Aflevering 7.
En, hierop volgt het visioen van de efa.
De uitleg-engel verklaart het woord efa met te zeggen: "Dit is het oog over hen in het ganse land."
Dat oog kan niet anders zijn dan het oog Gods, het alziend oog des Heren. Dat oog schouwt door het ganse land, overal, waar Gods kinderen zijn en waar de vliegende rol geweest is.
Dat alziend oog heeft gezien dat er kinderen waren die gehoor gaven aan hetgeen aan hen werd verkondigd, doch ook, dat het merendeel geen aandacht had voor het onderwijs en de trouwe naleving van de wet des Heren.
Weliswaar was men door de gevangenschap in Babel het dienen van afgoden afgeleerd, doch één enkele blik in het boek Maleachi leert ons dat het leven met God en Zijn dienst, zowel onder de priesters als onder het volk, maar van een zeer laag gehalte was: "Van uwer vaderen dagen af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard" (3:7).
De efa is een standaard maat, en heeft een inhoud van ongeveer 40 liter en wordt gebruikt voor het meten van droge waren, zoals koren, erwten, bonen en dergelijke. Zij was de grootste werkelijke maat want men sprak ook wel over de gomer die tien efa bevatte, doch de gomer was geen werkelijk bestaande maat.
Maar genoeg, het is voldoende dat wij hier weten dat de efa de grootst bestaande maat was.
En, uit hetgeen verder nog wordt medegedeeld, namelijk dat er een vrouw in de efa zat, is het zeker dat de efa die in dit visioen gezien werd, wel het model daarvan had, doch veel groter van afmeting was.
Als dan, volgens vers 6, de efa in het visioen "het oog over het volk was in het ganse land", dan betekent dit dat des Heren oog had gezien dat het volk de maat vol had gemaakt.
De Heer had, met het zenden van de vliegende rol, Zijn reddende hand uitgestrekt en daarbij tevens Zijn waarschuwing laten horen; maar,omdat men voor het merendeel deze reddende hand niet aangreep was de maat der zonden van het volk vol geworden.
Vers 7 en 8:
"En ziet, een plaat van lood werd opgeheven, en daar was een vrouw, zittende in het midden der efa. En hij zeide: Deze is de goddeloosheid; en hij wierp ze in het mnidden van de efa; en hij wierp het loden gewicht op de mond daarvan."
Wanneer hier wordt gezegd van de vrouw: "deze is de goddeloosheid", dan kan ons dit de gedachte geven dat deze vrouw een voorstelling is van de goddeloosheid.
Zo werd ook in het vorige visioen de vliegende rol "de vloek" genoemd; maar, de vliegende rol op zichzelf was niet de vloek maar zou een vloek zijn wanneer men niet zou handelen naar hetgeen daarin geschreven stond.
Het is hiermede precies als met het Evangelie, dat voor de één is "een reuk des doods ten dode en voor de ander een reuk des levens ten leven." 2 Korinthe 2:16.
De vrouw in de efa stelt ons dus niet de goddeloosheid op zichzelf voor, maar het volk dat geen gehoor had gegeven aan de roepstem des Heren, beschreven in de vliegende rol.
De maat der goddeloosheid had men daardoor vol gemaakt en het besluit van het oordeel over die goddeloosheid wordt ons voorgesteld in de loden plaat die met kracht op de mond van de efa geworpen werd.
Dan ziet de profeet in vers 9: "En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen tevoorschijn en wind was in haar vleugelen, en zij hadden vleugelen van een ooievaar; en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen de hemel."
Wat wij reeds bij de verklaring van het vorige visioen gezegd hebben dat geldt ook hier, namelijk dat zij in de eerste plaats hun vervulling vinden in de herbouw van de stoffelijke tempel in de dagen van de profeet Zacharia, doch de volkomen vervulling pas geschiedt in de herbouw van de geestelijke tempel.
Ja, soms is het zo, dat sommige beelden in de visioenen in het geheel niet in de stoffelijke, maar wel in de geestelijke tempel hun vervulling vinden.
Een voorbeeld daarvan zagen wij onder andere in de twee olijfbomen die getoond werden in hoofdstuk 4:3 en 11:14.
Welnu, hetzelfde is het geval met hetgeen wij hier beschreven vinden betreffende de wegvoering van de efa.
Deze wegvoering heeft alleen plaats in de geschiedenis van de herbouw van de geestelijke tempel, de tijd waarin wij leven.
In vers 9 worden er drie vrouwen genoemd, één in de efa en twéé die de efa wegvoerden.
Wat de geestelijke betekenis van vrouwen is dat wordt ons beschreven in het B.v.O.T. op bladz.598.Wij lezen daar: "Vrouwen zijn het beeld van christelijke Kerk-afdelingen of belijdenissen die niet zuiver naar Gods inzettingen staan en leven, zoals zij in de aanvang van de éne, heilige algemeen christelijke Kerk zijn gegeven." Jeremia 3:6,7 en 10; Openbaring 17:1, 4-6 en 18.
In de bespreking van het zesde visioen noemden wij reeds de grootste drie Kerkafdelingen, namelijk de Roomse, Griekse en Protestantse Kerken.Zij zijn de drie voornaamste Kerkafdelingen die niet zuiver naar Gods inzettingen staan en leven zoals zij in de aanvang van de éne algemene christelijke Kerk zijn gegeven.
De voornaamste in de afwijking van de waarheid Gods is zeker wel de Roomse Kerk, want zij toch heeft in de eerste plaats de maat der zonde en de ongerechtigheid voor God en mensen vol gemaakt.
Eerstens doof voor de stem der Reformatie heeft zij later óok het getuigenis van de vliegende boekrol, Testimonium, verworpen.
Dit getuigenis werd door de apostelen Drummond en Perceval overhandigd aan een kardinaal van Paus Gregorius XVI, de zich noemende stedehouder van Christus.
Als eerste, de oudste, maar ook de slechtste der drie vrouwen is zij zeker de vrouw die in de efa zit, geflankeerd door de Griekse en Protestantse Kerken als de twee vrouwen die de efa wegvoeren.
Hoewel onderling in geloofszaken verdeeld, treft hun tóch hetzélfde oordeel, en, wat dit oordeel is, dát vinden wij opgetekend in Openbaring 17:1,2: "En een uit de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zeide tot mij: kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer die daar zit op vele wateren; met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn harer hoererij."
Omdat de Heer Zijn verbond met de mens vergelijkt met een huwelijksverbond, begrijpen wij dat geestelijke hoererij ontrouw en afval van de Here God is.
Hoereren met de koningen der aarde betekent het verloochenen van de Here Jezus als Bruidegom en Hoofd der Kerk, door aan de Staatshoofden de oppermacht in de Kerk te verlenen. Uitgebreid wordt dit onderwerp beschreven in het B.v.o.T. blz.505 e.v.
Vers 9:
"En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen te voorschijn en wind was in hare vleugelen, en zij hadden vleugelen van een ooievaar en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen de hemel."
Tussen de aarde en tussen de hemel is de geestelijke dampkring waarin zij zich bewegen, en dit wijst ons op het feit dat hier gewezen wordt op de geestelijke gesteldheid.
In Efeze 6:12 spreekt apostel Paulus over de geestelijke boosheden in de lucht waartegen de kinderen Gods te strijden hebben.
Zij bewogen zich voort op de wind in hare vleugelen. Wind is het beeld van leer, zowel van een zuivere, als van een dwaalleer.
Als dwaalleer wordt hij in Psalm 1:4 genoemd: "De goddelozen zijn als kaf, dat de wind henendrijft.", en, apostel Paulus schrijft in Efeze 4:14: "opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind der leer, door bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listig tot dwaling te brengen."
Vleugelen zijn het beeld van machten waarop men steunt en waardoor men gedragen wordt. Zo werd oudtijds óók het volk van Israël op vleugelen gedragen vanuit de verdrukking van Egypteland.
Want zo sprak de Here God tot Mozes op de berg Sinaí, alwaar de wetgeving zoude plaatsvinden: "Alzo zult gij tot het huis Jacobs spreken en de kinderen Israëls verkondigen: Gijlieden hebt gezien wat Ik aan de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb". Exodus 19: 3,4,
En, in Deuteronomium spreekt Mozes in een profetische lofverheffing: "Want des Heren deel is Zijn volk, Jacob is het snoer Zijner erve. Hij vond hem in een land der woestijn en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom; Hij onderwees hem; Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en draagt op zijne vlerken; zo leidde hem de Here alléén, en er was geen vreemde god met hem."
De Here God Zelf is de
Grote Arend, de Koning van het Hemelrijk. Op Zijn beide
vleugelen, Mozes en Aäron, leidde Hij Zijn volk door de
Schelfzee en bracht het naar de veilige overzijde. Op deze
vleugelen steunden de kinderen Israëls en werden gedragen door
de woestijn en gebracht tot in het beloofde land Kanaän.
Ja, óók in Kanaän het land des sieraads, steunden zij er op,
en werden zij gedragen door twee vleugelen, doch het waren geen
vleugelen van de arend
maar van de ooievaar.
Het zijn de steunselen waardoor deze twee vrouwen gedragen worden, de machten van Kerk en Staat, en, het waren nu juist ook díe machten tot wien het Testimonium gericht was.
De Kerk, die toch bedenken moest dat de Here Jezus had gezegd dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was, had haar bruidschap vergeten en prijsgegeven voor aardse macht en grootheid. In plaats van in reinheid te wachten op haar Hemelse Bruidegom, is zij gaan heulen met de groten der aarde en is daardoor geworden tot een ontrouwe vrouw.; "de grote hoer met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben." Openbaring 17:2.
Zij hadden de vleugelen als de vleugelen van een ooievaar. De ooievaar is een trekvogel en dit karakter van deze vogel vinden wij hier van toepassing op deze vrouwen met de efa, want de trekvogel verhuist steeds weer naar een andere streek of een ander land.
Verzen 10 en 11:
"Toen zeide ik tot de engel die met mij sprak: waarhenen brengen zij deze efa?. En hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Sinear; dat zij daar gevestigd en gesteld worde op haar grondvesten."
Om haar een huis te bouwen in het land Sinear, dat wil zeggen, in Babylonië dat naar haar hoofdstad veelal kortweg Babel wordt genoemd.
In Genesis 10:9,10 lezen wij: "Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des Heren. En het begin van zijn rijk was Babel,....in het land Sinear."
In Genesis 11 wordt de torenbouw van Babel, vermeld, en in vers 2 wordt gezegd dat Babel lag in het land Sinear.
Veel later, in Daniël 1, staat te lezen dat Nebukadnezar, de koning van Babel, de geroofde vaten uit de tempel te Jeruzalem bracht in het land Sinear en ze in het huis van zijn god zette.
De efa met de drie vrouwen verplaatsten zich dus naar Babel, en, dat oude Babel is, zowel door de torenbouw en door de spraakverwarring, alswel door het feit dat het oude volk van God een tijdlang daarheen was weggevoerd, een type en schaduw-voorbeeld van het geestelijke Babel.
De Kerk is, door haar omzien naar de grootheid van de dingen dezer aarde, van haar roeping als envoudig maagd van Christus, steeds verder afgeweken, en daarom zegt zij in haar hart: "Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien." Openbaring 18:7.
Onder de geestelijke torenbouwers is een spraakverwarring ontstaan, zodat de verschillende belijdenissen de oorzaak werden dat zij uiteengegaan zijn.
De vliegende rol, het Testimonium, was de roepstem des Heren om terug te keren van de dwaalwegen, maar, waar die roepstem echter bleek een stem des roependen in de woestijn te zijn, daar kwam het oordeel.
Geheel in overeenstemming met dat, wat Zacharia zag, werd ook door Johannes op Patmos gezien, zoals wij lezen in Openbaring 17:5: "En op het voorhoofd van de vrouw was een naam geschreven, namelijk: Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde."
Dat het een verborgenheid is voor hen die het betreft, dat is aan ons bekend, want geen der genoemde Kerkafdelingen kunnen inzien dat zij het grote Babylon vormen, de moeder der hoererijen.
Vers 11:
"Om haar een huis te bouwen in het land Sinear, dat zij daar gevestigd en gesteld worde op haar grondveste."
Tot het goed verstaan van deze tekst, vestigen wij de aandacht van de lezer op het feit dat het vorige visioen eindigde met de verzekering dat het huis van de dief en de meinedige tot aan de grond toe zou worden afgebroken. vers 4.
Bij de behandeling van het vorige visioen hebben wij deze afbraak reeds besproken, echter, om vers11 goed te kunnen verstaan en begrijpen willen wij het hier nog even in het kort herhalen.
Wij weten dat het land Kanaän aan het zaad van Abraham tot een erfelijke bezitting was geschonken door de Here God. Toen het land nu in bezit genomen werd door het uitverkoren volk van God, werd het land onder hen verdeeld en een ieder van hen ontving een erfdeel, het erfdeel Gods. Dat stuk land ging hij bewonen en bewerken en hij bouwde daarop zijn huis.
Dit Kanaän is het type van de zevende dag volgens Hebreeën 4, en, de zevende dag is het type van het 1000-jarig Vrederijk.
Zij, die daar bezitters van zijn, moeten geestelijke kinderen Abrahams zijn volgens Galaten 3:7.
De Kerk is de Bruid des Heren en draagt deze belofte, maar, wanneer zij deze belofte vergeet of als niets acht, dan wordt deze van haar weggenomen gelijk dit geschiedde met Ezau.
Toch heeft de Here God in Zijn ontfermende liefde en barmhartigheid nog een roepstem tot haar gericht in de boodschap van de vliegende boekrol, het Testimonium.
Bij de verwerping daarvan, kwam nu de beslissing: de wegneming van het erfdeel, afbraak van het huis, en wegvoering naar het land Sinear: het stellen van de grondveste van dat nieuwe huis, d.w.z.gij zijt Babel. De bevestiging van het oordeel over de van God afvallige Kerken.
Tot slot van dit visioen willen wij nog zeggen dat wij hierbij goed in het oog moeten houden dat dit oordeel van de Here God geldt voor die verschillende kerkafdelingen, doch tot de leden daarvan klinkt nog steeds de goddelijke roepstem: "Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt."
En, deze roepstem Gods hebben wíj te brengen.!
Met het geschrevene in Zacharia 6:1-8, zijn wij dan gekomen aan het achtste en laatste visioen.
De sleutel tot het begrijpen van dit visioen vinden wij in de profetie die ná het visioen volgt en die opgetekend staat in de verzen 9-15.
Want, het is toch voldoende bekend, dat de Openbaringen Gods bestaan in de profetieën, visioenen en goddelijke dromen.
Deze profetie beschrijft ons het herstel van het koning-priesterschap dat bij de val van Adam voor de mens verloren was gegaan.
De Here Jezus Christus heeft, door Zijn verlossing van de mens uit de macht van de zonde en de dood, als de tweede Adam, aan een schare mensen die Hem in de volle waarheid heeft gevolgd, het koning-priesterschap in het vooruitzicht gesteld.
In de verzen 12 en 13 lezen wij:
"Alzo spreekt de Here der heirscharen, zeggende: Zie een Man, Wiens naam is Spruite, Die zal uit Zijn plaats spruiten en Hij zal des Heren tempel bouwen.Ja, Hij zal de tempel des Heren bouwen en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die beiden wezen."
Waren de verzegelden met de Heilige Geest in de strijdende Kerk reeds in hope koningen en priesters, in de triomferende Kerk, in het 1000-jarig Rijk zullen zij, mét Christus, de Koning-Priester, mede als koningen en priesters dienen en regeren, want zij hadden in hun nederigheid en in hun strijd van hun Heer en Bruidegom ontvangen de belofte: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen troon." Openbaringen 3:21.
Het is ons daarom duidelijk dat wij met dit achtste visioen worden bepaald bij dat 1000-jarig vrederijk, het vrederijk dat er éénmaal op de aarde zal komen.
Bij de eerste oogopslag geeft ons dit toch wel enige verwondering omdat de visioenen dan stilzwijgend voorbijgaan aan de toch zo belangrijke gebeurtenissen zoals: de opstanding der ontslapenen; de levend verandering der op aarde vertoevende gemeente; de opvaart ten hemel, Christus tegemoet in de lucht; het aanzitten in de bruiloftszaal, en de vereniging van de Bruid met haar hemelse Bruidegom.
Toch, wanneer wij even doordenken, dan gaan wij het wel begrijpen, want, het onderwerp van deze visioenen betrof toch immers de tempelbouw?
Welnu, ook bij de overgang van de zondige naar de verloste en door de Here God gezegende aarde, of anders gezegd, van de strijdende naar de triomferende Kerk, wordt dit onderwerp zeer consequent doorgevoerd.
Wij verlieten bij het zesde visioen de herbouwde tempel met het getuigenis dat er gebracht werd aan de volkeren, voorgesteld door de vliegende boekrol.
Het zevende visioen schilderde ons het ongehoorzame volk dat werd weggevoerd naar het grote Babylon.
Hier, in het achtste visioen, wordt ons opnieuw de tempel getoond; de Man, Wiens Naam is Spruite, Die zou de tempel des Heren bouwen. Het rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï heeft Zich daarvoor één met de mens moeten en willen maken om hem tot die overwinning te brengen die Johannes op Patmos in een visioen ziet en waar hij dan zegt: "En ik zag geen tempel in haar, het nieuwe Jeruzalem, want de Here de Almachtige God is haar tempel en het Lam."
Hier is dan volkomen de belofte in het derde visioen vervuld: "Juich en verblijd u, gij dochter Sions, want zie, Ik kom en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Here. " Zach.2:10.
En, dat wonen van de Heer in dat nieuwe Jeruzalem is zó op te vatten zoals wij dat verder vinden beschreven in Openbaring 21.
De Bruid des Heren, de vrouw des Lams, zal in haar verheerlijkte staat uit de hemel nederdalen als het hemelse Jeruzalem om op de aarde het Nieuwe Jeruzalem te stichten.
Hierover zegt Johannes in vers 3: "En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volk zijn en God Zélf zal bij hen en hun God zijn."
De Tabernakel kennen wij als de woning van de Here God onder Zijn volk in het Oude Verbond, en, Mozes moest hem maken zoals de Here deze aan hem op de berg getoond had.
Weliswaar was dit alles slechts stoffelijk, maar tóch het beeld van de woning Gods als Hij in heerlijkheid zal wonen als Koning-Priester te midden van hen die mét Hem zullen regeren op de verloste en gezegende aarde.
Ja, dán, en niet eerder zal het Koninkrijk Gods gekomen zijn met uiterlijk gelaat en zal de heerlijkheid Gods de ganse aarde vervullen. In onze bedeling zou het Rijk Gods alleen in de harten der mensen wonen om te worden en te rijpen tot wedergeboren kinderen Gods, en onder kruis en lijden, strijd en aanvechtingen van de boze op te wassen en te volmaken in het geloof.
Daarvoor zagen zij in hun Heer en Meester hun grote voorbeeld, Hij, Die door kruis en lijden Zijn heerlijkheid is ingegaan.
Meerdere malen heeft de Kerk echter dit grote voorbeeld vergeten, en, door machts-aanmatiging; door hiërarchische vormen; ceremonieën en dergelijke, vooruit willen grijpen op de tijd der wederoprichting aller dingen.
Ook menen nog vele christenen dat de Evangelie-verkondiging uiteindelijk alle mensen tot de Here God zal brengen en dat alsdan het Rijk van God vanzelf gekomen zal zijn.
Men vergeet daarbij echter dat de Heilige Schrift juist spreekt van een grote afval van het geloof in de eindtijd.
Het wereldbeeld dat aan ons getoond wordt in Daniël 2 laat echter duidelijk zien dat het vierde rijk vernietigd werd voordat het Godsrijk op de aarde gevestigd werd.
Wordt vervolgd in het