En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hen zijn schathuis, het zilver en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn ganse wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijne schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijne ganse heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde.
Bovenstaand tekstgedeelte vergunt het ons om een blik te slaan in het schathuis van de koning Hizkia, de koning van Juda.
Dit schathuis was gelegen in de stad Jeruzalem, en, met maar weinig woorden wordt aan ons medegedeeld wat daarin alzo te vinden was.
Nu zou deze mededeling voor ons weinig of geen belang hebben, als wij niet wisten, dat de daarin genoemde zaken typen en schaduwvoorbeeld zijn van de geestelijke goederen.
Het is immers, uit de Heilige Schrift, aan ons bekend dat David, de koning van Israél, het type en schaduwvoorbeeld is van de ware David, de Here Jezus Christus, onze Heer en Koning.
Maar, dán is óók uiteraard het Huis Davids, het type of voorbeeld van de Kerk van Christus.!
De belofte van de Here God, die Hij, bij monde van de profeet Nathan aan David had gedaan, hield in, dat de zonen uit de nakomelingschap van David tot in lengte van dagen achtereenvolgens op de troon zouden zitten.
Omdat Israél een theocratisch koninkrijk was, waren de koningen meer voorgangers en leidslieden van het volk.
Wanneer wij het bovenstaande nu samenvatten, dan kunnen wij daaruit vaststellen:
ten eerste dat David het type is van Christus;
ten tweede dat het Huis Davids het type is van de Kerk van Christus;
ten derde dat de zonen van David die elkander in de regering opvolgden, de typen zijn van de dienstknechten des Heren die door Hem Zélf daartoe geroepen zijn.
Deze dienstknechten zijn daardoor geestelijke zonen uit de ware David, de Here Jezus Christus, voortgekomen door de Geest Gods.
Zoals David aan zijn zoon Salomo vóór zijn heengaan het koninkrijk overdroeg en daarvoor aan hem aanwijzingen en bevelen gaf, zo ook vernemen wij dat de Here Jezus, vóór Zijn heengaan aan Zijn, door Hem geroepen Apostelen de opdracht en de bevelen gaf om Zijn werk in het Koninkrijk Gods voort te zetten.
Maar ook tijdens en ná hen zouden er nog anderen komen om het werk Gods te dienen en voort te zetten; maar, al diegenen zouden als geestelijke zonen, uit de geestelijke David geboren moeten worden.
Mede daarom schrijft apostel Paulus in Efeze 4:10-11: Die nedergedaald is, is Dezelfde ook Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En Deze heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.
De Here Jezus heeft Zich, bij Zijn hemelvaart niet van Zijn Kerk verwijderd en afgesloten, neen, Hij heeft aan haar verzekerd: Zie, Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld.
Als het levende Hoofd blijft Hij met Zijn kerk verbonden OPDAT HIJ ALLE DINGEN VERVULLEN ZOU.
Als het levende Hoofd heeft Hij, vanuit de Hemel, de bediening in zijn viervoud door Zijn Geest, daargesteld.
Apostel Paulus zegt hier zeer duidelijk, dat deze bediening voortgekomen is uit Hem, Die naar de Hemel is gevaren, en niet door aanstelling of roeping of beroeping van of door mensen, Galaten 1:1, maar door de Zoon Gods, door de Heiligen Geest roepende bij name. Handelingen 13:2 en Hebreeën 5:4.
En, staande temidden van Zijn twaalf apostelen, had Hij gezegd: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden. Lukas 1:49.
Uit deze typische voorstelling van David en zijn huis, alsmede van de opvolging van zijn nageslacht in het bezetten van de troon, valt voor ons, ten opzichte van de Kerk, veel te leren.
Immers, vrij spoedig na het aanvaarden van de regering door Rehabeam de zoon van Salomo, vond er een scheuring in het rijk van Israél plaats en viel het land in twee delen uiteen.
Het grootste gedeelte, namelijk 10 van de 12 stammen vielen van het huis Davids af; alleen de stam van Juda bleef trouw aan het huis Davids.
Het Tienstammenrijk, kortweg ook wel Efraím genaamd omdat dat de voornaamste stam was, koos Jerobeam, die in de stad de leider was geweest, tot koning.
Jerobeam vestigde zijn residentie in de stad Samaria.
Deze Jerobeam was geen telg uit het huis van David, evenmin als de latere koningen van het Tienstammenrijk.
Vrij spoedig verhief Jerobeam de afgodische kalverendienst tot Staatsgodsdienst.
De Here God sprak door Zijn profeet in Israél heeft het goede verstoten, de vijand zal hem vervolgen. Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij, zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet geweten, van hun zilver en hun goud hebben zij zich afgoden gemaakt, die uitgeroeid zullen worden. Uw kalf, o, Samaria, zal Ik verstoten want Mijn toorn is ontbrand.
De oorzaak van de scheuring in het rijk van Israél kwam door het feit dat Salomo in de loop van de tijd door zijn heidense vrouwen werd verleid om allerlei afgoden te dienen waardoor hij tevens het volk in aanraking bracht met deze ongerechtigheid en afval van de dienst aan de Here God.
Maar toch had de Here God één stam, de stam Juda, die behouden bleef voor het huis van David, overgelaten: opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb om Mijn Naam daar te stellen. 1 Koningen 11: 36.
Wanneer wij de geschiedenis van de Kerk raadplegen, dan zien wij, dat daar óók vrij spoedig allerlei zonden en ongerechtigheden binnendrongen waardoor verschillende scheuringen teweeg gebracht werden en de waarheid Gods op alle mogelijke manieren verduisterd werd en het licht op de kandelaar gedoofd werd.
Echter, door alle tijden heen is er een overblijfsel; geweest dat getrouw is gebleven aan de waarheid Gods.
De woorden: opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe te Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb om Mijn Naam daar te stellen, zijn daardoor ook in geestelijke zin vervuld.
Onze tekst, Jesaja 39: 2, bepaalt ons bij het huis van David ten tijde van de regering van de koning Hizkia.
Van deze koning staat geschreven dat hij deed dat recht was in de ogen des Heren, naar alles wat zijn vader David gedaan had.
Hoewel echter de goddeloze Achan zijn werkelijke vader was, was hij nochthans in zijn geloof en handel en wandel een echte zoon en afstammeling van koning David.
De afgoderijen verwijderde hij uit de Tempel, en hij herstelde grondig de dienst des Heren.
Deze Hizkia was ontegenzeggelijk één der beste koningen die het huis David heeft gehad en die Juda hebben geregeerd.
Door onze tekst worden wij in het schathuis van de koning, in zijn koninklijk huis te Jeruzalem, gebracht.
Allerlei kostbaarheden zoals zilver en goud, specerijen en de beste olie waren daar verzameld; tevens was het gehele wapenhuis daar ondergebracht.
Wanneer nu het huis Davids, zoals wij hiervoren beschreven, het voorbeeld is van het Huis Gods, de Kerk, dan wordt het wel aan ons duidelijk dat deze kostbaarheden ons heenwijzen naar geestelijke goederen.
Zijn er weliswaar in de loop der tijden in de Kerk lieden geweest die meende dat zij de Kerk het meeste konden dienen door haar tot een bewaarplaats te maken van zilver en goud en allerlei kostbaarheden, dan hadden dezen moeten bedenken, dat de Heer der Kerk in Mattheus 6:19-21 het volgende gesproken heeft: Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen, maar vergadert u schatten in de Hemel, waar ze noch roest, noch mot verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Wanneer de apostelen Petrus en Johannes aan de ingang van de Tempel een kreupele man zien zitten die hen vraagt om een aalmoes, dan zegt Petrus,hem sterk aanziende: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u: In de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel.!
Hetgeen ik heb, dat geef ik u", dát was de kracht Gods.!
Israél was een stoffelijk koninkrijk en haar schatten waren óók stoffelijk, goederen van de aarde.
De Kerk echter is een geestelijk rijk en daarom zijn haar goederen en schatten ook van geestelijke aard.
Goud en zilver zijn edele metalen, en zijn het type van de waarheid Gods en de christelijke liefde en reinheid.
Dit zijn geestelijke kostbaarheden die door de Kerk als heilsgoederen moeten worden bewaard en uitgedeeld.
Ook specerijen en de beste olie waren opgeslagen in het schathuis van het Huis Davids.
Wij begrijpen meteen, dat deze hier niet waren opgeslagen om daar ongebruikt te blijven liggen, maar dat deze worden gebruikt en geregeld worden aangevuld.
Specerijen zijn bestemd om de spijzen die gebruikt worden smakelijker te maken; zij verhogen de reuk en de smaak en werken bederfwerend.
Dit zijn allen beelden van de geestelijke gaven die de Heer wil schenken aan allen die tot het Huis Gods behoren opdat zij door handel en wandel een goede reuk zijn van Christus, en een smakelijk zout tegen het bederf dat in de wereld gekomen is door de zonde.
In het Hooglied wordt de Bruid een Hof genoemd waarin bomen en planten staan waarvan en waaruit allerlei specerijen worden gewonnen: uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen met edele vruchten, cyprus met nardus, nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. Hooglied 4:13,14.
En de beste olie.
De beste olie is olijfolie; deze olie wordt in het dagelijkse leven gebruikt, maar wordt ook aangewend bij de zalving van koningen en priesters.
Olie is het beeld van de heiliging door de Heilige Geest.
De kinderen Gods worden verzegeld met de Heilige Geest tot eerstelingen Gode en het Lam, om als koningen en priesters met Christus te mogen regeren en dienen in het koninkrijk van Christus dat op aarde zal worden gevestigd.
In het Huis van David is ook een wapenhuis, wij zouden het in onze tijd een arsenaal noemen.
In Hooglied 4:4, staat te lezen: uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.
Het zijn de wapens en schilden van diegenen die in Israél de strijd hebben gestreden om het koninkrijk te bemachtigen en te behouden.
David zélf, de stichter en stamvader van dat huis, was onder hen wel de grootste held en aanvoerder, want de vrouwen zongen immers, toen hij zegevierend uit de strijd terugkwam, van hem: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden.
Maar, was David het ook niet die als een nederige herder de reus Goliath versloeg waardoor de vijandelijke legermacht op de vlucht ging.?
David typeert hierin wel de strijd van onze Heer, die in nederigheid kwam om de vorst der duisternis met zijn trawanten te verslaan en het volk te verlossen uit de macht van de duivel.
Het geestelijke huis Davids strijd niet met natuurlijke, stoffelijke, wapens, maar met geestelijke.
In Efeze 6, schrijft apostel Paulus dat onze strijd niet tegen vlees en bloed is, maar tegen de geestelijke boosheden, en, hij tekent ons dan de geestelijke krijgsman als volgt: de lendenen omgord met de waarheid, het borstwapen der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidheid des Evangelies en het schild des geloofs waarop de vurige pijlen des bozen worden uitgeblust, de helm der zaligheid op het hoofd en het zwaard des Geestes, namelijk Gods Woord, in de hand.
Toen David in het begin nog alleen stond, voegden zich regelmatig meer mannen bij hem zodat hij al spoedig een legertje van 400 man bezat.
Wat dat voor mannen waren, dat verteld ons 1 Samuel 22:2: En tot hem David, vergaderde alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was en hij werd tot een overste over hen, zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.
Het waren dus wel mensen die het moeilijk hadden en, vermoedelijk, de meesten door eigen schuld.
Maar toch, onder leiding en door de invloed van David, hun overste, wisten deze mensen zich wél te gedragen, hetgeen wij kunnen horen van één der herders van Nabal die tegen zijn huisvrouw over David en zijn mannen zei: Zij zijn ons zeer goede mannen geweest en wij hebben geen smaad geleden en wij hebben niets gemist al de dagen dat wij met hen verkeerd hebben toen wij op het veld waren. Zij zijn een muur rondom ons geweest, zowel bij nacht als bij dag, al de dagen dat wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen. 1 Samuél 25:15,16.
Deze mannen werden door David opgeleid, gevormd en gehard, op een zodanige manier, dat zij later, in het leger van koning David de helden werden van wie de namen nog in Schrift worden vermeld.
Wij vinden in deze mensen het schaduwvoorbeeld van allen die met belangstelling de Here Jezus volgden en die gehoor gaven aan Zijn roepstem: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
Allen, die inzage in zichzelf kregen en die benauwd en bedroefd vanwege hun zonden tot Hem gingen en zich onder Zijn banier schaarden.
Uit de schare die Hem volgde, verkoos Hij er twaalf die Hij opleidde, vormde en harde om straks als helden in Zijn koninkrijk te strijden om het uit te breiden en het te behouden.
In het genoemde tekstgedeelte van het Hooglied, lazen wij ook over een toren: uw hals is als Davids toren die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen, (ronde en ovalen schilden), aan hangen, altemaal schilden der helden.
Meestal heeft de toren in de Bijbel geen goede klank; in de oude wereld ging men in Babel een toren bouwen die tot in de hemel moest reiken en die moest dienen tot verheffing van de mens om zich in hoogmoed en eigen kracht machtig en groot te maken.
In het laatste Bijbelboek, lezen wij over Pergamus; de naam Pergamus betekent hoge toren.
In Jesaja 2 wordt gezegd dat, in de dag der vergelding van de goddeloze wereld, de Heer Zijn oordeel ook zal stellen tegen alle hoge toren.
Maar tóch is er in het koninkrijk Gods een toren in de goede betekenis zoals wij kunnen lezen in Lukas 14:28. De grondlegging van deze toren is niet de hoogmoed en de zelfverheffing, maar de ootmoed en de zelfverloochenende liefde tot God en de bereidheid tot inspanning van alle krachten om, tot het einde aan toe, onder veel strijd, beproevingen en verzoekingen, vast te houden aan de Heer en in Zijn kracht de overwinning te mogen behalen.
En déze toren is dan de geestelijke toren Davids die is opgesteld in het geestelijke huis Davids, het koninkrijk Gods.
De stoffelijke toren in het wapenhuis van het huis Davids, was waarschijnlijk een grote ronde zuil of kolom waaraan rondom de wapens en schilden hingen van de helden die in het koninkrijk gestreden hadden of nog streden.
Duizenden werden er genoemd; wel een top- of overwinnend getal.!
Uw hals is als Davids toren
De hals van de Bruid is als Davids toren waaraan de wapens en de schilden van de helden hangen.
De hals is de verbinding van het hoofd met het lichaam; de Heer is het Hoofd van Zijn lichaam, de gemeente.
Het Hoofd is in de Hemel, zittende ter rechterhand des Vaders, vanwaar Hij alle dingen vervult; en, dit volvoert Hij door middel van Zijn dienstknechten die Hij daartoe geroepen heeft.
In de uitoefening van de bediening zijn zij dan de hals, als de verbinding tussen het Hoofd en het Lichaam.
Zij zijn dan de helden, de voormannen, die zijn voorgegaan en nog voorgaan in de strijd des geloofs, en, hanterende het zwaard en het schild van het koninkrijk Gods.
Wanneer wij 2 Samuel 23 opslaan, dan vinden wij daar een aantal krijgsoversten van David en hun heldendaden vermeld.
Tot besluit willen wij één van deze heldendaden hier noemen.
Terwijl de Filistijnen Bethlehem bezet hadden en David met zijn mannen in de omgeving was om op een geschikte tijd te kunnen aanvallen, toen versmachtte David van dorst.
Hij zei toen: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput die in de poort is.?
Toen braken drie van de helden door het leger van de Filistijnen en putten water uit de bornput van Bethlehem en brachten het naar David.
Maar David wilde het niet drinken en goot het uit voor de Here, en, hij zei daarbij: Het zij verre van mij, o, Here.! dat ik dit zou doen, zou ik drinken het bloed der mannen die heengegaan zijn met gevaar van hun leven.?
De geestelijke toepassing van dit heldenfeit van de onverschrokken mannen is voor ons niet moeilijk te verstaan en te begrijpen.
Een bornput is een bron van levend water dat uit grond opwelt.
De Here Jezus is te Bethlehem in het vlees geboren; en aldaar is dus voor ons de put of bron des levendes waters ontsprongen: de Evangelieleer. Johannes 4:14.
Wij weten uit de Heilige Schrift, dat de Filistijnen uitstekende krijgslieden waren, maar dat zij ook de geslagen vijanden waren van het volk Gods.
Zij zijn daarom het type en schaduwvoorbeeld van de geslagen vijanden Gods, de machten der duisternis en de onbekeerlijke kinderen der wereld, die met een natuurlijk verstand en menselijke wijsheid alles in het werk stellen om de bron van het Evangelie te bezetten, zodat diegenen die daarvan zouden willen drinken, verhinderd worden.
Te midden van deze vijandschappen en smaad en verachting van de mensen en van de tegenwerking van de vorst der duisternis, zullen de mannen Gods als helden doorbreken om uit de bron van Bethlehem het water des levens te putten en aan hen te geven, die dorsten naar gerechtigheid.
Laten wij ons dan beijveren, niet om materiële, maar om geestelijke goederen die in het schathuis zijn opgeslagen om daarmede winst te doen en ook anderen te kunnen helpen.
Wij hebben onze geestelijke wapenrusting aangedaan om te strijden tot overwinning van het koninkrijk Gods.
Dat wij dan niet versagen of verslappen in de strijd, maar daarin voortgaan, ja, dat wij helden mogen worden opdat éénmaal onze namen , ja, de nieuwe naam, vermeld zullen staan aan de voltooide toren Davids, waaraan, na volbrachte strijd, onze wapenrusting zal hangen in het schathuis van het zegevierende koninkrijk van de Grote David, de Here Jezus Christus, onze Koning en Bruidegom.