DE

ONTFERMER.

Jesaja 54:10-12

De Here God heeft Zijn volk ten allen tijde dikwijls moeten waarschuwen tegen de zonde en, wanneer zij voortgingen om kwaad te doen, heeft Hij ze gestraft.

Zowel in de waarschuwingen als in de straffen, openbaarde de Here God Zijn grote liefde.]

De Heer plaagt en beproefd de mensen niet van harte, Klaagliederen 3:33, maar Hij wil ze, door beproevingen en kastijdingen, heiligen. Hebreeën 12:6-11.

De Heer is een Ontfermer.

Als Israel Gods grote werken had aanschouwd en tóch door ging met zondigen, dan heeft het Gods straffen moeten ondervinden, en, wanneer zij berouw hadden, dan was Hij hun weer genadig.

Dit wordt op een wonderschone manier uitgesproken in Psalm 107, waarin Gods grote liefde tot Zijn volk wordt beschreven: "Doch roepende tot de Heer in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij ze uit hunne angsten."

De profeet Jesaja heeft het volk van Israel mogen wijzen op de Grote Ontfermer, zoals wij onder andere kunnen lezen in Jesaja 54.
In deze profetie wordt gesproken over de verbondstrouw van de Here God.
De Heer sprak hier: dat, zo waarachtig Hij het verbond met Noach heeft gehouden, zo zal Hij het ook houden met Abrahams zaad.

Het verbond Gods is onwankelbaar, en, zónder het verbond Gods zou de mens niet kunnen bestaan.Na de zondeval zend de Here God de mens wel van Hem weg, maar Hij laat de mens niet teugelloos voorthollen. Want, vóórdat Hij hen wegdreef gaf Hij aan hen de belofte van het vrouwenzaad dat de slang de kop zou vermorzelen.

En, omdat dat Heilige zaad, verborgen in het geslacht van Seth, ten onder zou zijn gegaan doordat dit geslacht de dochteren Kains tot vrouw nam, liet de Here God de zondvloed komen waardoor ze allen werden weggenomen.

Noach wandelde met God, dat wil zeggen, hij bezondigde zich niet zoals de anderen deden.
Zeer waarschijnlijk is Noach gehuwd nadat de Here God aan hem had bevolen om de Ark te bouwen; hij was toen 500 jaar oud.
Genesis 5:32.
In het 600ste levensjaar van Noach kwam de zondvloed.
Genesis 7:11.
De tijd was dus 20 jaren verkort.
Genesis 6:3.

Sem, de oudste zoon van Noach, was twéé jaren ná de zondvloed 100 jaar oud. Genesis 11:10, hieruit volgt dus dat Noach op hoge leeftijd nog kinderen heeft gewonnen, nádat de Here God tot hem had gesproken over de zondvloed.

De Here God wilde niet allen verderven, maar behield in Noach een zaad over om Zijn, éénmaal gesproken woord, te vervullen. Genesis 3:15.

De Here God richtte met Noach een verbond op, dat wil zeggen, dát wat nederlag werd ópgericht. Het was dus geen nieuw verbond.

De Here God wíst, dat de mens zou vallen, en, om hem te behouden was het Godsplan reeds gereed vóór Hij de hemelen en Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef, en de Zoon vermaakte Zich al met de mensenkinderen. Spreuken 8:27-31.

Door Zijn Woord, namelijk de belofte van de Slangenvertreder, verbond de Here God Zich om de mensen van het eeuwige verderf te redden, en, met de oprichting van het verbond met Noach wordt het besluit Gods meer openbaar.

En, dit verbond heeft zijn vastheid in God, Die het gaf. De Here God vraagt niet aan de mens of het zó goed is; en óók stel Hij geen voorwaarde zoals: "Als de mens in dat verbond blijft, dan zal het zó worden zoals Ik gezegd heb", maar wél: "Er komt geen zondvloed meer"

En, Noach en zijn geslacht mochten telkens opzien naar het teken van dat verbond, namelijk, de boog in de wolken zodat, wanneer er vrees was bij de mens en wanneer de mens gezondigd zou hebben, hij, wanneer hij het teken zag, op de Here God mocht vertrouwen die Zijn Woord tot op de laatste titel en jota zou vervullen.

Geen mens zou ooit iets aan het besluit van de Here God kunnen af- of toedoen. Jeremia 33:20.
De aarde mocht van gedaante veranderen, de bergen mochten wijken en de heuvelen wankelen, maar het verbond des vredes zou nooit wankelen.

Zó sprak de Ontfermer. Jesaja 54:10.

De Here God heeft, dóór de zondvloed, de mensen gestraft, echter, niet om ze voor eeuwig te verwerpen.
De Here Jezus heeft, ná Zijn werk op Golgotha te hebben volbracht aan de zielen in de Dodenrijk verlossing verkondigd.
1 Petrus 3:18-20, en 4:6.

Behouden, en niet verderven, dát is het doel van de grote Ontfermer.!

Met Abraham werd het verbond meer particulier, want de Here God sprak tot Abraham: "Wandel voor Mijn aangezicht en weest oprecht, en Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen U." Genesis 17:1,2.

En, tegen Abrahams zaad sprak de Heer: "Doe dit en gij zult leven."

De Heer eiste dat Abraham en zijn zaad zouden doen wat de Heer aan hen had bevolen om de zegen van het verbond deelachtig te worden, en, zó werd de weg bereid voor Hem, die beloofd was, voor Hem, die de werken des satans zou verbreken en een béter verbond zou stellen waarvan Hij Zélf de Middelaar zou zijn. Hebreeën 7:22.

Abrahams zaad heeft echter niet naar des Heren woord willen horen.
Wél zond de Heer Zijn profeten om hen te waarschuwen, maar zij hebben ze gedood en gestenigd; dáárom gaf de Heer hen over aan de heidenen om over hen te heersen.

Onder de vele profeten was ook Jesaja, die aan het volk de komende oordelen Gods moest aanzeggen.
Hij voorzegde dat de heirmachten uit Babel zouden komen en Juda gevankelijk zouden wegvoeren uit hun stad en uit hun Tempel, máár, vóórdat dit geschiedde, was er Goddelijke troost.

Jesaja wijst het volk op de grote Ontfermer die nooit ontrouw zou worden aan Zijn verbond.
En dan, alsof het reeds geschied was, dan zegt hij:
"Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten; en uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnstenen, en uwe ganse landpale van aangename stenen."

Door dit woord zegt de Heer Zijn volk levensvernieuwing toe, want, wat omvergeworpen is door de zonde, zal Hij in genade weder opbouwen want de Heer is een Ontfermer.

Wanneer het volk van God aan de rivieren van Babel wenende zou nederzitten, dan mochten zij gedenken aan Sion, waar de Heer, door Zijn profeet, eenmaal deze woorden gesproken had.

De Here God beproefd en kastijd Zijn volk, om ze daardoor als edelstenen te slijpen zodat zij, in Zijnen dag, schitteren aan Zijn kroon.

Wanneer de onweders en de wervelwinden Gods over hen zouden losbreken, dán mocht dat volk vrezen en hopen want de Heer die hen strafte, was óók een Ontfermer want uit de verwoeste puinhopen zou Hij een nieuwe stad doen verrijzen.

Die herbouw zou geschieden door Hem, in Wien Israel Gods volk is, en om Wiens wil Jeruzalem de stad van de Grote Koning genoemd wordt.
Afbreken, om der zonden wil, om dan weer in een ongekende heerlijkheid óp te bouwen, dát is Christus' werk.

Deze profetie wijst ons op het Nieuwe Jeruzalem, dat Johannes uit de Hemel zag nederdalen. Openbaring 21:2.

Dat Jeruzalem wordt gevormd door de verheerlijkte Bruidsgemeente, waartoe allen behoren die waarachtig wedergeboren zijn; allen, die de oude mens zijn afgestorven en nu een nieuw leven ontvangen hebben door Christus. De Heer breekt de oude mens áf, om een nieuwe op te bouwen; zó deed Hij dat met Petrus, die Hem driemaal verloochende; máar, één blik van de Heer, deed hem wankelende weggaan om in de donkerte van de nacht zijn zonden te bewenen, máár ook om hem weer op te bouwen en hem tot een vurig getuige van zijn Heer te maken en zich nimmer meer voor Hem te schamen.

Zó deed de Heer óók met de ijverige Paulus, die, om de Heer te dienen, Gods volk vervolgde, maar die door Hem op de weg naar Damaskus nedergeworpen werd om van hem een getuige te maken en de naam van Jezus Christus over de gehele wereld te verkondigen.

Zó doet de Heer met allen die éénmaal tot het Nieuwe Jeruzalem zullen behoren, en, of wij nu eenvoudige mensen of geleerden zijn, of wij nu geroepen dienaren of gewone leden der gemeente zijn, wij allen moeten de mens afsterven.

Levensvernieuwing moet er plaats hebben; waarachtige wedergeboorte is een afbreken van het oude en een opbouwen van het nieuwe.

Die afbraak is echter een pijnlijke ondervinding, want de Here God ontneemt ons dan alles waaraan wij veel waarde hechten.

Hij beproeft en kastijd ons, en, wij verstaan Hem daarin niet altijd en vragen ons dan dikwijls af waarom al die dingen ons moeten overkomen, zónder dat wij daarop een antwoord ontvangen.

God doet het zó, omdat Hij het zo goed oordeelt.!

In al de beproevingen blinkt ons echter de Goddelijke liefde tegen omdat Hij ons niet beproefd om ons te verderven, maar om ons voor eeuwig te behouden want Hij is een Ontfermer.!

Jesaja heeft óók voor óns gesproken: "Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen zegt de Here, uw Ontfermer."

MARAN-ATHA, JEZUS KOMT!