E L I A

en

de weduwe van

ZARFATH.

1 Koningen 17:9:

Nadat de beek Krith was uitgedroogd, kreeg Elia door het woord des Heren, het bevel: "Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat te Sidon is en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw gevonden,dat zij u onderhoude."

Dáár, te Zarfath, gelegen in het heidense land waar de vader van Isebel, de vrouw van koning Achab, als koning regeerde en waar de Eth-Baäl werd gediend, dáár, te midden van de vijanden van de Here God, moest Elia gaan wonen; en, naarmate de tijd vorderde, bleek het dat Elia hier beter verborgen was dan in het land van Juda.

Ná hetgeen er geschied was op de berg Karmel, vluchtte Elia naar de berg Horeb omdat de koning Achab het gehele land naar hem liet afzoeken.

Laten wij nu eens nagaan op welke wijze als Elia, hij wist toch immers geheel niets van deze weduwe, deze door de Here God uitverkoren vrouw kon vinden.

Wanneer Elia aan de poort van de stad gekomen is, dan ziet hij daar een vrouw die hout verzamelde; hij riep haar bij zich en zei tegen haar: "Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke."

Het vragen om water, was een zekere proef die in de oude tijd wel vaker werd toegepast, en, waarover de Heer Zélf ons in Markus 9:41 leert: "Want zo wie ulieden een beker water te drinken zal geven in Mijnen Naam,omdat gij dicipelen van Christus zijt,voorwaar Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen."

Zulk een proef heeft zowel voor de vrager als voor de gever, zegenrijke gevolgen.

Denken wij ook eens aan de geschiedenis van Izaäk, Rebecca en Eliëzer, waarin óók deze waterproef voorkomt. Gen.24:11-21.

Zo'n teken werd niet begeerd uit wantrouwen of uit vermetelheid, maar vanuit een bijzonder vertrouwen, dat de Here God in diegene werkte die in een toestand kwam te verkeren dat de Here God hem een vaste aanduiding of teken verschafte.

Zó gaat Elia nu verder met zijn onderzoek, want, terwijl de vrouw op weg gaat om water te halen en op deze wijze haar bereidwilligheid toont, vraagt hij haar óók nog om hem een "bete broods" te brengen.

Nu echter maakt de vrouw bezwaar, want ze heeft net genoeg voor haar zelf en voor haar zoon; ze heeft slechts een handvol meel en heel weinig olie.

Van dit laatste beetje zal zij een koek bakken, en dan....sterven, want er was voor haar géén uitkomst meer.!

Maar nu zegt Elia: "Vreest niet."

Hiermede bedoelt hij: "gij zult niet sterven."; en, nu gaat hij nóg verder en zegt: "Doe naar uw woord", namelijk: "ga een koek bakken voor u en uw zoon, maar maak voor mij eerst een kleine koek daarvan."

Wát een woord sprak Elia hier tegen deze hulpbehoevende vrouw in een tijd van zo een grote hongersnood.!

Eérst voor de onbekende vreemdeling een koek bakken, en daarná pas voor zichzelf en voor haar zoon.

Zeker, de gastvrijheid in het Oosten ondersteunde wel degelijk zulk een verzoek, maar hóe moeilijk was dit verzoek wel niet voor haar om er aan te voldoen.

Doch nu klink er een belofte tot haar van zegenrijke hulp; een belofte, waarin gezegd werd dat zij en haar zoon voor de hongerdood bewaard zouden worden; want Elia zegt tegen haar: "Want zó zegt de Here, de God Israëls: het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken tot op de dag dat de Heer regen op de aardbodem geven zal."

De vrouw deed wat Elia aan haar vroeg, en, wij moeten haar bewonderen om het geloof dat zij toont in hetgeen dat door Elia gesproken wordt, zelfs zónder dat zij ook maar iets van het één of het ander gezien heeft.

Want, als zij voor die man de koek had gebakken, dan was wel zijn honger gestild, maar zij moest nog maar afwachten of het woord, door Elia gesproken, wáár zou zijn.

Ja, zij toont een groot geloof in het woord, dat in de Naam van de God van Israël gesproken wordt.

En, nu was óók voor Elia de vraag opgelost, wie de weduwe was die hem van Godswege moest onderhouden.!

Het was hem duidelijk geworden dat het deze bereidwillige vrouw was, die geloof toonde aan het Woord des Heren.

Bij háár moest hij zijn intrek nemen, en háár huis zou met zijn inwoning, met zijn tegenwoordigheid als gezant van de Allerhoogste, gezegend worden.

Datgene wat wij hier nu onder de aandacht brengen, is ook het beeld van hetgeen aan het Apostolische Getuigenis is opgedragen in deze laatste tijd.

Het bruikbare uit de kerk-getrouwe gelovigen was opgeteerd en dat is het beeld van datgene wat er vóór déze geschiedenis, aan de beek Krith was geschied.

Het volk van Israël kon kiezen tussen de Baäl en tussen God.!

In de kerken is géén ingang voor de roepstem van de Apostolische Kerk en die roepstem moet nú gaan naar de heggen en de struiken.

De gelijkenis van het roepen tot de bruiloft, leert ons dat het zó is gegaan:

Deze weduwe had geen man en is zo het beeld van diegenen die geen bepaald kerkhoofd hebben; dit zijn de verdwaalden, zij hebben geen geestelijke steun, en wonen temidden van de afgoderij en de anti-christelijke wereld, evenals de weduwe te Zarfath temidden van het heidense en afgodische land woonde.

Zarfath betekent: werkplaats tot zuivering van metalen.

En, dát is nu juist de plaats waar het getuigenis werkzaam moet zijn, want aldaar moeten mensen gezocht worden om gereinigd, gezuiverd te worden om daarná te kunnen en te mogen dienen als edele metalen om zó de Kroon des Heren, als Zijn gemeente, te vormen.

Zarfath in Sidon, dit laatste betekent: vissende.

Aldaar moet gevist worden met het evangelie-net als vistuig. Dáár moet dus de hulpbehoevende, de weduwe, gezocht worden die door de Heer was uitverkoren om als gemeente dienstbaar te zijn in Zijn werk.

En, hóe zouden nu uit dit volk degenen aangewezen worden die het Apostolische Getuigenis mogen onderhouden?

Zie, hier wordt nu de proef der bereidwilligheid toegepast.

Hulpbehoevenden zij er genoeg, want dit zijn de dolende en zoekende mensen die tot bijgeloof geneigd zijn, doch zich in hoofdzaak bij dít leven bepalen, en dan sterven zonder hoop voor de eeuwigheid.

Maar, om nu de wáre, door God verkoren hulpbehoevende te vinden, moet een proef worden aangelegd: de proef der offervaardigheid.

En, evenals Elia deze oude, bekende proef toepaste,moet óók het Apostolisch Getuigenis dit zulks doen naar de Schrift.

Reeds toen, in het Oude Testament, kwamen er profetieën dat het volk des Heren in de offervaardigheid gezondigd had.

Zo moet de offervaardigheid de proef zijn om te onderzoeken, wie als gelovigen uitverkoren zijn om des Heren Gemeente te vormen en tot Zijn Bruid zullen horen.

Eérst de gehoorzaamheid en de bereidwilligheid, wat hierin bestaat, om de dienaren des Heren te ontvangen. (Geef mij te drinken)

Maar dán de vraag om het Godsgeheiligde deel: "Geef mij eérst een kleine koek."

Is dit niet hard, er is immers maar net genoeg om zélf van te kunnen leven.?

Maar, hoor dán het woord van de Heer, door Zijn knechten,in de beloften: "Vereert de Heer van uw goed en van de eerstelingen van al uw inkomen,zo zullen uwe schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen."

Naar de eis des geloofs: de belofte.

Zo was het bij deze weduwe, zij moest het Woord van Elia geloven.

Zó is het bij ons; ons geloof wordt gevraagd, en, willen wij tot die uitverkoren gemeente behoren waar het Apostolische Getuigenis kan inwonen, dan dienen wij óók het geloof te tonen als die weduwe te Zarfath.

Dít is de toetssteen om te weten wie de wáre uitverkorenen zijn om de Bruid des Heren te vormen.

Het geloofsleven van een kind van God brengt het gevaar met zich mede dat het niet staan kan blijven in de leer der Schriften; want, vanaf het begin der schepping tot nu toe, is er de strijd tussen licht en duisternis.

Een opbouwen door de geboden Gods om tot volmaking te komen; en een afbreken door de miskenning van de wetten Gods en die tegen te staan.

Na de zondvloed,wilde de Here God, door Noach en de zijnen opnieuw de aarde laten bewonen naar Gods wetten, en om God te dienen.

Echter al spoedig lezen wij in Genesis 11 over het zich verheffen tegen God en het afvallen van hetgeen God had gewild.

Oók in de geschiedenis van Lot en de zijnen, beluisteren wij reeds, hetgeen God als oordeel deed komen, maar óók hetgeen God door het geloof nog deed uitredden.

Het volk van Israël werd uit Egypte verlost door de machtige hand van God, maar moest nog 40 jaren in de woestijn verblijven omdat men niet geloofde wat God gezegd had door de mond van Mozes; men wilde zelfs terug naar Egypte, het land der dienstbaarheid.

Vóórdat Israël later het land Kanaän binnentrok hield Mozes het volk de geboden Gods voor ogen, en, in het opvolgen of nalaten der wet zou de zegen of de vloek hun deel zijn. zie Deuteronomium 27,28.

En, hoewel zij met goede voornemens het land Kanaän in bezit namen, waren zij al zeer spoedig de weldaden Gods vergeten en vervielen zij tot afgodendienst.

Tóch waren zij door God uitverkoren boven alle volkeren der aarde om Zijn Naam groot te maken en de Bruid te zijn van het Lam Gods.

Zij hebben echter de wetten Gods met voeten getreden en niet gewaakt noch volhard in de gebeden, maar hebben hun kracht gezocht in de afgoden van hout en steen.

En zó kwam de Messias, de Beloofde, en Hij vroeg om geloof naar de Schrift, doch zij hebben Hem verworpen.

Daarna gingen de apostelen in opdracht van de Heer, naar de heidenen, met het evangelie, de blijde boodschap van verlossing en uitredding, en, door het aannemen en erkennen van Gods ordeningen en inzettingen kwamen de heidenen in de plaats van het volk Israël.

Zó is aan ons de genade geschonken door het geloof in de Messias, de Zaligmaker der wereld, als de Eniggeboren Zoon van God, dóór het geloof in Zijn albetalend bloed, vloeiende op Golgotha tot afwassing van onze erfzonde, hebben wij deel aan het koninkrijk Gods en wij ontvangen het kindschap ervan door de Heilige waterdoop.

En nu willen wij de Bruid des Heren wezen en zijn daartoe gedoopt met de Heilige Geest door het Apostelambt, en wij zijn versierd met de gaven van de Heilige Geest om als verzegelden en eerstelingen der schepselen Godes, Hem, onze Bruidegom, tegemoet gevoerd te worden. 2 Korinthe 11:2; Openbaring 14:1-5;

Gelijk eens Rebecca werd gevoerd naar Izaäk als de Bruid, zo zal de geestelijke Rebecca, de Bruidegom, de Heer Jezus Christus, tegemoet gevoerd worden.

En, als wij versierd zijn met de geestelijke gaven in deze zeer zware tijd, dan moeten wij bijzonder letten op de stem des Heren, om te waken en te bidden, want vele geesten zijn uitgegaan om de kinderen Gods af te leiden van de weg der waarheid.

Gode zij dank, dat wij, dóór de Heilige Geest, als de Waarheidsleraar, niet ter rechter- noch ter linkerzijde hoeven áf te wijken, maar onze voeten vast op de geloofsweg kunnen drukken.

Voor velen zijn heden de tijden zwaar en drukkend, maar, vanuit de Schriften weten wij, dat juist deze tekenen der tijden er op wijzen dat de dag des Heren spoedig daar zal zijn.

Echter, met waken en bidden alléén komen wij er niet wanneer dit niet uit het hart voortkomt.

In deze tijd moet het streven zijn, zoals de Heer sprak in Lukas 21:36: te waken en te bidden te allen tijd, om waardig geacht te worden.

Nu zijn wij mensen, wel zeer gauw tevreden over onszelf en verkeren wij in de verwachting en de veronderstelling dat wij wel waardig geacht zullen worden om te staan voor de Zoon des mensen, maar wanneer de Here God tot ons komt en spreekt: "maak eérst een koek voor Mij, en daarna zult gij voor uw zoon en uzelf een koek bakken.", dan is het onze geloofstaak en onze roeping om bereidwillig aan die roepstem gehoor te geven en dan zullen zeer zeker de beloften Gods aan ons vervuld worden en zullen wij waardig bevonden worden om te worden verhoogd tot de Bruid des Heren.

En, al is het dan dat wij voor een tijd bedroefd zullen zijn, wij zullen mét Paulus mogen zeggen: tot op deze dag de hulp van de Here God te hebben ontvangen.

En dan is er géén ándere weg dan: "wentel u weg op de Here en vertrouw op Hem, Hij zal het maken."

Wij hebben hier geen blijvende stad, het is een verdrukking, maar daar staat een eeuwigheid achter.

De wedergeboren mens krijgt in de wereld een zware geestelijke en natuurlijke strijd te voeren.

Ook de weduwe te Zarfath kreeg zeer veel strijd, ja, zelfs tot de dood van haar zoon toe.!!

Maar de Heer zal uitkomst geven en Zijn vrede gaat alle verstand te boven, en, zo zegge een ieder met hart en verstand:

Ik dank U Heer; Gij zijt waardig te ontvangen alle eer en aanbidding en dankzegging van nu aan tot in eeuwigheid.

Bereidt U, de Heer komt.!