenwoordigt het leven van de zondaar.
HET PRIESTERAMBT:
Zowel bij de heidense volken als bij Israël wordt de persoon die tot taak heeft de godheid met de mens te verzoenen, die dus het ambt der verzoening draagt, aangeduid met het woord dat wij met "priester" hebben vertaald.
Op basis van Johannes 20:21-23 mogen wij aannemen dat de Heer Jezus Christus in het ambt der verzoening, het priesterschap van het nieuwe verbond instelt.
De priesterlijke bediening is daarom in de kerken, die rechtstreeks zijn voortgekomen uit de apostolische gemeenten van de eerste eeuwen, duidelijk kenbaar aanwezig.
De kerken der reformatie hebben met hun afwijzing van de Rooms-Katholieke gedachte van het misoffer, ook het priesterambt uitgebannen.
Er wordt terecht aangenomen dat Christus door Zijn plaatsvervangend lijden en sterven eens en voor altijd verzoening voor onze zonden heeft gedaan.
Het is duidelijk dat daaraan niets toegevoegd kan of behoeft te worden.
Toch is een priesterlijk ambt der verzoening in de Kerk noodzakelijk.
Om een en ander te kunnen begrijpen moeten wij teruggrijpen naar de typologie.
In bijbelse zin verstaan wij onder een type een oudtestamentische figuur, die in zijn persoon of werk een zeker schaduwbeeld, afspiegeling, vertoont van Christus' persoon of werk.
Zo is de oudtestamentische (hoge)priester een schaduwbeeld van onze Heer Jezus.
VOLMACHT
De hogepriester deed jaarlijks verzoening voor het gehele volk; de priesters op andere tijden voor verschillende zonden van individuele personen.
Aan beide ambten was de volmacht verbonden om te bemiddelen tussen God en mens.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de priester niet in naam van de hogepriester optrad, doch als zelfstandig middelaar fungeerde.
Beide ambten, het hogepriester,- en het priesterambt, vinden hun vervulling in de persoon van Jezus Christus.
Over het eerste ambt lezen wij onder meer in Hebreeën 9; en over het tweede in 1Johannes 2:1,2.
Het is onmogelijk dat een mens als plaatsvervanger optreedt in de Hogepriesterlijke dienst; ook niet de door God geroepen dienaren.
Niemand is het geoorloofd het mysterie van het Goddelijk Lam binnen te treden.
Slechts God heeft de macht om zonden te vergeven, Jezus oefende deze macht op aarde uit, omdat Hij samen met de Vader een eenheid vormde. o,m. Matth. 9:6.
Als onze hemelse Hogepriester is Hij met Zijn bloed de middelaar geweest tussen God en de mens.
Hij verzoende ons met God; een eeuwige verlossing.
Thans zit Hij aan de rechterhand van de Vader ten einde bij Hem als onze pleitbezorger op te treden tegenover de beschuldigingen van de satan, onze grote aanklager.
Hier oefent de Heer Zijn priesterambt uit, maar ook op aarde in de, door de Heilige Geest geroepen dienaren.
De macht om zonde te vergeven, die de Heer Jezus in de naam van Zijn Vader , op aarde uitoefende, heeft Hij aan Zijn apostelen overgedragen. o.m.Joh.20:21-23.
De apostelen handelen later in Christus' plaats. 2 Cor. 5:20.
Daartoe hebben zij door de Heilige Geest de toerusting ontvangen.
Door de zending van die Geest is de Kerk gesticht.
In de Kerk, de tempel van de Heilige Geest, heeft de Heer der Kerk de macht om zonden te vergeven achtergelaten.
Dit is het ambt dat verzoening predikt. 2 Cor. 5:18,19.
Dit ambt bekleden, buiten de apostelen, ook allen die door de Heilige Geest tot het priesterambt worden geroepen en door de apostelen als priester zijn gewijd.
Zij, de profeten, evangelisten en herders/leraars, ontvangen door hun wijding aandeel in de volmacht van de apostelen om vergeving van zonden te verlenen aan ieder die oprecht zijn schulden belijdt.
Het spreekt vanzelf dat de priesters alleen in naam van de driemaal heilige God de zonden kunnen vergeven.
Hun is de taak opgedragen om vrede te scheppen tussen God en Zijn kinderen en tussen de laatstgenoemden onderling.
Altijd en overal waar de heiligheid van God geschonden is, ook door hen die verlost zijn door Jezus' bloed, dient dit te gebeuren.
Evenals in de Mozaïsche dienst treedt hier de vereniging van Gods heiligheid en genade op de voorgrond.
Doch steeds geldt dat God geen welbehagen heeft in schuldbelijden zonder berouw en voornemen tot betering, opdat vergiffenis geen lichtzinnigheid zou bevorderen maar stimulans geven tot heiliging.
VERZOENING:
Als bewijs dat de oudtestamentische hogepriester en priester schaduwen zijn voor een nieuwtestamentisch priesterschap, kan wellicht het volgende dienen.
In de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament worden voor het begrip "verzoening" twee verschillende woorden gebruikt, namelijk: "hilasmos" en "katallage".
Het eerste woord heeft de betekenis van de volledige verzoening door het bloed aan het kruis: Christus als Hogepriester en Lam Gods.
Katallage betekent meer verzoening door vrede te sluiten met God en medemens; vijanden tot vrienden maken.
In Jacobus 5:13-17 wordt gesproken over schuldvergeving bij monde van de oudsten, de priesters.
Er is hier sprake van leden van de gemeente, reeds gereinigd in het bloed van Christus, nochtans door hun zonden vervreemd van de genade.
Hier ligt de taak van de nieuwtestamentische priester: Gods kinderen met hun Vader verzoenen; en hen onderling te verzoenen. Matth. 5:24.
Van een collectieve schuldbelijdenis gevolgd door absolutie of vrijspraak lezen wij in de Bijbel niets.
Maar, zowel in de oud-kerkelijke---(ontstaan tussen 64-150)---,als in de huidige apostolische liturgie vindt de collectieve schuldbelijdenis haar plaats.
Aan het begin van de zondagse eredienst, waarin iedere week het Heilig Avondmaal wordt gevierd, wordt de gemeente vermaand om zich te verootmoedigen voor het aangezicht van de Heer.
Bij oprecht berouw en heilig voornemen om het beter te doen dan wij gedaan hebben, zal God ons onze schulden vergeven.
De dienstdoende priester heeft de volmacht om in naam van God vrijspraak te verlenen en de vredegroet uit te spreken:
"het ambt der verzoening".