Aflevering 3.
Als vervolg op het eerste visioen van Zacharia willen wij nu onze aandacht wijden aan het tweede visioen waarvan wij de beschrijving vinden in Zacharia 1:18-21.
Bij het lezen van dit visioen is de eerste indruk die wij krijgen dat het geen verband houdt met de andere visioenen van Zacharia. Echter bij een nadere beschouwing komen wij tot het inzicht dat ook dít visioen wel degelijk thuishoort in de reeks waarin het is geplaatst.
Dit zal bij de bespreking wel duidelijk worden.
De sleutel tot het begrijpen van dit visioen is te vinden in het 15e vers van het hoofdstuk, waarin de Heer zegt: "Ik ben met zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig maar zij hebben ten kwade geholpen".
Bij de bespreking van het eerste visioen hebben wij van dit woord gezegd, dat Babel ten kwade had geholpen omdat het de straf des Heren over Zijn volk uitvoerde met de gezindtheid die op hun ondergang was gericht.
Maar, weliswaar strafte de Heer Zijn volk, doch Zijn kastijding was toch nog altijd een kastijding der liefde.
Hij noemt ze "de geruste heidenen", omdat zij door de handeling met de Joden blijk gaven dat zij er geen rekening mee hielden dat dit volk dit volk de Almachtige, de God van hemel en aarde diende; en, uit de geschiedenis waren zij toch wel bekend met de God van Israël.
Enige voorbeelden van de gerustheid der Babyloniërs treffen wij aan in het Boek Daniël.
Toen Sadrach, Mesach en Abednego weigerden om het gouden beeld van Nebukadnezar te aan bidden, werden zij in de vurige oven geworpen en Daniël werd veroordeeld tot de leeuwenkuil omdat hij, ondanks het verbod van de koning, bleef doorgaan om driemaal per dag zijn God in het gebed te zoeken.
Wij weten, dat de Here God deze Zijn getrouwe kinderen op een wonderbaarlijke wijze uitredde en, die geruste heidenen, werden daardoor opgeschrikt en in een grote ongerustheid gebracht, doch waren dit voorval blijkbaar reeds spoedig weer vergeten.
Wij lezen in de verzen 18 en 19: "En ik hief mijn ogen op en zie, er waren vier hoornen. En ik zeide tot de Engel die met mij sprak: "Wat zijn deze?", en hij zeide tot mij: "Dit zijn de hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben"
Vier hoornen.
Wij kennen verschillende dieren die hoornen op de kop dragen en deze hoornen dienen dan tot een wapen,zowel voor de aanval als voor de verdediging. Wanneer twee gehoornden met elkaar in gevecht komen, dan buigen beiden de kop naar beneden en rennen op de tegenstander in. De overwinnaar richt dan de kop weer omhoog en verhoogt daardoor ook zijn hoornen, terwijl de hoornen van de verslagene vernedert zijn omdat het dier op de grond ligt.
De strijd onder de machtigen der aarde wordt in de Heilige Schrift meerdere malen vergeleken bij de strijd onder de gehoornde dieren.
De Psalmist maakt in Psalm 75 gewag van de strijd van Israël met de heidense volkeren die het land benauwden, en hij zegt: "Ik heb gezegd tot de goddelozen: verhoogt de hoorn niet. Verhoogt uw hoorn niet omhoog en spreekt niet met een stijve hals. Want het verhogen komt niet uit het Oosten, noch uit het Westen, noch uit de woestijn, maar God is Rechter; Hij vernedert deze en verhoogt gene", en, eindigt met de geloofszekerheid: "en ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen, de hoornen der rechtvaardigen zullen verhoogd worden."
Uit deze aanhaling uit de Heilige Schrift blijkt ons duidelijk dat hoornen het beeld zijn van machten en wel van aardse machten.Maar, óók duidt de hoorn evenzeer wel op geestelijke macht,en, wij vinden dit onder andere aangeduid in de vier hoornen die geplaatst waren op de vier hoeken van het altaar van het Oude Verbond.
Wanneer iemand, niet met voorbedacht rade, maar door een ongeluk of in ieder geval búiten zijn wil, een ander had gedood, dan was de nabestaande van het slachtoffer de bloedwreker, dat wil zeggen dat deze, volgens de wet van oog om oog en tand om tand, de schuldige het leven mocht benemen.
Zag de schuldige echter kans om te vluchten en één der hoornen van het altaar aan te grijpen dan moest de bloedwreker zijn achtervolging staken.
Aan de hoorn van het altaar was dus de macht verbonden dat een ter dood schuldige er het leven van afbracht.
Deze vier hoornen aan het altaar zijn het type van de vier-voudige bediening van Christus onder het Nieuwe-Verbond in de bediening van zonde- en schuldvergeving in opdracht van des Heren Woord in Johannes 20:22,23.
De mens, in zonde ontvangen en geboren, die vlucht naar het Nieuw-Testamentische Altaar, Jezus Christus, zal door de vrijspraak in de Naam des Heren, door één Zijner dienaren, zichzelf redden van de eeuwige dood. 2 Korinthe 5:18-20.
De vier hoornen, hier genoemd, zijn dan het beeld van de geestelijke macht. --(indien iemand dient, die diene uit kracht, die God verleent; 1 Petrus 4:11.
Hoornen, als geestelijke machten, treffen wij ook aan in Openbaring 5:6, alwaar wordt gesproken over het Lam met zeven hoornen, die aldaar worden verklaard als zijnde de zeven geesten Gods.
Jesaja profeteert dat het rijsje dat uit de afgehouwen tronk van Isaï zou voortkomen, zou toegerust zijn met de zeven Geesten Gods.
Het getal zeven is het volmaakte Godsgetal want het zijn de geestelijke krachten of machten van de Heilige Geest.
Uit het Evangelie weten wij dat Jezus Christus, het Lam Gods, de Geest niet met mate, maar in volheid bezat. (Bij ons met mate volgens 1 Corinthe 12:11.
Zacharia ziet vier hoornen, dus vier machten, hetzij aardse of geestelijke. Wij behoeven echter niet lang te zoeken om te begrijpen dat de vier hoornen in het visioen, aardse machten zijn.
In het Boek Daniël 2 worden ze voorgesteld in een beeld van een man dat zich in vier delen vertoont, namelijk in een gouden hoofd; zilveren borst; koperen buik en ijzeren benen, waarvan de voeten bestonden uit ijzer vermengd met leem.
In het 7e hoofdstuk van genoemd boek, worden dezélfde aardse machten getoond, maar nu in vier dieren. Daniël vertelt daar dat hij in een nachtgezicht achtereenvolgens vier dieren uit de zee ziet opklimmen en wel: een leeuw; een beer; een panter en als laatste een dier dat hij geen naam kan geven omdat het geen bestaand dier was.
Dit 4e dier bestond namelijk uit een samenvoegsel van verschillende lichaamsdelen van de reeds eerder genoemde dieren.
Alle vier de dieren waren geen tamme maar wilde dieren, die, naar hun aard en karakter, erop uitgaan om te roven, te doden en te verslinden.
Zowel het mans-beeld als de vier wilde dieren worden ons ter plaatse verklaard waardoor wij weten, dat het voorstellingen zijn van de vier grote wereldmachten die achtereenvolgens de aarde zouden beheersen.
Uit de wereld-geschiedenis zijn ons deze machten bekend als:
Welnu, ongetwijfeld worden met de vier hoornen in het visioen van Zacharia dezelfde machten aangeduid.
Doch het visioen strekt zich nog verder uit, want er volgt in de verzen 20 en 21: "En de Here toonde mij vier smeden. Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief, maar deze zijn gekomen, om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen,welke de hoorn verheven hebben tegen Juda om dat te verstrooien."
Dán zijn de smeden machten tegenover de reeds bestaande machten die in hun aard vijanden zijn van God en Zijn volk.
Een smid is een man die werkt in en met metalen; deze metalen zijn hard en moeten door de hitte van het vuur zacht gemaakt en doormiddel van de voorhamer op het aambeeld bewerkt worden.
"De ijzersmid maakt een bijl en werkt in de gloed en formeert het met hamers en bewerkt het met zijn sterke arm", zo lezen wij in Jesaja 44: 12a.
In Jeremia 51: 20 spreekt God, de Here, het machtige Babel aan en zegt: "Gij zijt mij een voorhamer en krijgswapenen en door u zal Ik volken in stukken slaan en door u zal Ik koninkrijken verderven......maar Ik zal aan Babel en aan alle inwoners van Chaldéa vergelden al hun boosheden die zij gedaan hebben aan Sion,voor ulieder ogen, spreekt de Here."
En, in Jeremia 50:3, vernemen wij het woord des Heren dat zegt: "Hoe is de hamer der ganse aarde zo afgehouwen en verbroken?, hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen?"
Uit deze geciteerde Schriftplaatsen is het ons nu wel duidelijk geworden dat de overheersende kracht en macht onder de volkeren in profetische taal wordt vergeleken bij de smid die de hamer hanteert.
Als er dus in het visioen van Zacharia gezegd wordt, dat de vier smeden kwamen om de hoornen te verschrikken en neder te werpen dan kunnen wij daaruit begrijpen dat de rijken, die de wereld-heerschappij veroverd hadden op hun beurt weder door een intussen opgekomen sterkere macht zouden worden ten onder gebracht.
Aan drie van de vier hoornen is deze openbaring reeds in vervulling gegaan, want achtereenvolgens kwam Babel tot de opper-heerschappij maar werd door de smids-hamer van het Medo-Perzische Rijk terneder geslagen.
Op zijn beurt ging, door de vogelvlugge veroveringstochten van Alexander de Grote, de wereldmacht van het Medo-Perzische Rijk tenonder en kwam het Griekse Rijk aan de opper-macht.
Onder de slagen van de smidshamer van het Romeinse Rijk heeft het later veroordeelde Griekse Rijk eveneens zijn wereld-macht verloren.
Volgens de Openbaring van de Here God, zal het Romeinse Rijk het laatste grote wereld-rijk op deze aarde zijn.; en, wat het bestaan en het verloop van de macht van dit rijk betreft, dat wordt ons geschetst in het mans-beeld dat beschreven wordt in de droom van Daniël 2.
De schenkelen van de man waren van ijzer en de voeten en de tenen van ijzer vermengd met leem.
De oorspronkelijke hardheid en onverzettelijkheid van het Romeinse Rijk waarmede het alles aan zijn macht onderwierp, wordt wel heel scherp gekarakteriseerd in de materie van ijzer.
Echter, de latere verdeeldheid en verzwakking worden voorzegd in de mededeling dat de voeten en tenen bestonden uit ijzer,vermengd met modderig leem.
Dat evenwel het Romeinse Rijk als vierde wereld-rijk voor de Here God gehandhaafd blijft, blijkt ons duidelijk uit de tien horens en de kleine hoorn in Daniël 7:7,8.
De tien hoornen zijn de christelijke koningen en de kleine hoorn is de anti- christelijke macht.,(zie de verklaring in het Boek voor Onzen Tijd blz.549,550).
Bovendien willen wij er hier op wijzen dat Daniël, het vierde dier geen naam kon geven omdat het in de dierenwereld niet bestaat, want het bestond uit een samenstelling van lichaamsdelen van verschillende wilde dieren.
Oók de apostel Johannes die in zijn visioenen op het eiland Patmos het gehele verloop van de strijdende Kerk tot aan de triomferende Kerk mocht aanschouwen, werd enige malen met datzelfde dier geconfronteerd; en, ook híj kon geen naam geven om dezelfde reden, hetgeen uit zijn beschrijving blijkt.
Hij schrijft: "en het beest dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn voeten waren als de voeten van een beer, en zijn mond als de mond van een leeuw". Openbaring 13.
In het 17e hoofdstuk van de Openbaring ziet hij dit dier weer opnieuw en zegt dan: "Ik zag een scharlakenrood beest,vol van namen van Godslastering, en het had zeven hoofden en tien hoornen." vers3.
De Engel, die tijdens die visioenen bij Johannes is om één en ander nader toe te lichten, zegt: "Het beest, dat gij gezien hebt, dat was en niet is, hoewel het is, en het zal opkomen uit de afgrond en ten verderve gaan". vrs.8.
Wij menen hiermede voldoende gezegd te hebben om u duidelijk te maken dat de vier hoornen en de vier smeden die Zacharia in het tweede visioen aanschouwde dezelfde wereldrijken voorstelden als de vier dieren die reeds eerder door de Heer aan Daniël werden getoond.
Hoewel het oude Juda na zijn ballingschap niet meer tot die volle vrijheid is gekomen, zoals het vóór dien tijd had, tóch kon het weer in eigen land wonen en zijn dienst aan de Here God ongestoord uitoefenen.
Vandaar ook de herbouw van de Tempel en het herstel van Jeruzalem en de andere woonplaatsen.
Eén bezwaar echter blijft er voor onze verklaring van die vier rijken nog over, namelijk dit: Toen aan Zacharia dit visioen werd getoond, toen was er nog geen sprake van de wereldmacht van het Griekse en het Romeinse Rijk, terwijl er tóch verklarend wordt bij gezegd: "Dit zijn de hoornen, die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben."
Wij moeten echter in het oog houden dat wij hier met een profetie te doen hebben, gesproken door Hem, Die de dingen die niet zijn, ziet alsof zij waren.
Welnu, wij, die achter de geschiedenis staan, weten, dat hoewel het oude Juda ná zijn ballingschap weder in eigen land kon wonen en vrijelijk zijn Godsdienst kon uitoefenen het toch niet meer tot de staat van nationale vrijheid en zelfstandigheid is teruggekeerd, maar een vazalstaat bleef van de elkaar opvolgende wereldmachten.
Hoe verschrikkelijk heeft het Joodse volk niet geleden onder het bewind van de wreedaard Antiochus Epiphanes van het Griekse Rijk; terwijl door het Romeinse Rijk in het jaar 70 na Christus de Tempel werd verbrand, Jeruzalem werd verwoest en de Joden uit hun land werden verdreven en verstrooid werden over de gehele aarde.
De vervolging en verstrooiïng van het Joodse volk heeft dus onder het bewind van de VIER wereldmachten plaats gehad.
Wij menen dat het genoemde bezwaar met deze toelichting wel geheel verdwenen zal zijn, maar, bovendien moeten wij hier wel bijzondere aandacht geven aan de zin in het 21e vers: "maar deze zijn gekomen, om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen......".
De hoornen der heidenen.
De vier rijken werden bij Daniël door de Here God voorgesteld door wilde dieren en naar die aard als Gode vijandige machten.
De hoornen der heidenen, ofwel de machten der ongelovigen;als Gode vijandige machten zullen zij zich steeds laten kennen als de vijanden van Gods volk.
Van die vijandschap spraken wij reeds eerder, toen wij vers 15 onder de aandacht brachten, alwaar wij lezen: "Ik ben met grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen. Want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen."
De vijandschap tegen Gods volk is echter niet beperkt gebleven tot Israël, maar heeft zicht voortgezet tegen het Nieuw-Testamentische Israël, de christenen.
Want in wezen is en blijft het een strijd tussen het licht en de duisternis.
Na al hetgeen wij nu besproken hebben betreffende het visioen, komen wij nu tot de vraag: "In welke betrekking staat dit visioen tot de herbouw van de stoffelijke Tempel?"
Als antwoord op deze vraag, stellen wij voorop dat de visioenen van Zacharia uiteraard in de eerste plaats betrekking hebben op de stoffelijke Tempel, maar daarmede niet geheel zijn vervuld doch pas met de herbouw van de geestelijke tempel hun volle betekenis en vervulling verkrijgen.
Welnu, voor het oude Juda betekende het visioen dat de terugkeer uit de macht van Babel en het herstel van het Huis van God en van Zijn dienst, een overwinning was van God voor Zijn volk.
Maar met deze aanvankelijke overwinning geeft de Here God door het visioen de belofte en de waarborg dat de macht van de goddelozen en de vijanden van God ééns voor áltijd afgelopen zal zijn; dat de Here God uiteindelijk over ál Zijn vijanden zou triomferen was een versterking en een aanmoediging tot de bouw van de Tempel.
Om de betekenis van het visioen in verband met het herstel van de geestelijke tempel duidelijk te maken, beginnen wij met het opslaan van bladzijde 407 van de Kerkgeschiedenis van Mr.J.W.van Loon.
Wij vinden daar bij het jaartal 1836, het volgende:
"Openlijk optreden van de "Algemene Apostolische Kerk" der Irvingianen met een brief aan alle kerkelijke en wereldlijke overheden van alle landen"; "Deze Kerk wordt bestuurd door twaalf apostelen, door profeten benoemd, onder zich hebbende evangelisten en leraars of engelen; die verder elk zes ouderlingen en zes diakenen bij zich hebben"; "Behalve een eigenaardige kerkelijke liturgie, kleding en ceremoniën, is het opmerkelijke bij hen de eschatologie en voorbereiding der kerk voor de ophanden zijnde terugkomst van Christus."
Tot zover dit citaat, want de beschrijving daarvan gaat nóg verder. Maar, waar het hier thans om gaat, is de mededeling: "opmerkelijk bij hen is de eschatologie en voorbereiding der kerk voor de ophanden zijnde terugkomst van Christus".
Het woord "eschatologie", betekent: leer der laatste dingen.
Zoals de geschiedschrijver dus vermeldt, kwam de Apostolische Kerk in 1836 met haar bijzonder getuigenis betreffende de leer der laatste dingen, de tekenen der tijden, én de roepstem om zich voor te bereiden op de wederkomst des Heren.
De laatste dingen betreffen de ondergang der wereld, let wel, niet der aarde.
Dat is dan het einde van het vierde dier van Daniël, het vierde wereldrijk dat reeds bij Daniël zózeer zijn aandacht trok dat hij daarover nader ingelicht wilde worden. Dan.7:19.
Wij tekenen hierbij aan, dat óók door de verklaring van de Openbaring van Johannes door Apostel Schwartz, uitgegeven onder de titel "Het Boek voor Onzen Tijd", een belangrijke bijdrage werd geleverd tot de leer der laatste dingen.
Met het getuigenis van de Apostolische Kerk ving het tijdperk van de zevende bazuin aan, en, hierover zegt de Openbaring van Johannes: "En de zevende engel heeft gebazuind en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden van onze Here en van Zijn Christus en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid." Openb.11:15.
In Het Boek voor Onzen Tijd, staat op bladzijde 392 over deze plaats: "De eerste indruk van deze woorden zal bij de lezer wel zijn alsof het Rijk der Heerlijkheid, het zogenoemde 1000-jarig Rijk, wordt voorgesteld met 1830 reeds te zijn angevangen..... en toch, wij zullen zien dat deze eerste indruk van de lezer niet zo geheel en al onwaar is geweest, maar, dat inderdaad met 1830 het eerste morgenlicht van de grote dag des vredes over de aarde is aangebroken".
Er ging van de Apostolische Kerk in Engeland een krachtig getuigenis uit met de oproep: "Maranatha, Maranatha! de Heer komt! het Rijk der heerlijkheid is nabij!
En, dat getuigenis ging gepaard met de daad, dat wil zeggen, er was een toebereiding voor de wederoprichting aller dingen, zodat de gemeente Gods bereid werd om haar Heer als Bruidegom tegemoet te gaan. Matth.17:11; Handel. 3:21.
Bij de schepping had de mens de heerschappij over de aarde, maar door de zondeval werd de aarde om des mensen wil vervloekt en kwam de heerschappij in de handen van de verleider, de satan.
Zowel de Here Jezus als Zijn Apostelen spreken van de duivel dat hij is "de overste dezer wereld", "de overste van de macht der lucht", "de geweldhebber der duisternis dezer eeuw".
Omdat de Here God rechtvaardig is tegenover al Zijn schepselen heeft Hij deze macht verkregen; wij moeten echter wel zeer goed in het oog houden dat de Here God met de hoogste macht bekleed blijft!.
Zó was het bij de schepping toen de heerschappij over de aarde aan de mens gegeven werd; én, zó is het ook toen door de val der mensen de macht over de aarde aan de duivel toe viel.
De Here Jezus Christus heeft in volkomen gehoorzaamheid het volkomen offer gebracht; het offer voor de zonden der gehele wereld en daarmede tevens de duivel overwonnen.
Toen de Heer gereed stond om in te gaan in het werk dat de Vader Hem op de schouders gelegd had, kwam de verzoeker tot Hem om te proberen om Hem van Zijn taak af te leiden.
Eén van de pogingen was, dat de duivel Hem mede nam op een zeer hoge berg en aan Hem ál de koninkrijken der wereld met al hun heerlijkheid toonde en tot Hem zei: "Al deze dingen zal ik u geven indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden".
Wij kennen het antwoord des Heren, namelijk dat Hij zei: "Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen". Mattheus 4:8-10.
Door Zijn offer op Golgotha heeft de Here Jezus ook de geweldhebber dezer wereld de nederlaag toegebracht, en, de dag nadert met rasse schreden dat Hij de satan zal binden en hem zal werpen in de afgrond en deze afgrond boven hem zal sluiten en verzegelen,opdat hij de volkeren niet meer zal kunnen verleiden.
En alsdan zal Hij ook de vloek die over de aarde gekomen is door des mensen schuld, wegnemen.
Deze Raad Gods mag Daniël reeds aanschouwen in zijn droom Dan.7.
Hij ziet de heerschappij van de vier wereldmachten wegnemen.
Dán verschijnt er op de wolken des hemels Eén als eens mensenzoon Die gesteld werd voor de Oude van Dagen en aan Hem werd gegeven de eeuwige heerschappij op de aarde en een heilig volk Gods zal als overwinnaars met Hem heersen als Koning en Priester.
Geheel deze verkondiging ligt opgesloten in dit tweede visioen: de vier wereldmachten die opkomen, blinken en verzinken, zoals ons getoond is in die hoornen en die smeden die allen door de heerschappij van de geweldhebber dezer wereld in hun aard van wilde dieren, vijanden en vervolgers zijn van het volk van God, zowel onder het Oude- als het Nieuwe Verbond.
De herbouw van de stoffelijke tempel is het type van het herstel van de Kerk van Christus aan het einde van het genade-tijdperk.
De tijd- en ambtgenoot van Zacharia, de profeet Haggaï profeteert hierover:
"De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste, zegt de Here der heirscharen en op deze plaats zal Ik vrede geven,spreekt de Here der Heirscharen. hoofdstuk 2:10".
Doch van de koninkrijken der wereld zegt de Heer eveneens door de mond van Haggaí:
"Ik zal de hemelen en de aarde bewegen en Ik zal de troon der koninkrijken omkeren en verdelgen en de vastheid der koninkrijken der heidenen en Ik zal de wagen omkeren en die daarop rijden, en de paarden, en die daarop rijden zullen nederstorten, een iegelijk in des anderen zwaard. Hoofdstuk 2:22,23".
Wij eindigen deze verklaring van het visioen van de vier hoornen en de vier smeden met een verwijzing naar Psalm 75, waarin Christus sprekende wordt ingevoerd, en welke psalm besluit met: "Ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden".