Aflevering 5
Laten wij nu het vijfde visioen gaan bezien.
Dit visioen staat in nauw verband met het vorige, want beide visioenen slaan op het herstel van de dienst aan God in Zijn Tempel.
In het vorige visioen werd aan ons de wederaanname van het priesterambt getoond, en, hier in dit visioen,de opnieuw ingestelde dienst aan de Heer in Zijn Heiligdom.
Ook wordt de grondsteen die genoemd werd in het vierde visioen hier opnieuw onder de aandacht gebracht. Zacharia 3:9 met Zacharia 4:7.
Hoewel zulks in de andere visioenen ook het geval is, treedt het in dit vijfde visioen wel sterk naar voren dat hetgeen daarin voorkomt voor het merendeel onmogelijk vervuld kon worden in de tweede stoffelijke tempel.!
Een sterk heenwijzen van het visioen naar de uiteindelijke en volkomen vervulling in de geestelijke tempel valt daardoor hier zeer slecht te ontkennen.
Wij willen dan eerst weer gaan zien wat het visioen te betekenen had voor het volk Gods in de dagen van Zacharia om daarna over te gaan met te letten op de geestelijke betekenis en de vervulling daarvan.
De profeet ziet in visioen een gouden kandelaar met een oliehouder of reservoir er bovenop, en zeven lampen die gedragen worden door zeven armen.
De lampen worden met olie gevoed door toevoerbuizen die vanaf de oliehouders erheen lopen.
Verder ziet hij naast de kandelaar aan weerszijden een olijfboom.
Uit de verzen 11 en 12 wordt duidelijk dat de twee olijfbomen met de kandelaar zijn verbonden en wel zodanig dat zij, door middel van een takje hetwelk dienst doet als gootje, de oliehouder voortdurend van olijfolie voorzien.
De zeven-armige kandelaar was aan de profeet zeer zeker niet onbekend omdat hij wist dat dit een van de heilige zaken uit de tabernakel of tempel was.
Echter hetgeen daar bij stond was hem niet geheel duidelijk.
Hij wist toch dat de kandelaar in het Heiligdom door de priesters steeds met olie werd gevuld en aangestoken.Ex.25:31-40.
Wij herinneren ons, dat de opbouw van de tempel geregeld gepaard ging met allerlei moeilijkheden en dat de tegenstand dikwijls zeer groot was.
De visioenen moesten dienen om het volk te ondersteunen in het voortzetten van de bouw, door de wetenschap dat het Gods wil was en dat Hij hen daarin zou helpen.
Om dit goed te kunnen begrijpen is het voor ons zeer nuttig om hierbij ook de profetieën van de profeet Haggaï eens door te lezen omdat deze in dezelfde tijd leefde als Zacharia en óók profeteerde over de opbouw van de tempel en alles wat daarmede in verband stond.
Met het visioen van de kandelaar, die diende om de tempel te verlichten, maakt de Heer aan Zijn volk bekend dat de dag zou komen dat de dienst des Heren weer in Zijn Heiligdom zou plaatsvinden.
Leverde de kandelaar op zich, voor de profeet geen problemen op, die twee olijfbomen aan weerszijden waren voor hem een raadsel, en hij wendt zich daarom tot de uitleg-engel met de vraag: "Mijn Here wat zijn deze dingen?"
De engel beantwoord de vraag met te zeggen: "Weet gij niet wat deze dingen zijn?".
De herhaling had klaarblijkelijk de bedoeling om de profeet, en, misschien nog veel meer óns, te bepalen bij die twee olijfbomen.
Wat hij verder nog als antwoord van de engel te horen krijgt maakt hem de zaak waarnaar hij vroeg, wel niet duidelijker, maar het is wel van grote betekenis betreffende de inhoud van het visioen, want de engel antwoord: "Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel, zeggende: niet door kracht, noch door geweld,maar door Mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Here der Heirscharen."
Zerubbabel was de vorst van Juda en de opbouw van de Tempel geschiedde onder zijn leiding; doch het zou God Zélf zijn, Die door Zijn Geest dit tot stand zou brengen.
Zo spreekt de Here God door Zijn knecht Haggaï: "Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij het nu? Is dit niet als niets in uwe ogen? Doch nu wees sterk gij Zerubbabel! spreekt de Here en wees sterk, gij Jozua, zoon van Jojadak, hogepriester! en wees sterk al gij volk des lands,spreekt de Here der heirscharen. Met het woord in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrok en Mijn Geest, staande in het midden van u: Vreest niet." Haggaï 2: 4-6.
Het is ontroerend zoals de Here God hier spreekt, want bij de herbouw van de tempel herinnert de Here God Zijn volk aan Zijn verbond dat Hij met hetzelve gesloten had nadat Hij het uit Egypteland, het diensthuis,had uitgevoerd en gebracht had tot aan de Horeb alwaar het de Wet ontving en Hij het verhief tot het volk des Heren.
Jesaja 63:10 vv, zegt dat de Geest des Heren in het midden van Israël was op de weg in de woestijn en in het land Kanaän; dat de Geest des Heren destijds geschonken was aan Mozes en Jozua en aan andere leidsmannen, ja, dat de Heilige Geest door Zijn inwerking de feitelijke Leidsman was van Zijn volk.!!!
En daarom, wanneer hier gezegd wordt: "Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld,maar door Mijnen Geest zal het geschieden", dan kunnen wij daaruit begrijpen dat thans opnieuw de Geest Gods zowel de leidslieden als het volk zal aangorden om dit werk te volbrengen want het is de Geest Gods Die het doet en daarom noemen wij het "het werk des Heren".
Vers 7
"Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld".
Welke berg kan hier nu bedoeld zijn?
Eén van de bergen in het land van Juda of daarbuiten?
Of een of ander machtig koninkrijk in die dagen?
Noch een of andere berg, noch een rijk dat zijn macht wil vergroten, wordt hier met deze berg bedoeld. Neen, de grote berg was de opeenhoping van de velerlei tegenslagen, moeiten en bezwaren die er onder de teruggekeerde ballingen waren tot de herbouw van de tempel.
Onvoldoende krachten en geen bekwame vaklieden; geen hout van de vereiste kwaliteit; geen zilver en geen goud voor de bekleding, enz.
Maar, hier werd geloof gevraagd, geloof dat bergen kan verzetten,zoals de Here Jezus zegt in Mattheus 17:20: "Zo gij het geloof had als een mosterdzaadje, gij zoudt tot deze berg zeggen: ga heen van hier derwaarts en hij zal heengaan en niets zal u onmogelijk zijn".
Wanneer de apostel Paulus in 1 Korinthe 13 spreekt over het geloof dat bergen kan verzetten, dan bedoelt hij dát geloof dat in moeilijke omstandigheden een volkomen vertrouwen toont en dat tot de overwinning voert.
Hier werd dus van het oude Juda geloof gevraagd om alle werkelijk bestaande moeilijkheden te kunnen overwinnen; en dat geloof werd ondersteund door de verzekering: "wie zijt gij o grote berg, voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld"; en, dat geloof werd bekroond met de belofte in vers 9: "de handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest. Zijn handen zullen het ook vol-enden".
Vers 10:
"Want wie veracht de dag der kleine dingen??"
Een blijk van hetgeen hier gezegd wordt vinden wij in Haggaï 2:4 alwaar wij de Heer horen zeggen: "Wie is er onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft en hoedanig ziet gij het nu? Is dit niet als niets in uwe ogen?"
Omdat er in vers 10 gezegd wordt dat het tinnen gewicht wordt gezien in de hand van Zerubbabel, is het zeer waarschijnlijk dat de bouw van de tempel toen nog pas in de fundering lag.
Het tinnen gewicht is het schietlood dat de bouwmeester gebruikt om bij de opbouw na te gaan of alles "in het lood" staat. zie hiervoor ook Ezra 3:10-13.
"Want wie veracht de dag der kleine dingen?", zo luidt hier de vraag des Heren; en, deze vraag houdt in, dat er nog een teveel omzien is op de kleinheid en het onvermogen van het menselijk kunnen.
Hiermede menen wij dat wij dit visioen met betrekking tot de opbouw van de stoffelijke tempel hebben besproken.
Wij mochten zien, dat de Here God voor dien tijd door Zijn knecht Zacharia openbaarde dat het alles zou geschieden door de werking van de Geest Gods, en door de mens als een instrument in de hand Gods het werk zou verricht worden.
Intussen hebben wij ook geconstateerd dat er enkele zaken in voorkwamen waaraan wij stilzwijgend aan voorbij moesten gaan omdat wij de vervulling daarvan in dien tijd niet konden aanwijzen.
Zoals wij reeds eerder zeiden, in de herbouw van de geestelijke tempel vinden de visioenen van Zacharia eerst hun eigenlijke en volkomen vervulling. In feite heeft Zacharia met deze visioenen ons meer bediend dan zijn tijdgenoten.1 Petr.1:10-12
En nu willen wij overgaan tot het bespreken van het visioen in verband met de herbouw van de geestelijke tempel.
Een mededeling in het eerste vers zet ons al meteen voor een bijzonderheid of uitzondering.
Want, alle visioenen van Zacharia beginnen met de mededeling: "en ik hief mijn ogen op en ik zag...."
Hier echter, bij dit vijfde visioen, wordt dit visioen ingeleid met de woorden: "En de engel die met mij sprak wekte mij op, gelijk een man die van zijn slaap opgewekt wordt en hij zeide tot mij: Wat ziet gij?"
Hier wordt niet gezegd dat Zacharia uit zijn slaap wordt opgewekt, maar wel, dat hij voor het visioen wordt opgewekt gelijk een man, die uit zijn slaap wordt opgewekt. Het betreft hier dan geen gewone, natuurlijke slaap, maar een geestelijke slaap.
De Kerk was in een geestelijke slaap toen de kandelaar werd weggenomen.
Doordat de Geest was uitgeblust was men in een geestelijke slaap gevallen en gekomen tot een toestand zoals die wordt beschreven in Zacharia 10:2: "Want de terafim spreken ijdelheid en de waarzeggers zien valsheid en zij spreken ijdele dromen. Zij troosten met ijdelheid, daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden,want er was geen herder."
Doordat men niet had gewaakt, was men in slaap gevallen, en, in die slaap kreeg men ook nog dromen, doch dit waren ijdele, valse dromen.
Doordat men niet waakzaam was geweest was men in een geestelijke slaap gevallen en verstond men niet meer wat men nodig had.
Uit die slaap moest de Kerk opgewekt worden en daarom vangt dit visioen aan met de mededeling dat Zacharia wordt opgewekt gelijk een man die van zijn slaap opgewekt wordt, om kennis te nemen van dat wat de Heer toonde.
En, wát zag hij?
Een geheel gouden kandelaar.!
Het licht en leven des Heiligen Geestes in de Kerk.
In onze bespreking van het vorige visioen ontmoetten wij, hfdst.3:9, een steen die door de Heer werd gelegd voor het aangezicht van Jozua.
Wij zijn toen aan deze bijbel-plaats stilzwijgend voorbij gegaan met de belofte, dat wij, als wij in het volgende visioen de steen weder zouden ontmoeten, er dan onze aandacht aan zouden besteden.
Hier, in hoofdstuk 4:7, wordt er wederom over die steen gesproken.
Bij de behandeling hiervoren van de stoffelijke tempel, hebben wij niets over deze steen gezegd omdat deze steen niet werkelijk, niet reeël, in de tempel aanwezig was, doch wél in de geestelijke tempel, de Kerk van Jezus Christus.
Deze steen is de steen Israëls, volgens Genesis 49:24, de Goede Herder die door Jozef, de zoon van Jacob werd afgebeeld in Zijn lijden, sterven en opstanding om een groot volk in leven te houden. Genesis 45:7
De steen, die éénmaal álle koninkrijken der wereld zal vermalen tot stof en het eeuwige koninkrijk van God daarvoor in de plaats zal stellen. Daniel 2:35
De steen, die door de tempelbouwers van Israël verachtelijk een plaats werd ontzegd Ps.118:2 maar die tot een hoofd des hoeks is geworden van het geestelijke Huis Gods.
Ja, deze hoek, hoofd, en kroonsteen is de Here Jezus Christus waarop de gehele geestelijke tempel is gegrondvest; het fundament waarop het gehele Godsgebouw moet rusten.
Als hoeksteen houdt Hij de muren van de fundering tesamen in hunne voegen. Zacharia 10:4.
Op die steen zullen zeven ogen wezen, zo lezen wij in Zacharia 3:9 en wat die zeven ogen op de steen zijn en betekenen, dat maakt de Heer aan ons bekend in Jesaja 11:2 :
"want op Hem", het rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï, "zal de Geest des Heren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des Raads en der Sterkte, de Geest der Kennis en der vreze des Heren".
De Apostel Johannes ziet in zijn visioen op het eiland Patmos: "een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven ogen, dewelke zijn de zeven geesten, Die uitgezonden zijn in alle landen". Openbaring 5:6.
In Openbaring 4:5 worden deze zeven Geesten genoemd: "zeven vurige lampen, brandende voor de troon Gods."
Verder wordt er van die steen in hoofdstuk 3:9 nog gezegd: "Zie, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de Here der heirscharen en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op één dag wegnemen".
Wanneer wij ons nu afvragen wat het dan wel zal zijn wat er in deze steen zo onuitwisbaar ingegrift wordt, dan vinden wij het antwoord daarop in hoofdstuk 4:7: "Want hij zal de hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!"
Genade, dát is het wat in de steen door de Here God is gegraveerd. In dat woord genade ligt de gehele openbaring van de Here Jezus Christus opgesloten.
En, de zin die daarop volgt, die bevestigd dit: "en Ik zal de ongerechtigheid des lands op één dag wegnemen."
Want de Heer heeft door Zijn kruisdood onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen want Hij heeft de ongerechtigheid verzoend en een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Dan.9:24.
Wat ons in dit visioen in het bijzonder opvalt, is, dat de Geest Gods hier als voornaamste werkzaam is, want wij zien de kandelaar met zijn zeven lampen, de steen met de zeven ogen en de twee olijfbomen die olie afgieten, en, bovendien horen wij nadrukkelijk zeggen: "Noch door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Here der heirscharen".
Toen de Here Jezus was opgevaren: "tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en tot uw God", wilde Hij alles wat Hij voor de Zijnen had aangebracht, ook in hen tot stand brengen; en, om dit te kunnen doen was het nodig dat de Heilige Geest tot de mens werd gezonden.
Dáárom was het nut dat de Heer heenging, want anders kon de Trooster, de Heilige Geest, niet komen.
In een gesprek dat de Heer met Zijn dicipelen had, horen wij Hem zeggen in Johannes 14:21: "Die Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft en die Mij liefheeft,zal van Mijn Vader geliefd worden en Ik zal hem liefhebben en Ik zal Mijzelve aan hem openbaren. Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Here, wat is het, dat Gij Uzelve aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Jezus ntwoordde en zeide tot hem: zo iemand Mij liefheeft die zal Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken".
En, op de dag van het Pinksterfeest, toen de Heilige Geest werd uitgestort, is deze belofte in vervulling gegaan want door de uitstorting van de Heilige Geest heeft de Here God woning bij de Zijnen gemaakt en zij werden daardoor de geestelijke tempel Gods.
In Efeze 2: 19-22 staat: "Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader. Zo zijt gij niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, op welke ook gij medegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest."
En, op deze fundamentele grondlegging van het geestelijke Godsgebouw wordt in dit visioen de nadruk gelegd, want de profeet ziet een geheel gouden kandelaar.
Volgens de verklaring van de Heer Zélf in Openbaring 1:20, is de kandelaar het beeld van de gemeente, van de Kerk van Jezus Christus.
Een kandelaar dient om het licht te verspreiden.
De Heer Jezus zegt in Mattheus 5:14, tot Zijn dicipelen: "Gij zijt het licht der wereld, een stad boven op een berg liggende kan niet verborgen zijn, noch steekt men een kaars aan en zet die onder de korenmaat, maar op een kandelaar en zij schijnt allen die in het huis zijn."
Om licht te kunnen verspreiden moest de kandelaar gevoed worden met olijfolie. Lev.24:2.
De olie is het beeld van de Heilige Geest, doch Zacharia ziet bij de kandelaar iets heel bijzonders.!
Hij ziet namelijk aan weerszijden van de kandelaar een olijfboom, en, deze twee bomen voorzagen de oliehouder van de kandelaar van olie.
Dit geschiedde door middel van een tak, waardoor de olie als het ware door een pijp in de oliehouder vloeide.
Wanneer Zacharia aan de uitlegger vraagt: "Wat zijn deze twee olijfbomen te rechterzijde des kandelaars en aan de linkerzijde?", dan ontvangt hij als antwoord: vrs.14; "deze zijn de twee olietakken welke voor de Heer der ganse aarde staan".
Op bladzijde 556 van het Boek voor Onzen Tijd, wordt er over de kandelaar met de twee olijfbomen verklarend geschreven en gezegd dat de kandelaar de gemeente voorstelt en de twee olijfbomen de twee ambten die haar geestelijk leven voeden en die haar licht onderhouden.
De engel noemt ze daarom in Zacharia 4:14: de oliezonen.
Van veel belang is het, dat wij opmerken dat de uitleg-engel, als hij spreekt over de twee olietakken, er op laat volgen: "die voor de Heer der ganse aarde staan"; want, dat wil zeggen, van God uitgaande. En, dát betekent dan dat God Zelf de eigenlijke voeder van de kandelaar is door middel van deze olijfbomen en oliezonen.!
Deze voorstelling gaat dan parallel met de beschrijving die wij hierboven reeds gaven van de grondslag van de geestelijke tempel in Efeze 2:20: "gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is".
Het fundament is Jezus Christus, en Hij alléén, waarop alles is gebouwd, doch Hij werkt door de bediening van de gave van het Apostelambt op aarde Zijn zegen uit aan allen die gehoor willen geven aan Zijn roepstem.
Johannes de Doper sprak, toen hij doopte aan de oever van de Jordaan: "Ik doop u wel met water tot bekering, maar Die na mij komt,is sterker dan Hij wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen, Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen." Mattheus 3:11.
De Here Jezus, de Doper met de Heilige Geest, heeft dit echter aan Zijn apostelen opgedragen Hand.8:14-17.
Zij zijn de olijfboom ter rechterzijde van de kandelaar.
Wij lezen in Efeze 4, dat de Here Jezus, Die is opgevaren in de hemel, heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars.
Máár, hóe deed de opgevaren Heer zoiets?
Door de gave van het profetenambt, zoals wij dit bij voorbeeld kunnen lezen in Handelingen 13:1,2.
Betreffende een roeping tot de priesterlijke bediening staat er in Hebreeën 5:4 geschreven: "En niemand matige zichzelve die eer aan, maar die geroepen wordt gelijkerwijs Aäron".
Wij weten dat deze dienstknecht door Mozes werd geroepen.
En, Mozes was een profeet!.
Terwijl de Here Jezus omringd was door Zijn twaalf apostelen, zeide Hij: "Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden". Lukas 11:49.
Deze heeft Hij ook gezonden nadat Hij ten hemel was gevaren.Hij was en bleef de Zender van Zijn dienaren, want Hij riep hen door de Heilige Geest door de bediening van Zijn profeten in de Kerk.
Zij zijn de olijfboom ter linkerzijde van de kandelaar.
De twee olijfbomen zijn de oliezonen die voor de Heer der ganse Kerk staan.
De Heilige Geest werkt daardoor, direct van de Koning der Kerk uitgaande in de kandelaar om Zijn licht te verspreiden in de ambten en de gaven.
De kandelaar diende in de stoffelijke tempel om deze te verlichten, en, hij is dus het type van het licht des Geestes in de geestelijke tempel.
Zó werkt de Heer der Kerk Zijn zegen uit in de door Hemzelf geroepen ambtsdragers. Hij geeft aan Zijn evangelisten een verlicht verstand opdat zij de heerlijke boodschap kunnen verkondigen en aan Zijn herders geeft Hij een zachtmoedige wijsheid om de schapen der kudde des Heren te kunnen verzorgen.
De kandelaar moet een helder licht verspreiden, en, waarin en waaruit dit bestaat, dat willen wij nog verder gaan bezien.
In het 7e vers van ons hoofdstuk wordt ons de grondsteen getoond en in het 9e vers van het vorige hoofdstuk wordt ons medegedeeld dat op die steen zeven ogen waren, en, zoals reeds eerder opgemerkt is deze steen het type van Jezus Christus, de grondsteen van het Godsgebouw.
Doordat wij in dit visioen speciaal bij de kandelaar worden bepaald, waarbij wij in het bijzonder worden gewezen op het werk van de Heilige Geest in de Kerk, ontvangen wij hier dus óók de mededeling dat op deze steen zeven ogen waren, want die zeven ogen wijzen ons op de zeven geesten Gods.
In Openbaring 5:6, wordt ons een Lam getoond, staande als geslacht en hebbende zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods die uitgezonden zijn in alle landen.
Het geslachte Lam is Jezus Christus; Hij bezat de Geest Gods niet met mate, maar in volheid zoals Jesaja reeds profeteerde in hoofdstuk 11:2.
De zeven ogen zijn de zeven horens, of krachten of machten, van de Heilige Geest. Doordat deze zijn uitgezonden in alle landen mogen wij daaruit begrijpen dat de Here God deze gaven en krachten heeft gegeven aan de mens, uiteraard niet in volheid maar met mate. zie 1 Korinthe 13:9.
In Openbaring 4:5 wordt óók over de zeven Geesten Gods gesproken, doch dáar worden ze zeven vurige lampen genoemd. Oók op de kandelaar zijn zeven vurige of brandende lampen. Dit zijn de zeven Geesten of gaven en krachten van de Heilige Geest aan de Kerk geschonken.
De Apostel Paulus beschrijft deze gaven in 1 Korinthe 12 en noemt ze achtereenvolgens op, namelijk:
Zó was de gemeente in de aanvang een hel lichtende gouden kandelaar, "hebbende verscheidenheid der gaven en bedieningewn, gewerkt door dezelfde geest en gegeven door dezelfde Here en God, Die alles in allen werkt."
Helaas is de Kerk daarin niet getrouw gebleven maar heeft haar eerste liefde verlaten volgens Openbaring 2:4,5.
In de verklaring van de Openbaring wordt in het Boek voor Onzen Tijd, op bladzijde 556 hierover gezegd dat de bedreiging van Christus in de derde eeuw in vervulling is gegaan en dat wij in de Openbaring door alle tijdvakken heen, de kandelaar en zelfs het woord niet eerder terugvinden dan daar, waar van de Twee Getuigen in de laatste tijd gesproken wordt.Op.11:4
Eerst in díe tijd moet de kandelaar dus teruggegeven zijn; en, omdat in de Openbaring, in het zevende tijdvak, wordt gezegd dat de twee Getuigen de twee olijfbomen en de twee kandelaren zijn die voor de God der aarde staan, moet het wel ten tijde van de spade-regen zijn. Zacharia 10:1.
Het is verder opmerkelijk dat er nergens anders in Gods Woord wordt gesproken over de twee olijfbomen dan in Zacharia 4 en in Openbaring 11.
De overeenstemming en de vervulling van het een met het ander moet aan ons toch wel de overtuiging geven dat in het zevende tijdvak: dat is in de tijd waarin wij nu leven, de Kerk in haar oorsprong hersteld zou worden.
De Apostolische Kerk, die in 1830 in Engeland ontstond, is in haar optreden daardoor duidelijk als een werk van de Here God te herkennen.
Daarbij moeten wij echter ook een zeer belangrijk verschil constateren, namelijk dat in er in Openbaring 11 wordt gesproken over twee kandelaren terwijl Zacharia 4 over een kandelaar spreekt.
Apostel Schwartz geeft hiervoor in het B.v.o.Tijd op bladzijde 558-563, de verklaring dat de Katholiek Apostolische Kerk, de zgn. oude ordening, de éne kandelaar is met haar apostelen en profeten als de twee olijfbomen aan de rechter en de linkerzijde en de Hersteld Apostolische Zendingkerk als de andere kandelaar eveneens met haar apostelen en profeten als de twee olijfbomen aan de rechter- en aan de linkerzijde.
Deze beide kerken vormen dan de twee Getuigen.!
Aangezien de eérstgenoemde, toen apostel Schwartz dit schreef, toen nog de bedieningen van de twee olijfbomen bezat, was deze verklaring van hem wel zeer aannemelijk.
Echter door het sterven der dienaren en het niet weder aanvullen van de opengevallen plaatsen is de priesterlijke bediening in de Katholiek Apostolische Kerk zo goed als geheel verdwenen.
Doordat zij geen apostelen en profeten meer heeft, hebben aldaar de twee olijfbomen opgehouden te bestaan.
Evenals de Kerk eeuwenlang heeft geteerd op hetgeen zij eenmaal bezat, zo vergaat het haar nu ook, want zij leeft op hetgeen zij eenmaal bezat. Indien er niet bijtijds redding daagt, dan zullen ook daar de lampen uitgaan.
Een andere gedachte is, dat men de twee kandelaren als de twee Getuigen ook zó zou kunnen verstaan, dat de één de andere is opgevolgd.
Omdat de Katholiek Apostolische Kerk niet heeft gewaakt, heeft de Heer Zijn werk voortgezet in de Hersteld Apostolische Zendingkerk.
Maar, hoe het zij, wij zien in deze gang van zaken dat de Heer niet heeft verlaten het werk dat Hij éénmaal begonnen is.
Letten wij eens op, op hetgeen in ons hoofdstuk tegen Zerubbabel gezegd wordt. Deze Zerubbabel was de vorst uit het geslacht van David, en de herbouw van de Tempel stond onder zijn leiding.
Zerubbabel als zodanig, is het type van de Heer Jezus Christus.
In de uitspraak van Gods belofte, vervat in het negende vers van ons hoofdstuk: "De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden", hebben wij de verzekering van God verkregen dat, zo waarachtig Hij, Jezus Christus, het Hoofd der Kerk, dit werk van de geestelijke tempel eenmaal, bij de aanvang van het zevende tijdvak, is begonnen, Hij het óók zal voleinden, en geve de Heer dat wij, u en ik, óók in die voleinding zijn begrepen.