De verachte wateren van Siloa.
Jesaja 8:6.
In de bovenstaande tekst lezen wij een uiting van verontwaardiging, namelijk, dat het volk Gods de zachtjes voortgaande wateren van Siloá verachtte.
Tot hun straf voor deze geringschatting zou een machtige stroom het land overstromen en grote schade aanrichten.
Was het water van Siloá dan zoiets heel bijzonders.?
Het was een waterbouwkundig kunststuk dat net gereed was gekomen, en, het aanleggen ervan bewijst dat men destijds reeds knappe waterbouwkundigen had die heel nauwkeurige berekeningen konden maken.
Dit was voor dit werk wel gebleken door een ontdekking van de kinderen in Jeruzalem die in dit water rondspartelden, want, in het jaar 1830, zwommen enige jongens in een tunnel die de Mariabron met de vijver van Siloá verbindt.
Deze jongens vonden daar een steen met het opschrift: De doorgraving; zó had deze plaats: de houwelen van ieder, tegenover die van een ander. En, toen zij nog drie ellen...(hier ontbreekt een stukje tekst)-,riep de één de ánder toe want er kwam een opening in de rots aan de rechterzijde. En, op de dag van de doorgraving hieuwen de arbeiders houweel aan houweel en er stroomde water van het uitgangspunt in de vijver, over een lengte van 1200 ellen en de hoogte van de rots boven de werklieden bedroeg 100 ellen.
Dit opschrift was van groot belang voor de oudheidkundigen, omdat het bewees, dat men, ten tijde van Koning Hiskia, het Oud-Hebreeuwse schrift gebruikte, het schrift, dat verwant is aan het hiëroglyphen-schrift van de Egyptenaren.
Men was dus aan weerskanten begonnen te graven, en, nu waren de berekeningen zó juist en precies geweest, dat de werklieden die van weerszijden elkaar naderden, eindelijk precies met hun houwelen tegenover elkaar kwamen te staan.
Iets dergelijks is er geschied bij het graven van de Simplon-tunnel in Zwitserland, waar de arbeiders óók van weerskanten naar elkaar toegroeven en eindelijk elkaar hoporden tikken.
Toen er tenslotte een kleine opening was ontstaan, konden de Italianen aan de Zuid- en de Zwitsers aan de Noordkant, elkaar de hand drukken.
Sommigen van hen waren zo ontroerd, dat ze van vreugde huilden, en, enkele fantasten zagen hier een voorbode in van de verbroedering van de volkeren.
Arme fantasten.!
Maar alle vakbladen roemden de ingenieurs die zó knap hun berekeningen hadden gemaakt.
Ook hier was weer niets nieuws onder de zon.!
Wij kunnen in 2 Koningen 20:20 en 2 Kronieken 32:30 lezen, dat het Siloá-werk op bevel van koning Hiskia was gemaakt.
In de laatste tekst lezen wij: Deze Hiskia stopte ook de opperuitgang van de wateren Gihon en leidde ze recht af naar beneden naar het westen van de stad Davids.
De éérste Bijbelplaats zegt, dat hij de vijver en de watergang gemaakt en het water in de stad heeft gebracht.
Het doel van deze tunnelbouw was dus de watervoorziening van Jeruzalem en de naam Siloá duidt hier ook op want heet woord betekent: het wegzenden, dus, een leiding vanaf de bron Gihon naar de vijver te Jeruzalem. (Deze bron Gihon heeft natuurlijk niets te maken met de rivier de Gihon, één van de stromen in de Hof van Eden).
De tunnel was 535 meter lang en gemiddeld ruim een meter diep en zij lag 48 meter onder de oppervlakte.
De Gihon-bron is dezelfde als de hiervoren genoemde Mariabron.
De vijver, die nu nóg Siloá heet, is een gemetselde vijder, de beneden-Siloá en dit is waarschijnlijk de Koningsvijver waarvan in Nehemia 2:4 wordt gesproken.
Men heeft nog een derde vijver gevonden, die op een diepte van zes meter in de rotsen in uitgehouwen, maar geheel met puin is gevuld.
Men vermoedt, dat dít de Siloá is waarheen de blinde door de Heer werd gezonden.zie Johannes 9:7.
De Gihon ofwel de Mariabron is de énige bron te Jeruzalem en haar water komt vanaf de Tempelberg en zó stond de vijver Siloá in hoog aanzien bij de vrome Israëlieten.
Ten tijde van de profeet Jesaja waren er echter velen in Israël die dit water verachtten en die grote bewondering hadden voor de machtige wateren in het land van de koning van Assur.
Hiermede wordt de rivier de Eufraat bedoeld, aan welke rivier Ninevé, de hoofdstuk van Assyrië was gelegen.
Wat betekent nu de eigenaardige uitdrukking in vers 6: En er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia?
Rezin was de koning van Syrië; en zijn hoofdstad was de stad Damaskus.
De zoon van Remalia was Pekah, de koning van Samaria, ofwel het rijk van Israël, de bittere vijand van zijn broeders, het rijk van Juda.
Deze beide koningen wilden in het rijk van Juda, in plaats van de koning Achaz, een andere koning aanstellen, namelijk een zoon van ene Tabaël.
De profeet Jesaja moet nu het angstige volk van Juda waarschuwen dat het niets te vrezen heeft van dit bondgenootschap, want dat de Heer deze twee staarten van deze rokende vuurbranden onschadelijk zou maken.
Volgens Jesaja 7:7-9 zouden zij hun macht niet kunnen uitbreiden.
Máár, zo eindigt het 9e vers: Zo gij niet gelooft, gij zult voorzeker niet bevestigd worden.
Achaz geloofde niet en wilde ook geen teken van de Heer, maar zocht liever zijn steun bij de koning van Assyrië, genaamd Tiglath-Pileazar, want, zo kunnen wij lezen in 2 Koningen 16:7: Achaz zond nu boden tot Tiglath-Pileazar, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op en verlos mij uit de hand des konings van Syrië en uit de hand des konings van Israël, die zich tegen mij opmaken.
Zó toonde Achaz, dat hij géén rekening hield met de toegezegd hulp van de Here God.
Maar Rezin, de koning van Syrië, en Pakan, de zoon van Ramalia, juichten nu zij zagen hóe bang als Achaz voor hun macht was.
Op een wonderlijke wijze vervulde de Here God echter Zijn Woord, éérst aan Rezin van Damaskus en daarná aan Samaria. zie Jesaja 7:8.
Maar, óók Zijn bedreiging aan Achaz en zijn volk dat, wanneer zij niet geloofden, zij niet meer zouden bestaan.
Tiglath-Pileazar werd door Achaz omgekocht met het goud en het zilver van de Tempelschatten, en zó toog de koning van Assyrië óp en veroverde Damaskus en doodde de koning Rezin.
Maar, nu zien wij dat Achaz aan de Assyriërs hulde moest bewijzen en hij gaat dan naar Damaskus, Tiglath-Pileazar tegemoet.
Die reis wordt hem echter noodlottig want hij ziet in Damaskus een wonderlijk altaar, en, om bij de heidense veroveraar in het gevlei te komen laat hij, door de priester Uria, nauwkeurig zon altaar namaken en hij gebied dat men in de Tempel te Jeruzalem het altaar Gods op een andere plaats moet stellen en dat men voortaan op het door hem nagemaakte heidense altaar zal gaan offeren.!
En zó verachtte deze koning de wateren van Siloá en eerbiedigde hij de machtige wateren van Assyrië. Met andere woorden: de hulp van God werd geringer geschat dan de hulp van de mensen en de eredienst volgens de Wet van Mozes werd ten achter gesteld bij de afgodendienst van de vreemde volkeren.
Wij kunnen hier niet op alles verder ingaan, maar de aandachtige Bijbellezer kan in 2 Koningen 16 nog genoeg stof vinden om enigszins de zin te verstaan van de moeilijke hoofdstukken 7 en 8 van de profeet Jesaja.
In de letterlijke zin ligt bovendien nog een diepere zin ten aanzien van de komst van Immanuël, God met ons.
Vele dingen kunnen wij door deze geschiedenissen nog leren.
Hoe staat het dikwijls met ons ten aanzien van het eenvoudige en voor het oog van de natuurlijke mensen zo kleine en nietige werk Gods in deze tijd.?
Is voor sommigen het eenvoudige getuigenis van de dienstknechten wel eens niet gelijk aan het geringschatte water van Siloá?
Begeert men soms niet veel liever de leerredenen van grote en beroemde predikers in de verschillende kerken.?
Ja, wordt soms de kittelachtigheid van het gehoor niet onder ons gevonden, waardoor de prediking van de éne dienaar niet door innerlijke zin, maar door de uiterlijke vorm achtergesteld wordt bij die van een vlottere spreker.?
Een ieder van ons geeft in zijn hart hier het antwoord op.!
Wie niet gelooft zal zekerlijk niet bevestigd worden.
Allen hebben wij wel eens een zwak ogenblik wanneer er toestanden komen die ons bang te moede zijn en waarin wij dan twijfelen aan de hulp van God.
Wanneer kerkelijke toestanden ons weleens met zorg vervullen, is daar dan het vaste geloof aanwezig, het geloof, dat de Heer het werk Zijner handen niet zal laten varen.?
Maar óók in toestanden van persoonlijke aard kunnen wij wel eens twijfelen aan de trouwe hulp van God.
Geloven wij dan wel onvoorwaardelijk de belofte van de Heer ten aanzien van het natuurlijke leven.?
Of maken wij ons niet zoveel zorgen en murmureren wij wanneer de Heer beproeft.?
Is daar, ten aanzien van het geloofsoffer, wel altijd dat vertrouwen dat wij God mogen beproeven, of Hij de vensteren des Hemels zal openen?.
Wie niet gelooft zal voorzeker niet bevestigd worden!
Maar, denk nu eens aan het tegenovergestelde.!
Wie gelooft zal zeker bevestigd worden!
O, dat wij onze God eren met een vast geloof in alle zaken, zowel van kerkelijke als van natuurlijke aard.
Maar, het allermeest spreekt het verachten van het water van Siloá tegen de christenheid die het werk van God, in deze laatste tijd, verachten en niet ot het herstel van haar verwarde en verwilderde toestand, de oude, beproefde paden, wil bewandelen, maar die tot mensenwijsheid haar toevlucht neemt waardoor zeker de verwoestende stroom van het antichristelijk volk, het land van Immanuël zal overstromen.
Allen: wie geloven, zullen zekerlijk bevestigd worden en aan het verderf ontkomen.
Alle pogingen van de antichrist om de Christus der Schriften te vernietigen, zullen ijdele pogingen blijken, want, ofschoon de Heer de verwoesting wel zal toelaten als een oordeel over de kerken en de wereld, tóch zal de Raadslag van Zijn vijanden niet bestaan en tenslotte zal Jezus Christus regeren van zee tot zee, zo ver men de volkeren kent.
Men zal Hem van de Eufraat af, vereren tot aan des aardrijks end.
Wat, als een verwoestende stroom, dreigde alles te vernietigen, wordt dan ook aan de almacht van de Heer onderworpen.
Zoeken wij het dan liever bij de zachtkens vlietende wateren van Siloá, voortkomende uit de Tempelberg en die de stad Gods van dat water vervullen, waarvan de Heer sprak: Wie daarvan drinkt, zal nimmermeer dorsten.
De blinde werd genezen toen hij zich in het gezonde water baadde.
Dat wij God voor dat water des Levens danken, dat water, dat Hij aan ons zonder prijs en geld, aanbiedt.sdj