GIJ ZIJT HET LICHT DER WERELD

"Men steekt geen kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar en zij beschijnt allen, die in het huis zijn. Laat alzo uw licht schijnen voor de mensen, dat zij uwe goede werken mogen zien en uwen Vader Die in de hemelen is, verheerlijken."

Deze woorden sprak de Heer Jezus tot Zijn jongeren, dit waren in dit geval niet Zijn Apostelen want die had Hij nog niet afgezonderd, maar tot de scharen, die volgens

Mattheüs 4:25

Hem volgden van Galilea en van Dekapolis en van Jeruzalem en van Judea en van over de Jordaan.

Wanneer wij dus de Bergrede lezen, die zulke hoge eisen stelt aan ons Christen zijn, dan kunnen wij ons er niet van af maken door te zeggen: "Deze woorden gelden voor de Apostelen, maar niet voor de volgelingen in het algemeen." Daarmede zouden we ons zelf misleiden.

Neen, deze gehele Bergrede is zeer zeker bestemd voor allen, die in Christus geloven en Hem willen volgen.

Deze rede stelt zeer zeker hoge eisen aan ons.!

Het licht der wereld te zijn is geen geringe taak.!

Er zijn zoveel knappe mensen, die elk op zijn gebied lichtende lichten zijn, en, wat moet ik, arm en eenvoudig kind van God, temidden van zoveel lichten, doen?. Ik wordt immers toch niet opgemerkt.?

Maar, daarnaar vraagt de Heer niet. Hij gebiedt aan ons allen om lichtende lichten te zijn.

De Heer wist ook wel, dat er in de wereld lieden waren die veel meer invloed hadden dan Zijn volgelingen, die voor het grootste deel uit de kleine luiden bijeen vergaderd waren.

Er is in Nederland een geleerde geweest, Johan Wessel Gansfoort, die men ""Lux Mundi"" noemde: "het licht der wereld".

Zulke lichten kunnen wij nu eenmaal niet allen zijn. Maar dat eist de Heer ook niet van ons, dit bemerken wij reeds aan onze tekst.

In deze tekst is sprake van een kaars; dit is echter verkeerd vertaald want in die tijd kende men in het Oosten de kaarsen nog niet. De Heer bedoelde hier een gewoon, erg bescheiden olielampje, dat maar zó weinig licht verspreidde, dat men, om het licht wat meer te doen schijnen, het op een standaardje moest zetten zodat men in de boerenwoning tenminste alle mensen kon onderscheiden en allen enig voordeel hadden van dit lampje."Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen".

Dus, zo maar eenvoudig weg, in de kleinen kring van de bekenden, in de huiselijke omgeving. De Heer houdt niet van opschudding; van reclamecampagnes en wat dies meer zij.

De profeet Jesaja had trouwens reeds voorzegd, hóe de Grote Zoon Gods Zich zou openbaren: "Hij zal niet twisten noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen; het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen". Mattheüs 12:19,20.

En tóch welk een helder schijnend licht was Hij; niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen.Daarop had de oude Simeon reeds gewezen toen de eerbiedwaardige grijsaard in een loflied uiting gaf aan zijn vreugde, dat hij den Heiland der wereld in zijn armen mocht houden: "Een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.!"

Jesaja had dat reeds euwen van te voren gezegd: "Het is te gering, dat Gij Mij een knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde". (49:6).

Dat onmetelijke Licht werd ontstoken als een zeer zwak vlammetje ontstoken in de kribbe van Bethlehem; dit vlammetje werd iets helderder in het verachte Nazareth, dat gelegen was in het evenzeer verachte Galilea der volkeren. Enkele jaren schitterde het in het Joodse land met onuitsprekelijke glans maar dreigde daarna uitgedoofd te worden in de donkerheid van Golgotha’s vloekheuvel.

Maar daarna werd weer helderder en geen macht der duisternis is er ooit in geslaagd, om het uit te blussen.

En straks zal in waarheid vervuld worden wat de profetische aanduiding reeds doet vermoeden: de Zonne der Gerechtigheid zál schijnen, waarvoor alle duisternis zal moeten zwichten en dan voor eeuwig.

In de wachtenstijd zal de Kerk het licht der wereld zijn en elk van haar leden moet een lamp zijn, wel is waar van verschillende lichtsterkte, maar allen moeten wij licht-dragers zijn in kleiner of groter kring, al naar gelang de plaats waar de Heer ons heeft gezet.

Niemand mag zijn licht onder een korenmaat zetten; máár, hóe moet ik het dan aanleggen dat mijn licht gaat schijnen.?

Dit is heel eenvoudig, namelijk: de woorden des Heren horen, én ze dóen.!

Apostel Paulus schrijft aan de Filippenzen: (volgens de vertaling van Petrus Canisius, Fil. 2:14,15): "Doet alles zonder morren en aarzelen, opdat gij onberispelijk moogt zijn en ongerept, vlekkeloze kinderen van God temidden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder gij schittert als sterren in het heelal."

Wij weten uit 2 Korinthe 8:15, dat de Filippenzen, die in Macedonië woonden, het heel moeilijk hadden; wij weten, dat zij vervolgd werden maar dat zij, ondanks dat, veel offerden voor de arme onderdrukte broeders in Palestina. Bóven vermogen zoals apostel Paulus zegt.

En zó staan zij vóór ons als sterren in de nacht, omdat zij zich éérst aan de Heer en vervolgens aan Gods werk en Kerk gaven. vers 5.

Erg eenvoudig is het dus om zelfs een ster aan de kerkhemel te worden: zich aan de Heer geven, en, dán volgt de rest vanzelf.!

Máár, híer schuilt nu de grote moeilijkheid: zich aan de Heer geven wil zeggen, zich zelf afsterven óf, zoals apostel Paulus het uitdrukt: "Het leven is mij Christus."

Die zieletoestand is het resultaat van een zielsproces dat zich op verschillende manieren voordoet.Er zijn voorbeelden dat mensen, die eerst zonder God en Christus in de wereld waren, plotseling voor de Heer gewonnen werden en op voorbeeldige wijze hun verdere leven in Zijn dienst stelden; dit zijn echter wel uitzonderingen.

De meeste Christenen zijn als kind gedoopt en daardoor één plant met de ware wijnstok geworden en nu moet de verdere opvoeding voor het overige zorgen. Vooral het huiselijk leven is een factor van belang, maar óók de Kerk kan, door middel van haar verschillende organen, krachtig hieraan medewerken.

Verder leidt God Zijn kinderen langs verschillende wegen zodat hun geestelijke krachten ontwikkeld kunnen word.

Door al deze middelen worden de kinderen Gods in staat gesteld om lichtdragers te zijn.

Máár, één voorwaarde IS en BLIJFT de zélfdoding want anders kan ons leven NOOIT Christus worden, dw.z., nóóit Christus als hoofddoel hebben.Is dat wél het geval, dán zal onze omgeving dat zeer zeker gewaar worden en dán schijnt ons licht.!

En, of wij nu arm, of rijk zijn, of wij onontwikkeld of geleerd zijn, of wij een voorname positie innemen of dat wij een vergeten burger zijn, als Christus in ons leven is, dán verspreiden wij 1icht, zelfs zónder dat wij ons dat veelal bewust zijn.!

Daar moet iets van ons uitgaan, een geestelijke uitstraling waardoor de omgeving beïnvloed wordt. In het ongunstigste geval wordt de omgeving wel aan ons geërgerd, máár, invloed moet er van ons uitgaan.

Van het grote Licht staat geschreven, dat Het in de wereld kwam, maar dat de duisternis Het niet heeft begrepen.

Dat kan ons dus ook overkomen, zodat het verspreiden van ons licht onvruchtbaar zou schijnen. Maar hoewel Israël het Licht verwierp, deze Zon trok haar schijnsel niet in en wij mogen ons, na zoveel eeuwen, verheugen in haar stralen..

Om ons licht te doen schijnen moeten wij durven uitkomen voor ons geloof. Onze naasten mogen weten dat we den Heer dienen en Zijn Woord hoogachten. Het kan het bijvoorbeeld voorkomen dat zich een goed gesprek ontwikkelt en wie zal daarvan de gevolgen kunnen berekenen?

"Werp uw brood uit op het water en gij zult het na vele dagen wedervinden." zo leert ons reeds de Prediker.

MARAN-ATHA,

de Heer komt.!