LOOFT DEN HEER.

Psalm 107.

Looft den Heer.!

Máár, dát is in deze tijd van tegenspoed en afbraak toch veel te veel gevergd.?

Wie kan de Heer nu nog loven.?

Er was eens een apostel des Heren die in de gevangenis zat en die aan zijn gemeente schreef: "Verblijdt u in de Heer ten allen tijde, ja, wederom zeg ik u: verblijd u.!"

Dat was dezélfde man, die eenmaal, samen met Silas, in het nachtelijk uur in de gevangenis zong toen hun ruggen schrijnden van de geselslagen die zij hadden gekregen.

Wonderlijke mensen waren dat, deze beide dicipelen.

Ja, in zekere zin wel, want hun medegevangenen hoorden hen zingen. Het zouden wel treurliederen geweest zijn zoals bij voorbeeld Psalm 6:7: "Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed de ganse nacht zwemmen, ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.!"

Maar nee, dát zongen zij niet; zij zongen lofgezangen ter ere van de Here God. Handelingen 16:25.

Kijk het maar na in uw Bijbel en dan zult gij zien dat de schrijver van deze studie zich niet heeft vergist.

Geen treurige liederen, maar lofgezangen.

Lof aan wie.? Aan Hem, die daar toch maar rustig toeliet dat zijn dienstknechten, die door een droom aangespoord waren om naar de stad Filippi te gaan om daar hulp te gaan bieden aan geestelijk armen, in de gevangenis werden geworpen nadat zij vele stokslagen hadden ontvangen.

Konden Paulus en Silas nu niet morren en de Here God aanklagen: "wat is dít nu, hebt Gij ons bedrogen met deze droom.? Wij dachten dat wij daar mensen zouden vinden die begerig waren naar Uw woord, maar, daar liggen wij nu met brandende wonden in de gevangenis, en, wát zal de dag van morgen ons brengen? Heer, wát doet Gij.?"

Maar niets van dit al, zij zongen lofliederen.!

Zo waren óók de apostelen te Jeruzalem verblijd toen de Joodse Raad hen liet geselen: "Zij dan gingen henen, verblijd zijnde, dat zij waardig waren geacht geweest om Zijn Naams wil smaadheid te lijden." Handelingen 5:41.

Wonderlijke mensen toch, die dienstknechten van Christus.!

Zó wonderlijk moeten wij óók zijn, want, dezélfde oorzaak van die blijdschap werkt óók in ons, kán tenminste in ons werken.

De vreugde van de dicipelen des Heren, was de zekerheid des geloofs,dat zij, eertijds onder de macht der zonde en des doods liggende, vrijgekocht waren tot kinderen Gods, en voorbestemd om, na een weinig met Christus te hebben geleden, straks met Hem verheerlijkt te worden.

Ziedaar, de oorzaak van hun blijdschap.!

En gij, die gelooft in uw doop, hebt gij minder de zekerheid dan de zo beproefde, gemartelde en vervolgde dienaren uit de eerste tijd van de Kerk.?

Of is uw leven misschien zwaarder dan het hunne.?

Zoudt gij dat, voor Gods aangezicht, durven beweren.?

Hoe komt het, dat zovele kinderen Gods zo weinig vreugde kennen.?

Komt dat door ziekte, tegenspoed, armoede, of strijd in alle opzichten.?

Nee, want alles wat wij nu ervaren werd in veel erger mate ondervonden door de mannen Gods die wij in de gevangenis hoorden zingen.

Het komt, omdat wij niet genoeg verstaan en begrijpen, wát onze toestand zou zijn zonder de genade; omdat wij er niet aan denken dat wij, zónder de sacramenten dood zouden zijn, dat wil zeggen, een prooi zouden zijn van de eeuwige dood.

De verschrikking dáárvan laten wij niet genoeg in ons doorwerken en daardoor kunnen wij ons niet genoeg verblijden.

Nu ja, wij zijn zondaren, dát hebben wij al zo lang gehoord. Wij waren doemwaardig en ook dát is een bekende klank voor ons.

Máár, zou de bekendheid met de woorden: ""zonde en verdoemenis"" juist niet dikwijls de oorzaak zijn dat wij ons weinig van de inhoud van die woorden voorstellen.?

Door de gewoonte beseffen wij te weinig uit welk gevaar wij zijn gered.!

Zo min als wij ons de eeuwige heerlijkheid kunnen voorstellen,zo min hebben wij ook een voorstelling van de eeuwige verdoemenis.!

Tóch moeten wij onze gedachten wel eens in beide richtingen laten gaan want, wanneer wij nooit aan deze tegengestelde toestanden denken, die zeker de grootste tegenstelling vormen die een mens zich kan voorstellen, kunnen wij nooit de blijdschap des geloofs kennen; en kan nooit de wáre dank tot de Verlosser ons vervullen; en, dan verstaan wij zelfs niet waarom wij de Heer Jezus de naam "Verlosser" geven.

Dat wil nu niet zeggen dat wij met gebogen hoofd door het leven moeten gaan en steeds maar blijven zuchten over onze zonden. Neen, juist het tegenovergestelde verwacht de Heer van ons: door te weten uit welk een gevaar wij zijn gered en voor welk een heil wij zijn bestemd--al kunnen wij ons deze beide toestanden dan ook onvoldoende voorstellen, dan zal juist die blijdschap ons vervullen, die blijdschap, die bij het grootste leed ons nog lofliederen ter ere van de Heer doet zingen en Zijn Naam doet prijzen wanneer wij om diens Naams wil geleden hebben.

De doorgestane ellende en het te verwachten heil stemmen tot vreugde en daardoor is een kind Gods een wonder voor de ongelovigen.

"Ik weet dat Mijn Verlosser leeft", zo zei de man die zwaar beproefd werd.

En al zingt onze geest wel eens een lied dat begint in de mineur-toonaard omdat de weg Gods niet begrepen wordt, het lied van een Christen zal altijd in in majeur eindigen met de jubeltoon: "Wie overwint, zal alles beërven."

Ons uitgangspunt was Psalm 107:

Lees deze psalm eens in zijn geheel door, en lees hem dan nóg eens aan de hand van de volgende ontleding.

De éérste drie verzen roepen allen op om de lof van God te zingen, allen, die gered zijn uit gevaar.

Dan volgen vier delen die eigenaardig regelmatig zijn opgebouwd:de verzen 4-9; van 10-16; van 17-22; en van 23-30.

Daarná vinden wij een algemene beschrijving van het wel en wee in het menselijk leven in de verzen 33-41, en de dichter eindigt dan met ons op te roepen om wijs en verstandig te zijn.

De vier delen zoals hierboven bedoeld, zijn aldus opgebouwd:

Zij beschrijven verschillende ervaringen van verschillende groepen mensen, maar in elk van deze vier delen vinden wij terug:

"doch roepende tot de Heer in de benauwdheid die ze hadden, heeft Hij ze gered uit hunne angsten." de verzen: 6, 13, 19, en 28.

Na elk van deze verzen vinden wij de manier vermeld waarop de Heer redde, vers 7, 14, 20, 29, en daarná eindigt élk deel met dezélfde woorden: "Laat ze voor den Heer Zijn goedertierenheid loven en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen"; de verzen 8, 15, 21 en 31-waarna in elk deel nog een bijzonder slotwoord verdere opheldering geeft.-de verzen 9, 16, 22 en 32.

De dichter van deze Psalm is dus wel een groot kunstenaar geweest die zijn loflied als een regelmatig opgebouwd kunstwerk voor de Heer opstelde.

Wie zich nu de kleine moeite getroost en even zijn Bijbel ter hand neemt, die ziet met één oogopslag de manier waarop deze lofzang is samengesteld.

In het eerste deel, de verzen 4-9, zien wij verdwaalde reizigers die op het rechte pad gebracht worden.

Kennen wij ze onder ons ook niet, die door allerlei omstandigheden de weg Gods verlaten hadden en die tenslotte uitgeput waren.?

Maar, de Here God zond hen hulp en zij werden gered en bereikten een veilig oord. Hierbij denken wij aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, en de verklaring in het B.v.o.Tijd.

In het tweede deel, de verzen 10-16, wordt de mensen geschetst die gevangen zaten in overgeleverde begrippen en daardoor de kennis Gods niet konden verwerven. Hierbij denken wij ook aan de velen die in het dodenrijk zijn gekomen zonder de Here God op aarde te hebben gekend. Die allen kunnen na hun bevrijding, juichen over de verlossing.

In het derde deel, de verzen 17-22, vinden wij de verloren zoon terug die in overdaad alles verkwist had zodat de ellende hem deed denken aan het verloren geluk, maar hem óók tot berouw bewoog.

Het laatste deel beschrijft ons het lot van zo menig dienstknecht Gods, die, als een schipper op de grote wateren der volkerenzee drijft en probeert om de geestelijke goederen aan anderen te brengen.

Hoe treffend zijn hun ervaringen getekend, hun blijdschap in het begin, maar hun teleurstelling door zo menig smartelijke ervaring in het Koninkrijk. Maar, uit alles redt de Here God wanneer Hij in oprechtheid wordt aangeroepen.

Het volgende deel beschrijft het gewone leven van de mensen, waarin al de geredden toch weer terugkeren.

En, nu dreigt juist híer de sleur der gewoonte die alles doden kan, maar, daarom eindigt de Psalmist met een waarschuwing: "Wie is wijs?, die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des Heren."

Wie is wijs.?

Kijk nu eens om u heen; misschien vindt u wel in elk deel van het leven dingen van uzelf terug, of van sommige van uw medebroeders of zusters; eigen of een anders ervaringen, nood, ellende, maar tenslotte uitredding.

Ieder heeft de trouw van de Here God ervaren en een ieder kan zingen, zoals onze Psalm begint: "Looft de Heer, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid."

Laten wij dan dankbaar zijn en niet zuchten over datgene wat de onbekende toekomst ons wellicht kan brengen; dankbaar, omdat de door ons reeds afgelegde weg getuigt van Gods liefde.

Laat het hoofd niet hangen door de omstandigheden des tijds, maar doet wat de Heer zei: Juist dán, wanneer de wereld vreesachtig wordt voor de toekomst; wanneer er angst is voor de komende dag, dán zullen wij onze hoofden opwaarts heffen, want de verlossing is nabij.

Wij denken aan de grote dag der overwinning, wanneer in de Hemel aan de Driemaal Heilige God de lof, de dank en de aanbidding zal worden toegebracht.

Dat wij dan reeds hier op aarde het nieuwe lied leren zingen, het lied, waarvan de grondtoon zal zijn: "Looft de Heer, want Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid."

MARAN-ATHA

De Heer komt.!