DE

HERBOUW VAN DE TEMPEL

Aflevering 6.

Gaan wij nu over tot het behandelen van het zesde visioen zoals wij dat vinden opgetekend in Zacharia 5: 1-4.

Zacharia ontvangt dit zesde visioen en vertelt dit, door te zeggen: "En ik hief mijn ogen weder op en ik zag, en ziet, een vliegende rol."

Wanneer de Tempel is herbouwd, dan is het óók nodig dat het volk des Heren grondig in de wet des Heren wordt onderwezen, want, wát zal er over het algemeen van dat onderwijs in Babel terecht zijn gekomen?

In het boek Ezra, maar ook vooral in het boek Nehemia ontdekken wij bij het lezen van deze boeken, dat er bij het uit Babel teruggekeerde volk van God een grote onkunde heerste.

Daarom namen de priesters Ezra en Nehemia, die zelf uitstekende wetgeleerden waren, met grote ernst het onderwijs van de Wet des Heren aan het volk, ter hand.

Wij lezen in hoofdstuk 8 van Nehemia, dat Ezra de priester, staande op een hoge houten stoel het wetboek voorlas en dat het volk dit staande aanhoorde.

Verder werd aan de Levieten opgedragen om het volk in de wet te gaan onderwijzen. Zij deden dit, door een gedeelte voor te lezen en daarna het gelezene te verklaren zodat men de zin van datgene wat voor gelezen was, kon begrijpen, en, hierdoor werden zij in staat gesteld om het verbond met God, te vernieuwen.

Wanneer wij Nehemia 13 opslaan, dan merken wij nog velerlei kwaad dat door het volk vanwege en door hun onwetendheid, bedreven werd tegen de Wet des Heren en waartegen Nehemia met veel kracht moest gaan optreden.

Ook door de monden Zijner profeten sprak de Heer tot Zijn volk.

Door Zijn knecht Zacharia sprak Hij onder andere: "Dit zijn de dingen die gij doen zult: spreek de waarheid, een iegelijk met zijn naaste, oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uwe poorten. En bedenkt niet de één kwaad van de ander in uw hart en hebt een valse eed niet lief, want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de Here." Zach.8:16,17.

Op deze liefderijke en zorgvuldige wijze kwam de Here God Zijn volk tegemoet en gaf aan hen Zijn heilige wil te kennen.

Zacharia ziet een vliegende rol. Bedoeld wordt hier een perkamenten rol om op te schrijven, want boeken, zoals wij die hebben, kende men in die dagen nog niet.

Als regel waren de beide uiteinden van de boekrol, het begin en het einde, van een ronde stok voorzien zodat men de rol aan beide zijden kon oprollen, en, al op- en afrollend kon men dan de rol gemakkelijk lezen of beschrijven.

In Ezechiël 2:9 en 10, wordt wordt door deze profeet óók gesproken over zulk een boekrol en wij lezen daar dan: "Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken, en ziet, daarin was een boekrol. En Hij, de Here. spreidde die voor mijn aangezicht uit, en zij was beschreven van voor en achter, bedoeld wordt van binnen- en van buiten, dus aan de beide zijden, en daarin waren geschreven klaagliederen en zuchting en wee."

Wat dit alles te betekenen had, dat worden wij in het volgende hoofdstuk gewaar. Deze rol was de opdracht des Heren aan de profeet Ezechiël, dat hij het woord des Heren moest brengen aan de kinderen Israëls.

De Heer zegt daar tegen hem: "Mensenkind, ga henen, kom tot het huis Israëls en spreek tot hen Mijne woorden. Vat al Mijn woorden die Ik tot u spreken zal in uw hart en hoor ze met uwe oren. En ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks en spreekt tot hen en zeg tot hen: Zo zegt de Here: hetzij dat ze horen zullen of hetzij dat zij het laten zullen."

Die boekrol die Ezechiël ontving in een visioen, was de opdracht des Heren om een getuigenis des Heren aan Zijn volk te brengen.

Zacharia ziet een vliegende rol; evenals een vogel door het luchtruim vliegt, zo verplaatste deze rol zich in de lucht en ging over het gehele land. (Bedoeld wordt hier het heilige land, Zacharia 2:12.)

Deze rol had buitengewone afmetingen: zij had een lengte van twintig ellen en een breedte van tien ellen. Het was dus een kolossale rol die de profeet door de lucht zag vliegen.

Wat dit te betekenen heeft, dat wordt tegen hem gezegd in vers 3: "Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek die uitgaan zal over het gehele land, want een iegelijk die steelt, zal van hier, volgens die vloek uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk die valselijk zweert, zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden."

En, deze vloek was geen vloek van een mens, zij het dan van een priester of profeet, maar van de levende God, zoals het luidt in het vierde vers: "Ik breng deze vloek voort, spreekt de Here der heirscharen, dat hij kome in het huis van de dief, en in het huis desgenen die bij Mijn Naam valselijk zweert; en hij zal in het midden van zijn huis overnachten en hij zal het verteren met zijn houten en stenen."

De gedachte, dat die vloek wellicht niet bedoeld zou kunnen zijn voor het volk des Heren, maar voor de heidenen en de half-heidense bewoners zoals de Samaritanen die ook in het land woonden, is ten enenmale onjuist.

Immers er wordt in die vloek niet gesproken over de één of andere heidense afgodendienst, maar er wordt gedreigd tegen diefstal en tegen meineed.

En, omdat er duidelijk in vers 4 over het valselijke zweren bij Mijn Naam gesproken wordt, betreft het hier wel degelijk diegenen die in God geloven, dat wil zeggen het volk Gods.

Voor hen is deze vloek bedoeld; echter God heeft nooit een volk met een vloek bedreigd als Hij het eerst niet een weg tot ontkoming van de vloek heeft gewezen.

Daarom is het wis en zeker dat in de boekrol niet alleen de vloek wordt genoemd, maar óók de weg wordt aangewezen om aan deze vloek te kunnen ontkomen, en, bij het niet opvolgen of gaan van deze weg volgt alsdan de vloek.

Dat dit werkelijk zo is, dat hebben wij reeds gezien door de verwijzing naar de woorden van de profetie van Zacharia in hoofdstuk 8: 16,17: "Dit zijn de dingen die gij zult doen:spreekt de waarheid een iegelijk met zijne naaste, oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uwe poorten.En bedenk niet de een kwaad van de ander in uw hart, en hebt een valse eed niet lief want al deze zijn dingen die Ik haat, spreekt de Here."

Dit was immers ook het geval bij de opdracht van de Heer aan de profeet Ezechiël?

Hoewel in de rol, die deze profeet ontving, geschreven waren klaagliederen en zuchtingen en wee, nochthans moest hij evenzeer des Heren woord doen horen: "hetzij dan dat zij het horen zouden of hetzij het laten zouden", zij zouden toch weten dat er een profeet in het midden van hen geweest was.

De profeten hebben, door alle eeuwen heen, de oordelen des Heren aangezegd, maar evenzeer de weg tot ontkoming daaraan, aangewezen.

Zacharia ziet een vliegende boekrol. Uit hetgeen wij reeds hiervoren zeiden, blijkt, dat deze rol óók beschreven was.

Zacharia ziet de rol in geheel ontrolde staat door de lucht vliegen, zodat hij zelfs de afmetingen daarvan kan opgeven, namelijk 20 x 10 ellen.

Zonder twijfel zal de Geest Gods hem dit wel te kennen hebben gegeven.

Een reden temeer om hier dan niet aan een toevalligheid te denken maar te bedenken dat ook deze maten ons hier nog wel iets te zeggen zullen hebben.

Welnu, het Heilige in de Tabernakel, had ook deze afmetingen.

In het Heilige van de Tabernakel mochten alleen de aan God gewijden komen.

En, had de Heer niet gezegd in hfdst.2:10: "Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen".

Maar, Hij wilde wonen in het midden van een heilig volk, een volk dat zich geheel aan Hem wijdde.

De vloek des Heren, die vermeld werd in de vliegende boekrol, ging geheel uit: "tot een iegelijk, die steelt en een iegelijk die valselijk zweert".

In de wet der tien geboden komen deze beiden reeds voor en het is zeer waarschijnlijk dat de Heer door het noemen van deze twee al de geboden der wet daarin samenvatte, want, we lezen in Deuteronomium 27:26: "vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen."

De uitspraak van de vloek van de vliegende rol was, dat een ieder die zou stelen of valselijk in de Naam des Heren zou zweren, uitgeroeid zou worden.

Wat deze uitroeiing in feite inhield dat kunnen wij lezen in het 4e vers: "Ik breng deze vloek voort, spreekt de Here der heirscharen, dat hij kome in het huis van de dief, en in het huis desgenen die bij Mijn Naam valselijk zweert; en hij zal in het midden van zijn huis overnachten en hij zal het verteren met zijn houten en zijn stenen."

Hoewel het toen reeds ongeveer 1500 jaar geleden was dat de Heer door Mozes op de Horeb de wet had gegeven opdat Zijn volk daarnaar leven zoude, onverminderd eiste Hij van Israél dat in een andere tijd en onder andere omstandigheden leefde als toen, de nauwkeurige naleving van Zijn éénmaal gegeven wet. zie hiervoor óók Maleachi 4:4.

Bij de hernieuwing van deze wet, werd dit aan het volk voorgehouden. De vloek die de Heer der heirscharen bij het niet houden van die wet, uitspreekt, is, dat hij én zijn huis ten gronde zullen gaan. Want, hij, dat is de vloek, zou in zijn huis overnachten, en, waneer iemand in een huis overnacht, dan is hij niet op visite, maar heeft er zijn intrek genomen.

De zin van dit alles is, dat de vloek daar woning zal maken, zolang, totdat het gehele huis, zowel het hout als de stenen, verteerd zullen zijn.

Israël had het land Kanaän als een erfdeel verkregen van de Heer, en, wij weten dat het land, dat toen in bezit werd genomen, onder het volk werd verdeeld; een ieder ontving een stuk land als een erfenis die hij niet mocht verkopen of verruilen. denk hierbij aan Naboth in 1 Koningen 21.

Vanzelfsprekend bouwde een ieder op zijn erfland het huis waarin hij woonde en het huis en het erfland waren daardoor één. Het verteren van het huis betekent dan dat het erfdeel verloren ging.

En, hiermede hebben wij dan gezien hoe het stond met het oude volk van God bij de voltooiíng van de Tweede Tempel.

Na deze beschouwing willen wij, evenals bij de vorige visioenen een parallel trekken met de geschiedenis van de Tweede Geestelijke Tempel.

In het vorige visioen liet de Heer der Kerk ons zien dat de kandelaar weer teruggeven en opnieuw op zijn plaats gesteld was, en hoe deze kandelaar lichtte en van olie werd voorzien door middel van de twee olijfbomen: "die voor de Heer der ganse aarde staan".

De verklaring hiervan vonden wij in het herstel van het Apostel--en het Profetenambt in de Kerk van Christus en hoe de olie van de Heilige Geest door middel van deze twee bedieningen de gemeente weer heeft gemaakt tot een lichtende kandelaar.

Dit licht moest verspreidt worden, en dat is de inhoud van dit zesde visioen.

In Openbaring 10, vanaf het 7e vers, lezen wij over de opdracht die gegeven werd tot het verspreiden van dat licht.

Wij lezen daar, dat in het zevende tijdvak het door de Hervorming geopende boekske, de Bijbel, door de apostel Johannes werd overgenomen en werd opgegeten.

Johannes zag dit in een visioen en was daarin de vertegenwoordiger van de door de Here God geroepen apostelen van de Apostolische Kerk in het jaar 1832.

Zelf voortgekomen uit de verschillende afdelingen der christelijke Kerk hadden zij wel het geopende boekske oftewel inzage in de Bijbel.

Door een nauwkeurig onderzoek en het licht van de Heilige Geest kwamen zij er toe om het boekske op te eten, dat wil zeggen, de Bijbel in zijn geheel te kunnen verstaan en veel wat voorheen nog duister was en verborgenheden bevatte, kwam er nu tot licht.

Dat was de vervulling der belofte genoemd in het zevende vers van Openbaring 10: "Maar in de dagen der stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij aan Zijn dienstknechten de profeten verkondigd heeft."

Men was niet langer onwetend betreffende de geestelijke gaven en men verstond wat "de verborgenheid der ongerechtigheid" inhield want het was niet langer een verborgenheid, "dat wij niet allen zouden ontslapen, maar wel allen veranderd zouden worden bij de wederkomst des Heren".

Nadat het boekske opgegeten was, kwam de opdracht des Heren: "Gij moet wederom profeteren voor vele volken, natién en talen en koningen". Openbaring 10:11.

Ook hieraan werd gevolg gegeven want wij lezen in de kerkgeschiedenis van Mr.W. van Loon bij het jaartal 1836: "Openlijk optreden der Algemene Apostolische Kerk der Irvingianen met een brief aan alle kerkelijke en wereldlijke overheden van alle landen".

In de "Beknopte geschiedenis der Apostolische Kerk", geschreven door wijlen apostel A.J.Korff, lezen wij op blz 22, dat aan de apostelen door de Heer in profetie was opgedragen om een getuigenis samen te stellen dat bestemd was voor de wereldlijke en geestelijke overheden der christenheid.

Dit is het zogenoemde "Testimonium" waarvan een uittreksel voorkomt in het B.v.O.T op de bladz. 461-472.

Dit Testimonium was een getuigenis van de Here God aan de christelijke volkeren dat de Heer opnieuw Zijn Kerk had bezocht en teruggegeven had wat door de zonden der mensen in de Kerk verloren was gegaan.

Het was een oproep om zich voor te bereiden voor de ophanden zijnde wederkomst van Jezus Christus, opdat, wanneer Hij verscheen, Hij een toebereid volk zoude vinden; doch, tevens hield dit getuigenis de ernstige waarschuwing in dat men deze raad des Heren niet in de wind zoude slaan, want dat dan de oordelen die over de aarde zouden komen, hen zouden treffen.

Het Testimonium was dus een waarschuwing en een straf-aankondiging.

En hiermede wordt het ons wel duidelijk dat de vliegende rol die de profeet Zacharia in dit zesde visioen ziet, het Testimonium is dat over de christelijke landen en volkeren verspreid werd.

Een ontrolde rol duidt op een getuigenis dat gebracht wordt, en, ook hier worden wij weer bepaald bij de afmetingen die de rol had: 20 x 10 ellen, de maten van het Heilige in de Tabernakel.

Daarin werd de dienst aan God, door Hemzelf verordineert, verricht en diende als voorbeeld van de ware dienst des Heren onder het Nieuwe Verbond.

De vliegende rol, het Testimonium, was daarom een oproep tot het gehele christelijke volk om tot de ware dienst en aanbidding des Heren te komen; om terug te keren tot de Kerk des Heren zoals zij in haar begin-tijd was.

Maar, al noemden wij alleen het Testimonium als de vliegende boekrol, daartoe behoort echter het gehele getuigenis zowel in woord als in geschrift, dat is uitgegaan van de Hersteld Apostolische Zendingkerk.

Door verschillende dienstknechten zijn in diverse plaatsen vele lezingen gehouden, en, na de oorlog ook weer enige, alsook een tijdlang Godsdienst-oefeningen te Antwerpen.

Toen de Wereldraad van Kerken in de Nieuwe Kerk te Amsterdam vergaderde, is door wijlen apostel A.J.Korff een boekje samengesteld waarin, na een inleiding, de verkorte inhoud van het Testimonium werd afgedrukt en dat onder de titel "De Oude Paden" aan de geestelijken in ons land is toegezonden.

Ook aan het bevel "te profeteren voor koningen", is een en andermaal voldaan; want, na de eerste wereldoorlog is door apostel Van Bemmel een aantal profetieën die betrekking hadden op de oorlog, én de aanzegging dat Nederland búiten de oorlog zoude blijven "om Juda's wil", aan de koningin van Nederland toegezonden.Op 20 juli 1937 ontving schrijver dezes in profetie de opdracht om het getuigenis in geschrift aan koningin Wilhelmina te gaan overhandigen.

In dat getuigenis werden verschillende profetieën verwerkt waarin werd gezegd dat Nederland in moeilijkheden zoude komen.

Dit alles, en wat nog komen zal, behoort tot de vliegende rol.

Vers 3:

"Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek die uitgaan zal over het ganse land, want een iegelijk die steelt zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden, desgelijk een iegelijk die valselijk zweert, zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden."

Dit visioen spreekt over de vloek en het houdt een waarschuwing en een strafaankondiging in.

Waar het Testimonium in de eerste plaats gericht was tot de geestelijke leiders, begrijpen wij, dat het hier om geestelijke zaken gaat.

Een iegelijk die steelt en afdoet van Gods Woord en valselijk zweert door zich te beroepen op God en zich de rechten Gods aanmatigd die hem van Gods-wege niet zijn toevertrouwd.

En, zowel de Roomse- en Griekse-, alsmede de Protestantse Kerk, zij gingen allen de maat van Gods recht en gerechtigheid te boven of kwamen er aan te kort.

Vers 4:

"Ik breng deze vloek voort, spreekt de Here der heirscharen, dat hij kome in het huis van de dief en in het huis desgenen, die bij Mijn Naam valselijk zweert, en hij zal in het midden van zijn huis overnachten, en hij zal het verteren met zijn houten en zijn stenen."
U hebt het ongetwijfeld wel begrepen dat het huis dat hier wordt bedoeld, de Kerk of Gemeente is alwaar de dief woont die aan God en Zijn Woord heeft ontnomen de dienst van ere en aanbidding die aan Hem moest worden gebracht en het middel daartoe hetwelk Hij in Zijn Woord heeft aangewezen.

Hij, de vloek, zal komen in het huis dergenen die tot Zijn inzettingen hebben toegedaan en valselijk gezworen hebben in Zijnen Naam, dat hun toevoegselen Gods wil, waren, degenen die Hem in wezen als Hoofd der Kerk en Heer Zijner Gemeente verwerpen en zichzelf heerschappij aanmatigen en dan daarop valselijk in Zijn Naam aanspraak maken.

"En hij zal het verteren met zijn houten en zijn stenen".

De totale ondergang daarvan wordt ons hier met maar weinige woorden getekend; en dit alles stond vermeld in de vliegende boekrol, het Testimonium, als een waarschuwing en een straf-aankondiging.

Maar óók hield het een oproep en een aanwijzing des Heren in, van de weg die zou leiden tot ontkoming aan de aangekondigde vloek; want door alle eeuwen heen, heeft de barmhartige God bij élke aankondiging van straf óók een weg aangewezen om aan de vloek te kunnen ontkomen. zie ook de dagen van Noach.

Dáárom moet ons getuigenis beide zaken verkondigen: de oordelen Gods aanzeggen die over de wereld en de Kerk zullen komen, maar óók de weg ter ontkoming daaraan aanwijzen!, want de Here Jezus heeft gezegd in Mattheus 24:37: "En gelijk de dagen van Noach waren, alzó zal óók zijn de toekomst van de Zoon des mensen."

Hoewel in nauw verband staande met de vorige visioenen, moeten wij dit zevende visioen toch weer als een nieuw visioen beschouwen want de uitleg-engel zegt in het vijfde vers van Zacharia 5: 5-11: "Hef nu uwe ogen op, en zie, wat dit is, dat er te voorschijn komt"

Het onderlinge verband dat dit visioen met het vorige heeft is, dat het één het gevolg is van het andere.

De vliegende rol in het zesde visioen bevatte een waarschuwing en tevens ook een straf-aankondiging.

Deze hielden vanzelfsprekend de belofte in dat een ieder die gehoor zou geven aan de waarschuwing, van straf gevrijwaard zou blijven.

Hier, in het 7e visioen, zal het ons duidelijk worden in hoeverre men gehoor heeft gegeven aan de waarschuwing.

Begrijpelijk is het voor ons, dat waar de Here God in Zijn grote barmhartigheid en liefde, Zijn volk in de gelegenheid had gesteld om terug te keren tot het erfdeel der vaderen, want Hij wilde wonen temidden van Zijn volk maar dan zou dat dan ook een heilig volk moeten zijn. hoofdst.2:10.

De vliegende rol was uitgegaan over het ganse land; het was de vloek, die van de Here der heirscharen uitging; het was de verkondiging dat men acht zoude geven op de waarschuwing en op de straf-aankondiging.

Over het ganse land, betekent hier: over het gehele volk des Heren.

Wordt vervolgt in

aflevering 7.

Terug naar: Bijbelstudies