* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
"De verlossing is van de Here" vs. 9
"Een Morgenlied", zo luidt het
opschrift, dat in de N,B,G- vertaling boven de derde Psalm
geplaatst is.
En terecht, zoals uit het éerste vers blijkt: "Ik legde mij
neder en sliep; ik ontwaakte, want de Heer schraagt mij".
In profetische zin is het zelfs een lied op de Paasmorgen.
De Bijbel noemt ons nauwkeurig de omstandigheden, waaronder dit lied geboren werd. Het is door David gedicht, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.
De opstand van Absalom, wij weten het, maakt deel uit van de stroom van ellende en rampspoed, die over David kwam als gevolg van zijn overspel met Batsheba. In negen lange hoofdstukken wordt ons het aangrijpend verhaal ervan gegeven 2Sam- 11 : 19.
Men zal dit moeten lezen en zich daarbij zo goed mogelijk verplaatsen in de situatie, waarin de vluchten de koning verkeerde, als men deze Psalm wil verstaan en genieten van zijn schoonheid.
David is ontzet over het grote aantal zijner tegenstanders, zie ook vers 7, en, bijzonder pijnlijk is het, dat deze tegenstanders een vernietigend oordeel vellen over zijn inwendig leven, zijn persoonlijke verhouding tot God.
Dat doen niet alleen boze mensen, die om één of andere reden de koning haten, maar ook de goedwillenden, die David steeds welgezind waren, wanneer zij zien, hoe snel en wijd de opstand om zich heen grijpt, en hoe Absalom zegevierend Jeruzalem en het koninklijk paleis binnentrekt, beginnen te geloven, dat God hem verlaten en verworpen heeft.
"Velen zeggen van mij, Hij vindt geen hulp bij God".
Hier staat een "Sela", d.w.z. de muziek verheft zich, om het misprijzend oordeel van de menigte, en tevens de pijnlijke indruk daarvan op het gemoed van de koning, te accentueren.
Maar, vs- 4, de mensen vergissen zich. David mag nóg zo zwaar gezondigd hebben, zijn waarachtig berouw heeft hem volkomen in Gods gemeenschap hersteld, Jehova heeft hem zijn dubbele misdaad, overspel en moord, vergeven. Niet zodra heeft hij zijn schuld beleden, of de profeet kon hem verzekeren: "De Heer heeft uw zonde vergeven".
Niet zal vergeven, maar heeft vergeven. 2 Sam, 12 : 13; zie ook Ps- 32 : 5.
Mensen geloven dat echter niet zo gauw, en zijn er heus niet zo haastig bij, om nu van hun kant ook vergiffenis te schenken.
Zeker David heeft zijn zonden beleden; maar, kon hij wel anders?
Ontkennen kon hem immers niet baten, wat voor waarde kon men hechten aan zulk een schuldbelijdenis?
En zie nu eens, wat een zee van ellende er over hem komt; zie hem berooid wegsluipen uit Jeruzalem, "hij zal wel nooit terugkomen, Het is uit met hem en met zijn koningschap, God heeft hem verlaten."
Doch de verhouding van David tot zijn God is een geheel andere dan de mensen denken God is niet tegen hem, integendeel: God is hem een schild, dat hem van voren geheel bedekt en waarachter hij veilig wegschuilt. Geen vijand kan hem deren.
Meer nog: Jehova is zijn eer. De eer van het koningschap is hem ontvallen, ligt vertrapt in het stof door zijn eigen schuld. Maar de Heer Zelf is zijn eer; de Heer die in oneindige genade hem al zijn ongerechtigheden vergeven heeft.
Is er voor een arme zondaar wel grotere eer denkbaar dan gemeenschap te mogen hebben met zulk een God, die ""mild is in 't schuldvergeven""?.
Zie, hoe David tegen de helling van de Olijfberg omhoog klimt, wenend, het hoofd omhuld en ter aarde gebogen. 2 Sam, 15 : 30.
Nieuwe ontsteltenis grijpt hem aan, wanneer daar het bericht komt, dat zijn beste vriend en raadsman Achitofel een verrader is geworden en de zijde van Absalom heeft gekozen, vers 31.
Van deze geslepen tegenstander valt voor David niets goeds te verwachten, en, als een vertwijfelde kreet om hulp klinkt het van zijn lippen: "0 Heer, verijdel toch Achitofels raad."
En zie, meteen verschijnt daar op de top van de Olijfberg een andere vriend en raadsman van de koning: Husai, die, zie het maar aan zijn gescheurde kleed en de aarde op zijn hoofd, in deze kritieke ure zijn meester trouw is gebleven. En ineens weet David, dat God, door de komst van deze Husai, zijn gebed verhoord heeft. vs- 32.
Hij neemt energieke maatregelen. De Heer zelf beurt zijn hoofd op; Hij troost hem, en zal hem helpen: "Maar Gij, Here, zijt een schild, dat mij dekt, mijn eer, en die mijn hoofd opheft" Ps-3:4.
Neen, het is niet, waar wat de mensen denken, dat hij op zijn gebed geen verhoring vindt bij God; wel is hij nu verdreven van Gods heilige woning op de Sion; maar hij heeft zelf, in diepe ootmoed, 2 Sam.15: 25, 26, de priesters Zadok en Abjathar, die hem wilden volgen met de ark des verbonds, met beslistheid naar Jeruzalem teruggezonden.
En al kan hij dan nu niet met zijn gebed nadertreden tot daar, waar Jehova troont op de vleugelen der cherubs temidden van Zijn volk, als hij met luider stem roept: "Maak toch de raad van Achitofel tot zotheid, o Heer", dan dringt zijn gebed over de hoofden der vijanden heen tot de troon met de cherubs, en van daar, van de heilige berg Sion af, klinkt het antwoord des Heren terug. Want geen afstand, noch enig schepsel, is voor God een hinderpaal om Zijn dienaar te helpen en te verhoren.
Er is natuurlijk een oneindig verschil tussen Christus, die in alles volmaakt was, en David die als koning tegenover zijn volk zo deerlijk te kort was geschoten, want, hij heeft de eer van het koningschap over Gods volk te grabbel gegooid.
Máár, ook het volk maakte zich in hoge mate schuldig tegenover David door het aannemen van zulk een liefdeloze houding, nog wel nadat deze van Godswege vergiffenis had verkregen. Zij maakten het wel niet allen zo erg als Simeï de Benjaminiet, die de vluchtende koning met stenen nagooide en hem openlijk vervloekte: "Ga weg, ga weg, bloedvergieter, nietswaardige." maar in beginsel deden zij toch allen hetzelfde.
En dat maakt David tot een voorbeeld van Christus.
Terwijl hij door zijn zeer ootmoedige houding tegenover Simeï en tegenover al zijn vijanden ook innerlijk het beeld van Christus vertoont. Men leze 2 Sam, 16 : 5 14 en ook hst.19 : 16 - 23.
Davids leven liep groot gevaar, zoals 2 Sam-17 duidelijk doet uitkomen. Na een vermoeiende tocht heeft hij zich ter ruste begeven, 2 Sam.16:14, en heeft ook inderdaad rustig geslapen.
In de vierde Psalm, een avondlied van David, dat uit dezelfde tijd dateert, zegt hij zo vol kinderlijk vertrouwen: "In vrede kan ik mij ter ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o Here, doet mij veilig wonen." Ps.4:9.
Hoe is het nu met ons,
lezer?
Is er, als er beproeving op ons afkomt en gevaren dreigen, een
stil vertrouwen op God in ons hart?
En, als de druk zwaarder wordt en de dreiging toeneemt, blijft
ons gemoed dan in rust, en onze slaap zoet?; of kunnen wij de
slaap niet vatten, en werpen ons heen en weer op bed, en liggen
uren lang te piekeren?
Petrus kon rustig slapen in de gevangenis, ofschoon er de volgende dag over zijn leven zou worden beslist. Hand.12 :6.
Kunnen wij ook even rustig naar bed gaan en slapen en opstaan, omdat wij ons veilig weten in Gods hoede? Ook dan, wanneer wij, evenals David, in hetgeen over ons komt met schaamte de gevolgen van eigen zonde moeten zien?.
Staat God op deze wijze voor ons bewustzijn tussen ons en onze vijanden en de gevaren die ons omringen?
David ervoer in deze nacht op wonderlijke wijze Gods bewarende zorg, want, nadat hij zich te ruste had begeven, kwam een bevriende boodschapper uit Jeruzalem om hem, namens Husai, te waarschuwen om dadelijk de Jordaan over te trekken. 2 Sam.17:15-22.
En, onderwijl werd Husai door God gebruikt om de gevaarlijke raad die Achitofel aan Absalom gegeven had, krachteloos te maken. 2 Sam.17:5-14.
Davids hart is vol dankbaarheid, de wondere bewaring in deze afgelopen nacht is hem een onderpand, dat God hem ook verder beschermen zal, des Heren eigen hand schraagt en ondersteunt hem; ze was deze nacht zijn veilig hoofdkussen. In die machtige en liefdevolle hand mocht hij zijn hoofd laten rusten en zich volkomen veilig weten.
Zoals wij zingen: "Veilig in Jezus' armen". vgl.Hooglied 2:6.
Inderdaad hebben tienduizenden van het volk de zijde van Absalom gekozen vs-7, maar wat deert het?. "Ik vrees niet", zegt David; hij zegt dit in ootmoedig, stil- gelovig vertrouwen op God, niet op een zegevierende of overmoedige toon, en, daarom volgt hier geen "Sela" want luide muziektonen zouden hier niet passen.
Evenzo werd ook de Paasmorgen van Christus' opstanding gekenmerkt door stille, gewijde rust.
Want profetisch spreekt vers 6 van Jezus' dood en opstanding; stervend had de Heiland, met de woorden van Ps.31: 6, Zijn geest bevolen in de handen van de Vader. Luk.23:46.
Gods handen hadden Hem ondersteund in de dood.
En nu mogen ook wij stervend ons hoofd neerleggen in Zijn handen, zoals het oudejaarsavondlied zegt: "Ook mijn stof rust op Uw trouwe, sluimert in Uw Vaderhand."
Doch dan klinkt het stoutmoedige: "Sta op, Heer!" vs, 8. Het is het woord, dat Mozes sprak, toen de Israëlieten hun legerplaats in de woestijn weer gingen opbreken om verder te reizen. Num.10:35.
"Sta op, Heer!"; God staat op, als Hij in de loop der gebeurtenissen beslissend gaat ingrijpen, Hij doet dat altijd op Zijn tijd; Hij heeft het ook voor David gedaan zoals in 2 Sam.18 verhaald wordt.
Hij doet dat ook voor ons, wij zullen het op Zijn tijd ervaren.
Jezus zit nu aan de rechterhand Zijns Vaders, maar Hij zal opstaan en komen in de lucht, om Zijn gemeente af te halen en te brengen in het huis des Vaders met de vele woningen. Een machtig ingrijpen in het lot Zijner geliefde gemeente.
En Hij zal andermaal opstaan, om Zijn volk Israël te verlossen, en alle vijanden aan Zijn voeten te leggen. Dat zal het grote en beslissende ingrijpen in de geschiedenis der wereld en het lot der volken mogen zijn.
Wel mogen ook wij vol verlangen roepen: "Sta op, Heer!"
Het slot van dit vers is jubelende geloofstaal: "Ja, Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen, en de tanden der goddelozen verbrijzeld."
David ZIET reeds de uiteindelijke nederlaag van zijn tegenstanders; de goddelozen zijn als bijtende monsters, maar met een slag op de kaak zal God hun tanden stuk slaan. Evenzo smadelijk zullen ook weldra al de vijanden van Christus vernietigd worden, want: "De verlossing is van de Heer."
Velen meenden, dat er voor David géén heil was bij God, vs.3, maar het heil is van de Heer, mensen hebben daar niets over te zeggen, Hij alléén bezit het heil, en heeft macht er mee te handelen en het uit te delen naar welgevallen.
In al zijn omvang staat het eenvoudig te Zijner beschikking.
Zo heeft ook Jona in de ingewanden van het zeemonster gelovig erkend: "Het heil is van de Heer". Jona 2:9.
En, zijn verlossing is, evenals die van David, een beeld van het grote heil dat in de opstanding van Christus tot stand is gekomen. Matth.12:40. Tegenover de vreselijke machten van Satan, zonde en dood, beschikt God over de verlossing in volkomen machtsbetoon.
Dat is gebleken op de Paasmorgen; en het blijkt ook, zo dikwijls een arme zondeslaaf door de macht van Christus opstanding van zijn slavenketenen en uit Satans klauwen gered wordt.
Het heil van de Heer.
Doch David denkt daarbij waarlijk niet alleen aan zichzelf. Zijn volk betrekt hij mee in de gedachte aan het heil des Heren. Dit is wonderlijk schoon, als men de situatie in het oog houdt, waarin hij op dat ogenblik tot zijn volk stond. Inplaats van het om zijn trouweloosheid te vervloeken, bidt hij Gods zegen over hen af, want zij blijven Gods volk; zij hebben voor het ogenblik zich slechts jammerlijk laten misleiden en bedriegen.
Dit "Uw zegen zij over Uw volk" vindt zijn tegenbeeld in het "Vader, vergeef het hun" van die andere David, die door Zijn volk aan het kruis werd genageld.
Dit ene slotwoord van deze Psalm, zo zegt een Schriftverklaarder, werpt een helder licht in het binnenste van deze edele ziel. Wij weten, dat David inderdaad later, toen hij in zijn koningschap hersteld was, op treffende wijze genade voor recht heeft laten gelden; b.v. tegenover Simeï 2 Sam, 19:16-23.
Luide muziek begeleidt Davids zegenbede over het volk, en sluit de Psalm af: "Sela".
David moest zelf van genade leven, maar wist ook aan anderen genade te betonen, En genade kweekt blijdschap. Ze is de grond van de feestvreugde der eeuwigheid.
Een paradijsbloempje uit de psalmentuin heeft iemand eens deze Psalm genoemd, en terecht, Hij is omhangen met de hemelse geuren van vergeving en genade en innig, ootmoedig geloofsvertrouwen.