Er zijn sommige schriftverklaarders die hebben gedacht dat de bovenstaande Psalm zijn ontstaan heeft te danken aan het feit dat Israël door de Here God wonderbaarlijk geholpen werd uit de macht van de wereldveroveraar Sanherib, de koning van Assyrië.
Het kleine volk van Juda mocht staande blijven terwijl het machtige leger dat het beleg voor Jeruzalem zou opslaan, in de nacht door de Here God op een zodanige wijze geslagen werd dat Rabsaké de krijgsoverste s'morgens haastig het legerkamp opbrak en terugkeerde naar zijn eigen land.
Onverwachts was deze oorlog dus beéindigd en de vrede in het land wedergekeerd. Deze geschiedenis staat te lezen in Jesaja 36 en 37.
Hoewel het niet geheel onmogelijk is heeft men voor deze mening betreffende deze psalm toch geen voldoende zekerheid.
Echter, hóe het ook zij, de inhoud van deze psalm geeft ons groter verzekeringen en spreekt ons van machtiger zaken dan datgene wat er geschiedde in de dagen van Rabsaké en zijn onverwachte terugtocht.
En toch, anderzijds is hetgeen tóen geschiedde als het ware een voorspel van de uiteindelijke overwinning en de triomf van het Rijk Gods over het rijk der duisternis.
Op bladzijde 18 van het Apostolische werk "Het Godsplan" kunnen we lezen: "dat in de psalmen het Evangelie des koninkrijks wordt verkondigd, maar, doordat de Kerk dat koninkrijk heeft vergeten, zij dáarom niet meer de Psalmen in hun wáre betekenis kan verstaan."
In het licht van het Evangelie van het koninkrijk willen wij hier trachten om Psalm 46 nader te bezien.
"God is ons een toevlucht en Sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden."
Dít is de grote troost die de gehele Psalm doortrekt, want hier wordt gesproken van het woelen der volkeren die in het steeds meer terrein winnende ongeloof in een ongebreidelde macht elkander bekampen en de heerschappij betwisten.
Het schouwspel daarvan, kan het hart van een kind van God soms zeer beklemmen en hem het gevoel geven dat alles onder de invloed van de goddeloosheid ten onder zal gaan.
Dan bekruipt hem het gevoel dat zijn geloof eigenlijk niets te betekenen heeft, ja, dat het maar een waandenkbeeld is waarmede hij rondloopt en dat straks zijn hoop op niets zal uitlopen maar vermorzeld zal worden tussen de strijd der volkeren en meegesleurd zal worden in de maalstroom van de goddeloosheid.
Zou dit nu echter mogelijk kunnen zijn?
Maar, dan zou daarbij ook het beeld ten ondergaan van de Almachtige, de Alomtegenwoordige God.!
Ten ondergaan, Hij, door Wiens Woord alle dingen zijn voortgekomen en door Wiens Macht alles wat er bestaat wordt onderhouden!
Neen, dán komt als met een onweerstaanbare kracht de overtuiging bij ons bóven dat de Here God, de Almachtige woont in de hoogte en tóch nederziet op de mensenkinderen en daarbij diegenen gadeslaat die Hem zoeken en Hem liefhebben en die trachten om onder Zijn vleugelen beschutting te vinden.
Dikwijls mocht het kind van God ervaren dat de Here God voor hem een hulpe was in de benauwdheden.En, óók in de benauwdheid waarvan hier sprake is, namelijk in het woelen der volkeren weet hij zich in de Heer zijn God geborgen.
In de zekerheid des geloofs durft hij met vrijmoedigheid uit te spreken: "Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën."
Worden wij nu met deze uitspraak geplaatst tegenover geweldige natuur-catastrofen.?
Neen, want wij moeten wél bedenken dat het de Geest Gods is, Die hier spreekt en de taal gebruikt van het koninkrijk van God.
Daarom, wanneer hier gesproken wordt over de aarde, zee'en en bergen, dan moeten wij uit de aanduiding en vergelijking met de stoffelijke dingen, de bedoeling van de H.Geest begrijpen,en, dan hoeven wij hier niet eens verder te gaan om met de juistheid van deze bewering te kunnen instemmen,want wat er in de verzen 3 en 4 in beeldspraak wordt gezegd, dat wordt ons in het 7e vers in onze gewone taal duidelijk gemaakt.
Wij lezen daar: "De heidenen, (ongelovigen), raasden; de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem; de aarde versmolt."
De toornig geworden volkeren, strijdende om de macht en om de heerschappij, waarbij tronen en regeringen ten onder gaan en nieuwe tevoorschijn treden, worden ons hier voor ogen geschilderd.
In het tijdsverloop van de laatste honderd jaar, hebben wij een geweldig bewegen der volkeren waar kunnen nemen.
De oproep die destijds gedaan werd: "Proletariërs aller landen verenigd u.!!"" heeft in alle landen van Europa een geweldige weerklank gevonden en daarbij zijn er vele winden van geestelijke stromingen gaan waaien die hun uitwerking onder het volk zeer zeker niet hebben gemist.
We hebben ze kunnen waarnemen in anarchisme, nihilisme, socialisme, communisme, nationaal-soicialisme, fascisme, emancipatie, en nog vele andere ismen.
In Zijn rede over de toekomst van de Zoon des mensen, zegt de Heer, dat er op aarde zal zijn: "benauwdheid der volkeren,met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven en het hart der mensen zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen." Lukas 21: 25 en 26.
Onze Psalm zegt in vers 4: "Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren door derzelver verheffing."
De volkerenzee zal bruisen vanwege de verschillende winden, leringen, die met grote kracht over haar zullen gaan en de golven zullen opzwiepen. (denk eens aan de charismatische bewegingen). De aarde verandert haar plaats, dat wil zeggen, de staatswetten en de maatschappelijke ordeningen zullen veranderd worden.
Want, waren deze wetten en inzettingen tot nu toe voor het merendeel nog gegrond op het Woord van God en Gods wetten, door de afval van het christelijk geloof worden ook deze veranderd en zullen dan meer en meer hun grondslag vinden op menselijk inzicht en humaniteit.
Wanneer Daniel de anti-christelijke heerschappij beschrijft, dan zegt hij in hoofdstuk 7:25: "dat zij woorden zal spreken tégen de Allerhoogste en de heiligen der hoge plaatsen zal verstoren en zal menen de tijden en de wetten te veranderen."
"Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden, laat de bergen daveren door derzelver verheffing."
Menige berg, koninkrijk, heeft gebeefd en is tenslotte ondergegaan in de volkerenzee. (volksregering).
Wonderlijk, met het 5e en 6e vers staan wij plotseling voor een geheel ánder tafereel, want wij worden van stormen en een kokende zee, van bevende en ondergaande bergen, onverwachts verplaatst naar een alleszins rustige en vredige omgeving.
Het is een verademing, wanneer wij rondom ons zien en horen: "De beekskens der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogste."
Ziehier, de stad Gods, door welks midden een rivier stroomt, die zich verdeelt in zijtakken.
Deze stad wordt hier aangeduid als het heiligdom, de woonplaats van de Allerhoogste.
De naam van de stad wordt niet genoemd, maar wij hoeven daar niet lang naar te zoeken of te gissen, want immers, als aldaar de woning Gods, de Tempel des Heren staat, dan moet het ons toch wel duidelijk zijn: deze stad is Jeruzalem.!
Maar wacht eens, vergissen wij ons nu niet?
Er loopt toch immers geen rivier door Jeruzalem?
Nee, maar de stad die hier wordt genoemd is dan ook niet het oude, stoffelijke Jeruzalem, maar het geestelijk Jeruzalem, de Kerk des Heren.! Hebreeën 12:22.
En, de rivier die door haar heen stroomt, is een geestelijke rivier die haar type en schaduwvoorbeeld vindt in de rivier van de Hof van Eden. Genesis 2.
Wij lezen op die Bijbelplaats, dat door de Hof een rivier vloeide die zich in vier rivieren vertakte en aldus de Hof bevloeide. Deze rivier is het type van de Evangelieleer, gebracht door Jezus Christus, de Springader des levenden waters.
Vanuit Hem doet Hij het levende water stromen in de vier kanalen of zijarmen om de Hof des Heren te voeden en tot vruchtbaarheid te brengen.
Deze vier kanalen in de Kerk worden ons genoemd in Efeze 4:11, namelijk: Apostelen, Profeten, Evangelisten en Herders en leraars.
Dit zijn de beekskens der stad Gods waarover de bewoners zich verblijden en waaruit zij met vreugde mogen scheppen uit de fonteinen des heils.
Verder vertelt de Psalm over deze stad ons nog: "God is in het midden van haar; zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond."
Ja, zij is een geestelijk Sion, een geestelijke tempel alwaar de Heer woont door Zijn Geest.
Zij zal niet wankelen omdat zij gebouwd is op het fundament dat gelegd is door de Heer zélf, zoals ons dat wordt beschreven in Efeze 2:20: "Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, op welke het gehele gebouw,bekwamelijk samengevoegd zijnde,opwast tot een heilige Tempel in de Here."
Al wankelt de aarde, zíj zal niet wankelen want de poorten der hel zullen haar niet overweldigen; en, al bruisen de zeeën en al daveren de bergen, het Sion Gods is vast gefundeerd in de kroon- of hoeksteen Jezus Christus, Die Zijn leven voor haar gaf, en, diegenen die in Hem geloven zullen niet beschaamd uitkomen. 1Petrus 2:6,7.
"God zal ze helpen in het aanbreken des morgenstonds."
Wát zou dit nu kunnen betekenen?
De morgenstond is de aanvang van een nieuwe dag en geeft nieuw leven, nieuwe hoop. Het was in de vroege morgenstond dat de Heer opstond uit de dood.
Naar de beloften des Heren komt er een dag des Heren, Openbaringen 1:10 en, dat is de wederoprichting aller dingen, Handelingen 3:21, de wedergeboorte der aarde. Mattheus 19:28 en Openbaring 21:1.
Over die dag des Heren spreekt de Heilige Schrift meerdere malen, want het is de toekomst waarop het koninkrijk Gods in zijn heerlijkheid op aarde zal zijn gekomen. Het is het koninkrijk om welks komst de Heer ons heeft leren bidden: "Uw koninkrijk kome."
Weliswaar was met de komst des Heren op aarde reeds het koninkrijk Gods gekomen, doch nog slechts zónder uiterlijk gelaat; onzichtbaar in de harten van de kinderen Gods, maar, de dag des Heren, is het koninkrijk Gods in al zijn heerlijkheid en over de gehele aarde.
In Openbaring 11:15 staat, dat toen de zevende engel op de bazuin blies, er grote stemmen in de hemel gehoord werden die zeiden: "De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heren en van Zijn Christus,en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid."
Wij hebben dit nu niet zó op te vatten dat bij de aanvang van het zevende tijdvak het koninkrijk Gods in zijn heerlijkheid reeds zal zijn aangevangen, neen, maar wél, dat de zevende bazuin de verkondiging inhoudt van het komende koninkrijk met al wat hiermede in verband staat.
De Maranatha-prediking ving aan, en mét die prediking ook de toebereiding opdat de gemeente als een reine maagd zonder vlek of rimpel aan de Hemelse Bruidegom zou kunnen worden voorgesteld. 2 Korinthe 11:2 en Efeze 5:27.
En, dáárin begon nu het eerste morgengloren van de ophanden zijnde grote dag des Heren.
Wanneer wij naar de natuur zien, dan kunnen wij ons daar een duidelijke voorstelling van maken; wanneer de morgenstond in aantocht is, dan zien wij de lucht lichter worden terwijl alles op de aarde nog donker is; en, hoewel de zon nog niet boven de gezichtseinder is verschenen, verlichten haar stralen de wolken reeds en worden deze wolken omzoomd met gouden randen.
Het is dan net, of deze wolken ons willen toeroepen: De dag breekt aan, straks schijnt de zon.!
Zó is het nu óók met de morgenstond van de dag des Heren, want terwijl alles op de aarde nog donker is vanwege de zonde en de ongerechtigheid, verkondigen de dienaren Gods als een wolk der getuigen, de komst van Christus, de Zon, en Zijn heerlijke dag.
Met veel nadruk willen wij hier in dit verband er op wijzen, dat tijdens de klank van de zesde bazuin, de Heer der Kerk de plechtige verzekering geeft: "Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij aan Zijn dienstknechten,de profeten verkondigd heeft."
Een verborgenheid Gods is een zekere waarheid of wetenschap die nog niet bekend, --onthuld--is.
Wanneer "De verborgenheid Gods vervuld wordt", dan wil dat zeggen dat deze waarheid of wetenschap bekend gemaakt wordt.
Reeds onder het Oude Verbond heeft de Here God door de monden van Zijn knechten, de profeten, het komende Godsrijk in zijn heerlijkheid aangekondigd.
En, was het niet het verlangen, de hoop en de troost van de gemeente van vóór l9 eeuwen, dat de Here Jezus zou wederkomen in heerlijkheid en daarna Zijn rijk op de aarde zou stichten.?
Toen echter de komst des Heren steeds maar uitbleef, verflauwde dit verlangen en ging de Kerk steeds meer haar hemelse roeping vergeten en bepaalde zich steeds meer en meer bij dit aardse leven.
Toen Constantijn de Grote tot de Kerk toetrad en haar onder zijn bescherming nam, verdween het laatste vonkje van de verwachting van de komst van de Bruidegom en Zijn koninkrijk. Of wel, men meende: het koninkrijk was reeds aangevangen.!
De verfraaiing van de Godshuizen en het bouwen van hoe langer hoe grotere en mooiere kathedralen was hiervan het gevolg.
De verwachting van de christen was een zalig sterfbed en een verheerlijkte zieletoestand in de hemel.!
Oók met de zesde bazuins-engel, kwam de oorspronkelijke verwachting der Kerk niet opnieuw tot leven, de eerste liefde bleef nog uit.
Echter, de verborgenheid Gods, verkondigd door de dienstknechten, de profeten, zou volgens de beloften des Heren, geopenbaard worden door de zevende bazuin
De klank van de zevende bazuin riep de kinderen Gods óp om zich voor te bereiden op de spoedige wederkomst des Heren en het komen van Zijn koninkrijk op de aarde.
Deze prediking en verwachting, was het eerste morgengloren van de dag des Heren.
De Heer zou hierbij de Zijnen helpen, zo zegt onze Psalm.
En, deze hulp des Heren, is de uitstorting van de spadenregen.
Door het licht en de kracht van de Heilige Geest kwam de Heer Zijn volk te hulp om deze boodschap uit te bazuinen.
Met vers 7 keren wij terug tot de wereld van vandaag, waar ons het woelen der volkeren getoond wordt: "de heidenen raasden; de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem; de aarde versmolt."
Het bewegen der koninkrijken laat ons de onderlinge strijd der volken zien. Rijken zijn ten onder gegaan en anderen zijn gekomen; echter voor het merendeel zijn de tronen en kronen verdwenen; zij zijn ondergegaan in de volkerenzee.!
De onstuimigheid der volkeren zal echter tot bedaren gebracht worden als des Heren tijd daar zal zijn.
Toen de Here Jezus nog op aarde wandelde, heeft Hij eens de wind en de golven bestraft met het woord, en zie, zij werden stil. Markus 4:41.
Met rasse schreden nadert de dag dat Hij Zijn stem zal verheffen over de volkerenzee. De volkeren die God vergeten hebben, meenden het zélf wel te kunnen en die dachten de Here God niet meer nodig te hebben, zullen Zijn bestraffende stem vernemen, want Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns mond.
Het verheffen van des Heren stem wordt onder andere beschreven in Openbaring 19:11-21.
De anti-christelijke aarde zal versmelten als Hij verschijnt.!
In de verzen 9 en
10 lezen wij:
"Komt, aanschouw de daden des Heren, Die verwoestingen op
aarde aanricht; Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde
der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan tweeën slaat; de
wagenen met vuur verbrandt."
De Heer zal verwoestingen op aarde aanrichten door aan de, van Hem afkerige volkeren de gevolgen van hun eigen handelingen te laten ondervinden.
De Here God is de bewarende macht over de kinderen der mensen, maar, wanneer Hij die macht maar een weinig terugtrekt vanwege hun ongehoorzaamheid, dan zijn de smarten en ellende groot. In de eindtijd der bedeling zal de strijd onder de volkeren tot zeer grote verschrikkingen leiden, "zodat de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting betreffende de dingen die het aardrijk zullen overkomen."
Oorlogen, en geruchten van oorlogen, b.v.koude oorlogen, zoals wij die hebben gekend, zullen de aarde menigmaal in een zodanige paniekstemming brengen dat vele mensen de angstige verzuchting zullen uiten: "Wáár moet dat heen?"
De catastrofale gebeurtenissen in de eindtijd op de aarde worden ons getekend in de woestheid van het vierde dier dat door Daniël in een nachtgezicht werd gezien en waarvan hij zegt: "het vierde dier was verschrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk, en het had grote ijzeren tanden; het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten." Danië17:7.
De Here, Die verwoestingen op aarde aanricht, zal de volkeren de gevolgen van hun eigen handelingen doen ondervinden. Hij zal hen daardoor leren dat de mens in eigen kracht en zónder de hulp van de Here God, steeds zal falen en het hopeloos zal bederven.
Hij zal hen laten begaan, totdat.......ja, totdat het Zíjn tijd is en dán zal Hij hen een halt toeroepen.
Zeer kernachtig wordt dit keerpunt in het 11e vers van psalm 46 uitgedrukt: "Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen; Ik zal verhoogd worden op de aarde."
Hij, Die verwoestingen op aarde aanricht, zal het óók zijn, "Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,en de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt."
Hetzélfde getuigenis vinden wij bij de profeet Jesaja, waar deze zegt:
"En Hij zal richten onder de heidenen en bestraffen vele volken;en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen;het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren." Jesaja 2:4.
En, zo waarachtig als de Here leeft, deze belofte zal volgens Zacharia 14:9 in vervulling gaan, maar ook niet éérder dan dat het koninkrijk Gods op aarde in heerlijkheid zal zijn gekomen, en "De Here Koning zal zijn over de ganse aarde."
In tegenstelling tot alle machten en rijken van deze aarde, tijdens onze bedeling, die beweeglijk, veranderlijk en tijdelijk zijn, staat het Rijk van God als een onbeweeglijk koninkrijk.
Daarover zegt de Hebreeënbrief in hoofdstuk 12:26-28:
"Nog éénmaal zal Ik bewegen, niet alleen de aarde, maar óók de hemel!"
En, dit woord: nog eenmaal, wijst ons op de verandering der beweeglijke dingen, opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn.
Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door welke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Welnu, temidden van het bruisen der zeeën en het daveren der bergen en hun ondergang in het hart van de zee, kan en mag het kind van God tóch gerust zijn, want de Here der heirscharen is met ons; de God van Jacob is ons een hoog vertrek.