O B A D J A

Gods regering over de volkeren.

Het verhaal begint eigenlijk al in het eerste boek van de Bijbel.

Een tent, ergens in het land Kanaän, waarin een jonge man linzensoep aan het koken is.

Plotseling komt er een behaarde, bezwete en zwaar naar de bossen en de jacht ruikende man binnenstuiven. Hij snuift de geur van de soep op en zegt: "Geeft mij van dat rode, dat rode daar!"

Hij mág van zijn broer de soep hebben, maar pas als hij daarvoor zijn eertgeboorterecht overdraagt aan zijn broer Jacob.

De Bijbelschrijver noteert dan: "Zó verachtte Ezau het eerstgeboorterecht." De wegen van deze beide broers zouden uiteen gaan, vér uiteen; hóever, dat is pas eeuwen later te zien.

Het kleine boek van de profeet Obadja toont ons waar het allemaal op uitloopt.

De achtergrond van het boek Obadja:

Van de schrijver van dit Bijbelboek, Obadja,--zijn naam betekent: "knecht van Jahwe", weten wij verder hoegenaamd niets. Hij moet geprofeteerd hebben ná de inneming van Jeruzalem, want hij keert zich fel tegen de vijandige houding die de Edomieten, de nakomelingen van Ezau, bij die gelegenheid aan de dag legden.

Op wélke inname van Jeruzalem hij hier doelt, dat is minder zeker.

Maar, het kan in ieder geval niet de inval van Siserak geweest zijn. 1 Koningen 14:25,ev,; 2 Kronieken 12:12vv, want toen was Edom nog aan Juda onderworpen.

Ook de inname van de stad Jeruzalem tijdens Josafat, 2 Kronieken 21:16, is onwaarschijnlijk, want uit niets blijkt dat tóen de stad is geplunderd.

Evenmin kan de inname door Joas van Israël tijdens de regering van Amazia, 2 Koningen 14:13vv.; 2 Kronieken 25:23vv, bedoeld zijn, want dat waren geen "vreemden" en "uitlanders". Obadja 11.

Al met al zal wel de verwoesting van Jeruzalem en de deportatie van haar inwoners door Nebukadnezar in 586 vóór Christus bedoeld zijn.Belangwekkend is hier de vergelijking van Obadja 1-4, met Jeremia 49:14-16 en van Obadja 5:6 met Jeremia 49:9vv.

Als het boek Obadja geschreven is ná de inname van Jeruzalem, dan mogen wij aannemen dat de profeet het boek van Jeremia kende en daar uit citeerde. Dat betekent ook dat Obadja zijn profetie begon met Godsspraken die hij kende en dat hij dáárop zijn prediking baseerde.

Tegenwoordig is het niet anders: want hoe zouden wij, vandaag de dag de Woorden Gods kunnen laten weerklinken wanneer wij niet éérst het geďnspireerde woord van God openen.?

Het geloof is toch immers uit de prediking, en, de prediking is uit het Woord Gods.

De indirecte Godsregering:

De profetie van Jeremia was "tijding van Jahwe". vrs 1a.

Die boodschap staat in de Schrift, en, dát Godswoord hielp Obadja om een andere boodschap te verstaan waar Jeremia al naar had verwezen: "een bode onder de volke". vrs 1b.

Die boodschap stond niet in de Schrift, en de profeet bedoeld kennelijk dat de volken tegen Edom zullen optrekken, maar dat de aandrang die zij hiertoe gevoelden, zónder dat zij dat misschien zelf bewust zijn, door de Here God is bewerkt.

Uit de gebeurtenissen in de wereldpolitiek leest Obadja dus eveneens Gods Woord.

Weliswaar kan hij dit pas verstaan in het licht van de Schriftwoorden van Jeremia, maar, in dat licht is het ook duidelijk: wat de volken tegen elkaar zeggen, "komt laat ons", houdt in feite een boodschap van de Here God in.

Proberen wij vandaag nog in de aktuele krantenberichten de boodschap van God te verstaan?

Dat is uiterst moeilijk in de wirwar van gebeurtenissen en het kan alleen maar gelukken in het licht van de Heilige Schrift, niet in het licht van onze eigen intelligentie of zelfs van onze fantasie.!

Maar, wanneer éénmaal de ogen geopend worden, dan leren wij vanuit de Schrift ook in het toneel van de wereldgeschiedenis iets van Gods handelen en spreken te lezen.

Iets: niet alles.!
De loop van de gebeurtenissen is dikwijls zeer moeilijk na te rekenen en het valt veelal niet mee, om Gods hand erin te ontdekken zoals Asaf in Psalm 73, en zoals ook Job en vele anderen moesten erkennen.

Maar tóch is er een morele Godsregering, want: wat een mens zaait, dat zal hij ook maaien.!

Toen in het Derde Rijk de bodem door de nazi's doordrenkt werd met bloed, kón daaruit géén stabiele staat ontstaan.

Toen de communisten bijna 75 jaren lang in de Sovjet-Unie elke herinnering aan de Here God trachtten uit te bannen, kón dat géén stand hebben en houden.

Toen Edom zich hovaardig verhief tegen Gods volk, kreeg het te horen: "Zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden". vrs.15.

En, dát principe geldt niet alleen voor Edom, maar voor álle volken: "alle volken zullen drinken, de oordeelsbeker; Jeremia 49:12, en zij zullen worden als hadden zij nooit bestaan". Vrs.16.

Gods molens malen langzaam en het oordeel kan lang op zich laten wachten, maar, het komt, zéker en gewis.!

En, de manier waarop de Here God Zijn gerichten tot uitvoering brengt, is dikwijls zo, dat Hij de mensen de bittere consequenties laat proeven van wat ze zelf hebben gedaan.

""Wat een mens zaait, dat zal hij óók maaien.""

Dat is een wetmatigheid die zowel voor gelovigen als voor ongelovigen geldt, zowel voor de wereld als voor het volk van God.

In de profetie van Obadja blijkt dat in verschillende opzichten:

A: De hoogmoed van Edom komt voor de val. Op de vraag van Edom: vrs.3. "Wie zal mij nederhalen?" antwoord Jahwe in vers 4: "Ik zal u nederstorten.!"

B: De trouweloosheid van Edom aan zijn broeder Jacob, vrs.10, wordt vergolden door de trouweloosheid van Edom's eigen vrienden. vers 7.

C: De gewelddaad die Edom aan zijn broeder Jacob heeft aangedaan, vers 10, wordt beantwoord met moord, waardoor alle mannen van het gebergte van Ezau worden uitgeroeid. vrs 9.

D: Edom, dat prat ging op eigen wijsheid, moest van Godswege ervaren hoe de wijzen vergaan. vers 8. Hoogmoed, trouweloosheid, gewelddaden, eigenwijsheid: al die eigenschappen van Ezau staan lijnrecht tegenover de karaktertrekken van de mens van God, namelijk: nederigheid, trouw, zachtmoedigheid, afhankelijkheid.

Ezau is de mens van de zonde en zijn geschiedenis eindigt in het vreselijke hoogtepunt van vijandschap tegen God, en, het oordeel over hem is radicaal en verschrikkelijk.

Ezau en Jacob:

In de Bijbelse profetie is Edom de belichaming van de groots mogelijke vijandschap tegen God.

In de Joodse traditie van de diaspora, die wij kennen uit de Talmoed;hebben, inderdaad de profetieën over Edom kennelijk meer dan eens een veel verdergaande strekking dan de voorzeggingen over de letterlijke nakomelingen van Ezau.

In de profetie van Bileam is Edom dé grote tegenstander van Israël, en, nog belangrijker, van de Messias in de eindtijd. Numeri 24:17 vv.

Wanneer er in het laatste Bijbelboek, de Openbaring, gesproken wordt over het gericht dat het Rijk van de eindtijd zal treffen, dan wordt enkele malen uitdrukkelijk gezinspeeld op de oud-testamentische profetieën betreffende Edom. Openb. 14:11,19; 19:13vv; Jes. 34:10 en Jesaja 63:2

Er is een rabbijnse uitspraak die zegt, dat de Messias, als Hij komt, Zich aan de poort van Rome zal vertonen.

Zal straks dan niet de anti-christ, het beest uit Openbaring 13, zich mét de machthebber van de toekomst én de duivel zelf, tot een onheilige, Gode vijandige Drieëenheid verenigen.?

En zullen de Joden Hem niet aannemen, die komt in Zijn eigen naam, als de Messias.?

De strijd tussen Jacob en Ezau, begonnen in de moederschoot, zal worden voortgezet tot het bittere einde.Het is een strijd op leven en dood, een strijd tussen twee werelden.

Aan de éne kant de lijn van de ongoddelijke Ezau die niet de minste interesse toont in de dingen van God; die zijn eerstgeboorterecht verkoopt voor een bord soep: zijn geschiedenis bereikt straks het hoogtepunt van een Gode vijandigheid in de Wetteloze, de mens der zonde.

Aan de andere kant de lijn van Jacob, die eigenzinnige plannetjes-maker, de bedrieger, de dwarskop; maar, diep in zijn hart is er een onophoudelijke hunkering naar de Goddelijke zegen.

En, God weet met Jacob tot Zijn doel te komen: tenslotte wordt hij, op zijn sterfbed, een aanbidder van God en een bron van zegen voor zijn zonen.

Dáárom zegt de Here God aan het slot van het Oude-Testament: "Jacob heb Ik lief en Ezau heb ik gehaat." Maleachi 1:3.

Dat was geen woord van uitverkiezing vóór hun geboorte; op dát moment, toen de kinderen nog geen goed of kwaad gedaan hadden gold alleen dat de oudste de jongste zou dienen. Romeinen 9:10vv.

Maar, de slot-conclusie die de Here God na vele eeuwen bóven de lijn van Ezau schrijft, is, dat Hij deze consequente lijn van afkeuring haat, terwijl Hij Jacob liefheeft.

Jacob heeft echter die liefde van God niet verdiend, het was uit God, uit Hem alléén om het eeuwig welbehagen.

En tóch mogen wij het ook anders zegen: Gods liefde gaat uit naar hen die wérkelijk verlangen naar Zijn zegen; "die Uw aanschijn zoeken: dát is Jacob". Psalm 24:6.

Dát is Zijn volk, "het wormpje Jacobs, het volk Israël". Jesaja 41:14, zwak, verre van volmaakt, zondig zelfs, maar, verlangend naar Gods zegen.

Wee hen, die zich in de lijn van een Ezau scharen; die de tegenwoordige wereld liefhebben.

Gelukkig zij, die de lijn van Jacob kiezen; die de verschijning van de Here Jezus liefhebben, zoals Paulus zegt in 2 Timotheus 4:8.

Gods bemoeiingen met Israël en de volken:

De weg die de Here God met de volken gaat, is raadselachtig.In onzen tijd ervaren wij dat evenzeer als de mensen in de tijd van Obadja.

Wij hebben het profetische woord nodig om iets te kunnen begrijpen van Gods mysterieuze weg met de mensheid door de gehele geschiedenis heen.

Het geheim ligt evenwel in de liefde van de Here God voor Zijn volk, want van het begin af aan, is dit de sleutel geweest van al Gods handelen.

Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël. Want des Heren deel is Zijn volk, Jacob het hem toegemeten erfdeel. Deut.32:8v.

Alle dingen worden door de Here God geleid en geregeerd, met welk doel?

Opdat zij zullen medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, zoals de apostel zegt in Romeinen 8:28.

Dát is het geheim waar Asaf 's-nachts van wakker lag-Ps.73: "Hoe komt het dat de hand des Heren zo zwaar ingrijpt in het leven van de gelovigen, terwijl de goddelozen ongemoeid blijven.?"

Het antwoord is: "omdat de Here God de Zijnen opvoed onder lijden zoals een vader dat doet met zijn zonen omdat hij met hen Zijn doel wil bereiken".

Daarvoor gebruikt Hij zelfs mensen als een tuchtroede in Zijn hand, zoals Hij dat met Assur deed, Jesaja 10:5, en met Babel en met Edom.

Maar, zal een bijl zich beroemen tegen degene die er mee hakte.?

De bordjes zullen verhangen worden, want de tijden zullen veranderen: "daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden, en aan u die verdrukt wordt, rust met ons, bij de openbaring van de Here Jezus", zoals apostel Paulus het uitdrukt in 2 Thess. 1:6vv.

Dit komende rechtvaardige oordeel is ook het thema van de profetie van Obadja.

Tegenover de "dag van rampspoed van Jacob", staat: "de dag van de ondergang"; tegenover "de dag van hun benauwdheid", staat "de dag van zijn ongeluk" vers 12vv. de dag des Heren staat te komen; nabij is hij, over alle volken. vrs.15.

Op dien dag, vrs.8, zullen de wijzen uit Edom vergaan en op die dag zal het huis van Jacob zijn bezittingen weer in bezit nemen. vrs.17.

Eeuwenlang hebben de kalenders de dagen afgeteld, en het beeld was eentonig: rampspoed, ongeluk, benauwdheid voor Gods volk; maar hovaardig gejubel bij Gods tegenstanders.

Maar, er komt een ándere dag: de dag van Jahwe, de dag van onze Here Jezus Christus, 1 Korinthe 1:8, "die dag waarop Hij verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en bewonderd in allen die geloofd hebben." 2 Thess.1:10.

Die grote dag komt, waarop alles anders, alles nieuw zal worden.

Het Koningschap, zo eindigt deze profetie, zal zijn aan de Here Jezus Christus.

Alle knie, zo zegt Paulus in Fil.2, zal zich dan buigen voor Jezus Christus en Hem erkennen als Heer.

Bereid U, de Heer komt.!