aflevering 4.
Als vervolg op het eerste en het tweede visioen, gaan wij nu over tot de behandeling van het derde visioen zoals dat beschreven is in Zacharia 2.
Dit visioen handelt over het meten van de stad Jeruzalem.
Bij het eerste visioen, dat van de ruiters tussen de mirten, kwam de belofte: "Daarom zegt de Here alzo:Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen, Mijnhuis zal daarin gebouwd worden, spreekt de Here, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden". hoofdst. 1:16.
Hier, in dit derde visioen, ziet de profeet een man met een meetsnoer in zijn hand; met richtsnoer en meetsnoer wordt hetzelfde bedoeld want het is een snoer of koord om iets op te meten.
Wanneer Zacharia aan die man vraagt waar hij henengaat, krijgt hij als antwoord: "Om Jeruzalem te meten, om te zien, hoe groot haar breedte en hoe groot haar lengte wezen zal".
Jeruzalem moest duchtig onderhanden genomen worden. Er moest afgebroken, hersteld of geheel vernieuwd worden, en, de bouwheer gaat nu vaststellen wát er nog goed is en wát er moet worden afgebroken of vernieuwd en hij gebruikt hierbij het meetsnoer of de meetstok.
Hoe het in die tijd met Jeruzalem gesteld was, dat kunnen wij lezen in Nehemia 2:11-18, alwaar Nehemia beschrijft hoe hij met enkele mannen een inspectietocht hield.
Gaande van poort tot poort, onderzocht hij de muren en constateerde dat zij in een zeer slechte staat waren want zij zaten vol met scheuren en sommige stukken zaten zó los, dat hij ze met de handen kon afbreken, en de poorten waren geheel of gedeeltelijk verbrand.
Na zijn inspectietocht ging hij naar de overheid van de stad en sprak: "Gijlieden ziet de ellende waarin wij zijn, dat Jeruzalem verwoest is en haar poorten met vuur verbrand zijn".
Stad en Tempel waren verwoest, Jeruzalem en Sion, de centrale plaats waar God woonde temidden van Zijn volk.
Het was de plaats waarover de Here God reeds in de woestijn tot Mozes had gesproken dat, wanneer zij in het land Kanaän zouden zijn gekomen, zij dan niet zouden doen zoals de volken deden,die vóór hen het land bewoond hadden; want deze hadden overal hun altaren en hun opgerichte beelden, onder alle groene boom en geplekte hoogten.
Maar, Zijn volk zou opgaan naar die plaats die de Here verkiezen zou uit alle de stammen.
Dáárheen zouden zij optrekken en dáárheen zouden zij hun brandofferen en slachtofferen, hun tienden en het hefoffer, hun vrijwillige offers en de eerstgeborenen hunner runderen en schapen brengen. Deut.12; Deut.14:23; Deut.15:20; Deut.16:6,7,11.
Maar de Heer was nu tot Jeruzalem wedergekeerd ,met ontfermingen, "want de Heer zou Sion nog troosten en Jeruzalem nog verkiezen" 1:17.
Tot een goed begrip willen wij dit tweede hoofdstuk niet bespreken in de volgorde van de teksten, doch volgens de loop van de gebeurtenissen, en daarom zullen wij eerst behandelen de teksten 1:2 en 6-9 en daarna pas de verzen 3-5en 10-12.
Het meten van Jeruzalem, hier door Zacharia in dit visioen gezien, is het type of schaduwbeeld van de tempelmeting die ons in Openbaring 11:2 beschreven wordt.
Nadat apostel Johannes, de ziener op Patmos, in het voorgaande vers de opdracht had gekregen: "Gij moet wederom profeteren voor alle volken, natiën en koningen", wordt aan hem een meetstok gegeven met de woorden: "Meet de tempel Gods en het altaar en degenen, die daarin aanbidden."
Johannes zelf kon dit niet doen want hij zag slechts een visioen en hij leefde in de begintijd van de Kerk; doch dít werd het werk van de apostelen van Jezus Christus in de eindtijd, bij de herbouw van de geestelijke tempel.
Deze Apostelen, geroepen door de Heilige Geest in de Apostolische Kerk in Engeland, ontvingen door profetie de opdracht om uit te gaan en de verschillende kerk-afdelingen in de christenheid te bezoeken en aldaar de leer, de geloofsbelijdenis, alsmede het bestuur, de geestelijkheid, de diensten,enz.; en, dit alles te meten met de maatstok van Gods Woord: de Bijbel.
Nu is het best mogelijk dat er bij de lezer enig bezwaar opkomt omdat wij in het meten van de tempel en het meten van Jeruzalem één en hetzélfde werk zien.
Wij moeten hier echter bedenken, dat Sion, waar de tempel stond, met de stad Jeruzalem één geheel uitmaakte, want beiden lagen in dezelfde ommuurde gordel van de stad.
Zoals wij hierboven reeds zeiden, was Jeruzalem de plaats die de Heer verkoren had uit alle stammen, aldáár zou Gods volk de Heer ontmoeten en aan Hem hun offers brengen.
Jeruzalem is de Gods-stad, want Psalm 122 zegt: "Ik verblijd mij in degenen die tot mij zeggen: wij zullen in het huis des Heren gaan; onze voeten zijn staande in uwe poorten, o, Jeruzalem!"
Met deze korte toelichting zal het voor ons allen duidelijk zijn dat de christenheid zowel de geestelijke tempel als het geestelijke Jeruzalem vormt.
Dit geestelijke Jeruzalem, de gehele christelijke Kerk, moest gemeten worden met de maatstaf van het christelijk geloof: de Bijbel.
Dit moest geschieden in het zevende tijdvak, en wel in de aanvang daarvan.
In het Boek voor Onzen Tijd, blz.381-391, wordt deze meting aan ons beschreven.
Onderzocht moest worden: de mate van de wasdom in Christus; in hoeverre de christelijke Kerken van de zevende tijd, de gemeente van Laodicéa, nog behoren tot de kerk van Jezus Christus; en hoéveel er van de oorspronkelijke Kerk nog in haar was overgebleven.
De Kerk in het eerste tijdvak was, volgens de belofte des Heren, een wáre Christusregering omdat Hijzélf de gemeente bestuurde als haar Levende Hoofd en omdat Hij Zijn macht uitoefende niet door dode, maar door levende apostelen en profeten.
Ten opzichte van de vergelijking bij de tempel Gods, waren van dit gebouw de levende apostelen en profeten het fundament en Christus Zélf de Hoofd- of Sluitsteen waardoor het gehele gebouw bijeen werd gehouden. De gemeenteleden vormden de levende stenen van dit gebouw.
Van de gemeente, zijnde het lichaam van Christus, was Hijzelf het regerende Hoofd; tot haar sprekende door de Heilige Geest door profeterende personen en haar besturende en leidende door Zijn vier ambtsbedieningen die door Hemzelf daartoe werden geroepen.
Bovendien bezat zij, de Kerk, de gaven van de Heilige Geest die door de handoplegging der apostelen in haar gelovigen inwonende was ontvangen.
De Christelijke Kerk daarbij vergelijkend, vinden zij in de Roomse Kerk de Paus als stedehouder van Christus; door kardinalen gekozen, en, de wereldlijke en geestelijke macht in één hand verenigende.
In de Griekse Kerk treffen zij de keizer van Rusland aan die zichzelf tot opperpriester heeft verklaard en door wie de geestelijke en wereldse macht wordt samengebonden.
Wat de Protestantse Kerk aangaat, in verschillende landen is het hoofd der Staat tevens hoofd der Kerk waardoor ook deze een Staatskerk geworden is.
Haar Synoden hebben dezelfde macht als bij de Roomsen de Concilies.
Bovendien is zij verdeeld in velerlei kerkgenootschappen die elkaar verketteren; kortom, in één woord, alle mogelijke zaken worden er door hen gevonden in Roomse, Griekse, Lutherse,Gereformeerde en andere Christelijke kerken, doch nergens vinden zij de Kerk zoals hij door de Heer in haar oorspronkelijke vorm was ingericht.!
Nergens één Tempel, maar overal kapelletjes in de scheuren van de uiteengebarsten tempel, of, volgens het beeld van ons onderwerp, géén Jeruzalem als een stad die wél gebouwd en wél samengevoegd is, doch een stad vol bouwvallen, brokken en scheuren.
"Meet het altaar en degenen, die in de tempel aanbidden" Openbaring 11: 1b.
Dit betreft dan het onderzoek naar de belijdenis en de aanbidding op zichzelf.
De maatstok is hier: "De zaligheid is in geen andere dan in Jezus Christus".
Welnu, zowel in de Roomse als in de Griekse Kerk vonden de plaatsbekleders van Johannes, náást en mét en bóven Jezus Christus, allerlei heiligen en bóven allen en alles uit, de naam van Maria.
En, verwachtende wat beters te vinden in de Protestantse kerken werden zij óók dáárin teleurgesteld.
Oók dáár vonden zij geen zuiver Evangelie der zaligheid, maar velerlei namen die elkander onderling over het Evangelie der Waarheid bestreden en, vanwege de onreine geesten de Kerk hadden verontreinigd en haar gemaakt hadden tot een stad die in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon, wat wil zeggen: de éénmaal heilige stad is verscheurd en verdeeld. Openbaring 16:16; Efeze 2:22; Hebreeën 12:22.
Dit was dan het beeld van het geestelijke Jeruzalem, van de gehele christelijke Kerk.
Géén Jeruzalem dat wél gebouwd, wél samengevoegd is Ps.122,maar overal waar er gemeten werd, nergens beantwoordde het aan de maatstok van Gods Woord.
In de Kerkgeschiedenis van Mr.J.W.van Loon, op blz 409, vinden wij deze meting als volgt vermeld:
"De Algemene Apostolische Kerk beweert, dat op bevel des Heren, elf der twaalf apostelen vanuit Engeland werden uitgezonden om de christelijke leer te onderzoeken in elf landen: Rusland; Zweden; Noorwegen; Duitsland; Griekenland; Italië; Spanje; Portugal; Nederland; Denemarken; Frankrijk; en Zwitserland. Volgens het bevel, dat zij na verloop van 1260 dagen zouden terugkeren, vertrokken zij op 7 juli 1835 en kwamen allen tegelijk weder terug op 25 december 1838. (1260 dagen)."
Dit was een uniek gebeuren, want van een dergelijk onderzoek wordt in geen enkele Kerk of groep of één of andere commissie enige melding gemaakt.!!
Nu de verzen 6 en 7: "Hui! Hui! vliedt toch uit het noorderland, spreekt de Here, want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de Here. Hui Sion! ontkom, gij die woont bij de dochter van Babel".
Ná de meting volgt, in aansluiting daarop, deze oproep des Heren tot Zijn volk; te weten het Joodse volk, dat zich nog talrijk in Babel bevindt; zij hadden aan het verlof om Babel te verlaten en naar hun eigen land terug te keren, geen gevolg gegeven.
Zij waren geheel gewend aan het wonen in Babel en hadden aldaar een werkkring of een bedrijf waarvan zij konden leven, en, de terugkeer naar hun eigen land gaf allerlei moeilijkheden en bezwaren, zorgen en ontberingen; tevens stond men dan voor het feit dat ze in eigen land weer geheel opnieuw moesten beginnen.
Nee, zij bleven liever in Babel, want kennelijk was bij deze Joden de gedachte aan Jeruzalem niet zo hevig als van hen die evenals de Psalmdichter uitriepen: "Indien ik u vergeet, o, Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelve".
Máar, met een krachtige roepstem zegt de Heer: "Vliedt toch uit het noorderland".
Weliswaar lag Babel ten opzichte van Palestina ten Oosten, doch de grote verkeersweg daarheen liep in Palestina naar het noorden en hierdoor lag Babel voor het begrip der Joden in het noorden.
Op dit begrip sluit de Geest Gods Zich aan. zie Jer.1: 14-16.
Het 7e vers laat hierover geen twijfel want Babel wordt hier met name genoemd.
Als de Heer zegt: "want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels", dan wil Hij daarmede zeggen dat Hij destijds had toegelaten dat Zijn volk naar Babel werd weggevoerd en over geheel Babylonië werd verspreid.
Maar, merken wij nu op hóe de Heer hen met Zijn oproep aanspreekt; Hij spreekt hen aan met "SION"; binnen Jeruzalem lag Sion waar de Tempel des Heren stond.
De Heer bepaalde hen daardoor bij de plaats die Hij had uitverkoren om aldaar Zijn volk te ontmoeten.
Sion moest herbouwd worden, de Tempel des Heren te Jeruzalem moest worden hersteld.
Mijn volk, blijf dan niet te Babel, maar kom en keer weder.!!
Maar, merken wij dan op: het is niet alleen een liefelijke uitnodiging tot een terugkeer, maar ook een dringende waarschuwing.
Vlieden, vluchten moeten zij, ontkomen.!
Waarvóor moeten zij dan vluchten en waaráán moeten zij dan ontkomen??
In de verzen 8 en 9 wordt ons dat duidelijk. Het lezen van deze beide verzen is niet zo gemakkelijk, maar de inhoud is als volgt:
"Want zó zegt de Here der Heirscharen, Wiens heerlijkheid mij-- (Zacharia)--gezonden heeft, aangaande die heidenen, die ulieden beroofd hebben, (want wie ulieden aanraakt, die raakt Mijn oogappel aan). Want zie, Ik beweeg Mijn hand tegen hen en zij zullen hun knechten tot een buit worden. Dán zult gijlieden weten dat de Here der Heirscharen mij gezonden heeft."
Hetgeen in deze beide verzen gezegd wordt, dat houdt het oordeel over Babel in want Babel heeft des Heren volk geplunderd.
Volgens 2 Kronieken 36:18,19, roofden zij alle heilige vaten van het huis Gods; de grote en de kleine en de schatten van het Huis des Heren en de schatten des Konings en zijn vorsten. vergelijk Jesaja 39:2.
Zij verbrandden het Huis Gods en braken de muren van Jeruzalem af en al de paleizen daarvan werden met vuur verbrand, verdervende ook alle kostbare vaten derzelve.
En diegenen die uit de strijd overgebleven waren voerden zij weg naar Babel en werden tot knechten en slaven gemaakt.
Als de Heer zegt: "Ik beweeg Mijn hand tegen hen", dan is dat een dreigende handbeweging met opgestoken wijsvinger.
De Heer zal het hun vergelden, want wie Zijn volk aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
Mozes zegt in zijn lied dat hij aan het einde van de woestijnreis maakt, en in dat lied, doelende op de zorgende liefde en bescherming van de Heer tijdens de veertig-jarige omzwerving in de woeste huilende wildernis: "Hij bewaarde hen als Zijn oogappel". Deuter, 32: 10b.
Wij zien hier hoe de Here God met wijsheid het oog, dat zeer kostbare instrument om te kunnen zien, in Zijn schepping beveiligd heeft ingelegd.
Hoe zorgzaam ligt dit zeer tere orgaan opgeborgen tussen het voorhoofdsbeen, het neusbeen en het wangbeen. Wij weten allen uit ervaring dat het oog zó gevoelig is dat het al bij een lichte aanraking begint te tranen en branden en dat wij er dan niets meer mee kunnen zien.
Wanneer de Heer dus zegt, wie Mijn volk aanraakt, die raakt Mijn oogappel aan, dan wil Hij daarmede zeggen dat dát wat men Zijn volk aandoet, dat Hij daar zeer gevoelig voor is; want Hij bemint het volk dat Hij verkoren heeft.
De apostel Paulus schrijft in Romeinen 11:28: "Aangaande de verkiezing zijn wij beminden om der vaderen wil".
Beminden óók, en wel voornamelijk omdat in de schoot van Abrahams zaad de Christus geboren zou worden, waarin de liefde Gods tot alle mensen zou worden geopenbaard.
De gehele heilsgeschiedenis wentelt zich om de genadegift: Jezus Christus.
Ja, zij zullen hun knechten tot een buit worden. De Joden, het volk van God was door Babel knecht geworden, maar Babel zou nu op haar beurt geknecht worden door de Joden.
Uit hoofdstuk 1:15,21, wisten wij reeds dat Babel ten onder zou gaan en om aan dat oordeel over Babel te ontkomen, sprak de Here God tot Zijn volk: "Vliedt toch uit het Noorderland; Sion ontkom!!"
Wenden wij nu onze blik weder tot de Kerk. Ook van de Kerk, het geestelijke Jeruzalem, ging de roepstem uit: "Ga uit Babel, Mijn volk!!".
Immers, vóór de tempelmeting, Openbaring 11:1, werd tot de plaatsvervangers van Johannes in het daaraan voorafgaande vers gezegd: "Gij moet wederom profeteren voor vele volkeren, natiën, talen en koningen".
Wanneer wij dan hier, in Zacharia lezen: "Hui! Hui!, vliedt toch uit het Noorderland, hui, Sion, ontkom, gij die woont bij de dochter van Babel", dan hebben wij dit maar te vergelijken met Openbaringen 18:4 om te zien dat dit hetzelfde getuigenis is, want daar lezen wij: "Gaat uit van haar Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt."
Bij het herstel van het geestelijk Jeruzalem en de herbouw van de Tempel, komt nu de roepstem tot het volk des Heren dat gevangen zit en verspreid is in de vele afdelingen van het geestelijke Babel der verwarring; de christelijke Kerk in al haar grote en kleine afdelingen met haar verschillen van leer en belijdenis; dat het daarin niet zal blijven maar optrekken zal naar Sion, de plaats die de Heer verkoren heeft.
Dat wil zeggen: de Heer te dienen volgens de Schriften.!
Ja, vluchten moeten zij om te ontkomen aan het oordeel en aan de ondergang van Babel; die ondergang, die wordt beschreven in Openbaringen 18.
Nu zijn wij gekomen aan de bespreking van de verzen 3-5 en 10-12.
Vers 3: "En zie, de engel die met mij sprak, ging uit en een andere engel ging uit hem tegemoet."
"De engel die met mij sprak", is de uitleg-engel die ons reeds uit het vorige visioen bekend geworden is.
Maar, óók de engel die hem tegemoet gaat is geen onbekende meer voor ons want zonder twijfel is het de engel uit hoofdstuk 1:12; de voorbiddende engel, de Engel des Verbonds.
Wellicht herinnert u zich wat wij over deze Engel hebben gezegd toen wij het eerste visioen hebben besproken.
Hij is de ongeschapen Engel, het Woord Gods, dat Zich eenmaal ook in het vlees zou openbaren.
Deze gaat de uitleg-engel tegemoet en zegt tot hem:
verzen 4 en 5: "Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden wegens de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden ervan wezen zal. En Ik zal haar wezen, spreekt de Here, een vurige muur rondom en Ik zal wezen in het midden van haar."
De vraag rijst hier: wordt met "deze jongeling" bedoeld de man met het meetsnoer in zijn hand die op weg is om Jeruzalem te meten?
En, houdt dan de boodschap die de uitleg-engel krijgt in feite in, dat hij tot deze man moet zeggen: Houdt op, want de muren hoeven niet meer hersteld te worden want de Here zal voortaan een vurige muur rondom de stad zijn?
Neen, deze uitleg-engel is immers aan Zacharia toegevoegd om de visioenen te verduidelijken.
Als dan die Engel tot de uitleg-engel zegt: "Loop,spreek deze jongeling aan", dan lijdt het geen twijfel of deze jongeling is Zacharia.
Bovendien, dat opmeten en het herstel van Jeruzalem met zijn tempel, zou in die tijd zeker plaats moeten hebben, ja, die visioenen werden juist gegeven om de opbouw en het herstel te stimuleren.!!
Maar, met wélke bedoeling wil dan de Engel dat deze mededeling aan Zacharia wordt gedaan?
Het antwoord hierop is het volgende:
Wat er in de verzen 4 en 5 voorkomt,. is een profetische voorzegging. Terwijl het oude, het verwoeste Jeruzalem moest worden opgemeten om hersteld te worden, sluit de Geest Gods Zich hierbij aan en ziet de voltooiïng van het nieuwe Jeruzalem in de verte opdoemen.
Dat dit hier bedoeld wordt, blijkt duidelijk uit de beschrijving; het zal zeer groot zijn want het zal dorpsgewijze bewoont worden vanwege de veelheid der mensen en der beesten.
De bouw van een stad is een andere dan de bouw van een dorp. Een stad heeft straten waarlangs aaneengesloten huizenrijen en het geheel van de stad wordt, althans oudtijds, omsloten door een muur.
Van een dorp daarentegen liggen de huizen verspreid door de akkers en door de weiden met het vee, die daar tussen liggen. Een dorp is als de regel een uitgestrekt gebied dat uiteraard niet door een muur wordt omsloten.
Zó zal dan óók het Nieuwe Jeruzalem zijn.
Volgens het Boek voor onzen Tijd, bladz.745 zal het nieuwe Jeruzalem geheel Europa beslaan.
Ezechiël 38:10,11, spreekt over Gog en Magog dat deze volken zich aan het einde van het 1000-jarig vrederijk zullen opmaken om op te trekken naar het nieuwe Jeruzalem, de woonplaats der heiligen, de geliefde stad en zegt van deze vijanden van de Here God: "Te dien dage zal het ook geschieden dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen en gij zult een kwade gedachte denken en zeggen: Ik zal optrekken naar het dorpland, Ik zal komen tot degenen die in rust zijn, die zéker wonen,die altemaal wonen zonder muur en grendel noch deuren hebben..."
Dat het nieuwe Jereuzalem dorpsgewijs bewoond zal worden, dat wordt hier dus door Ezechiël bevestigd wanneer hij de heilige stad een dorpland noemt.
En, dat deze heilige stad geen muren zal hebben dat zegt hij duidelijk in de zinsnede: "die altemaal wonen zonder muur en grendel noch deuren hebben."
Maar dat alsdan de Here God een vurige muur rondom Zijn volk zal zijn, dat beschrijft ons Openbaring 20:9 zeer duidelijk.
Ver:s 10
"Juich en verblijdt u, gij dochter Sions, want zie, Ik kom en Ik zal in het midden van u wonen".
Dat zou dan zijn als de tempel weer voltooid en de dienst des Heren in Zijn Huis weer hersteld zou zijn.
Dat zou óók zijn als op het Pinksterfeest de Geest Gods zou nederdalen op de schare der dicipelen in het oude Jeruzalem, want dáár geschiedde de vervulling van de belofte die door de Heer was gedaan in Johannes 14:23: "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken."
Doch niet alle bewoners van het oude Jeruzalem zijn toen overgegaan naar het geestelijke Jeruzalem, de Kerk.
Van dat geestelijker Jeruzalem lezen wij, dat het door de inwoning Gods door de Heilige Geest zou volmaken, om het hemels Jeruzalem te worden; de gemeente der eerstgeborenen die in de hemel opgeschreven zijn. Hebreeën 12:18-24.
Doch, evenals door de ongehoorzaamheid der Joden aan de Wet Gods, het oude Jeruzalem door de oorlogsvlam geteisterd en het volk naar Babel verbannen werd, zo is hetzelfde geschied met de Kerk, het geestelijk Jeruzalem.
Door de ongehoorzaamheid aan de geboden van God, verloor de Kerk haar roeping; werd aardsgezind en kwam toen in een geestelijk Babel terecht.
Echter, door de nederdaling van de spade-regen zond de Here God opnieuw Zijn apostelen uit om door handoplegging de Heilige Geest mede te delen aan de gedoopte volkeren.
Opnieuw werd de belofte waar: "Juich, en verblijdt u, gij dochter Sions, want zie, Ik kom en zal in het midden van u wonen".
Straks zal de verheerlijkte gemeente, de Bruid des Heren, de vrouw des Lams, als het hemelse Jeruzalem met haar Heer nederdalen uit de hemel op de aarde om het nieuwe Jeruzalem te stichten.
Dán wordt het woord vervuld uit Openbaring 21:3:
"En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende:Zie de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen,en zij zullen zijn volk zijn, en God Zélf zal bij hen zijn en hun God zijn."
Opnieuw zal een meting plaats hebben want het nieuwe Jeruzalem zal worden gemeten, maar dan met een gouden meetstok en het resultaat van die meting zal zijn: de lengte en de breedte en de hoogte zijn gelijk, Openbaring 21:15,16; met andere woorden de bedoelingen Gods met de mens zijn bereikt. 1 Korinthe 13:10.
Vers 11:
"En vele heidenen zullen te dien dage aan de Here toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen Ik zal in het midden van u wonen".
Alsdan zal het werk der zending zeer groot zijn want dan zullen de levende wateren uit Jeruzalem vlieten, Zach.14:8, en: "Ik zal zenden tot de heidenen naar Tharsis, Pul en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver afgelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord en Mijn Heiligheid niet gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen de Here ten spijsoffer brengen op paarden en wagens en draagstoelen en op muildieren en snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Here, gelijk de kinderen Israëls het spijsoffer in een rein vat brengen naar het huis des Heren". Jesaja 66:19,20
Ook apostel Paulus noemt het toebrengen van de heidenen tot Christus: "een aangename offerande, geheiligd door de Heilige Geest". Romeinen 15:16.
Vers 12:
"De Here zal Juda erven voor Zijn deel in het Heilige land en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen."
Juda, als eerste stam, zal het heilige land bewonen en Jeruzalem zal de eerste poort zijn van het nieuwe Jeruzalem.
Aldaar zal de troon Davids zijn en de Here zal Koning zijn der ganse aarde.
Vers 13:
"Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des Heren, want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning".
De Here heeft hiermede Zijn Goddelijk raadsbesluit ontvouwd, waarvoor alle vlees, de gehele mensheid, zich zal moeten buigen.
Wordt vervolgd in