Aflevering 2
Zacharia ziet , onder een bosje mirte-bomen een groep ruiters, zittende te paard.
Deze paarden waren verschillend van kleur; genoemd werden: rode, bruine en witte paarden.
In feite wordt er maar over één berijder gesproken en wel over de aanvoerder.
Doch, uit vers 11 blijkt, dat de andere paarden óók een berijder hadden, want zij zeggen daar: "wij hebben het land oorwandeld en zie, het ganse land uit en het is stil".
In de verklaring van Openbaringen 6 in het Boek van Onzen Tijd, waar vier paarden worden getoond, wordt ons duidelijk gemaakt dat het paard het type van de Kerk of de gemeente is.
In Zacharia 10:3 wordt gezegd dat Juda het paard Zijner Majesteit in de strijd is.
Bedoeld wordt hier dan het oorlogspaard en het stelt de gemeente des Heren voor in haar zendingsarbeid in de wereld, waarin zij naar het woord van haar Zender, véél te strijden zal hebben tegen het on- en bijgeloof, tegen de satan en zijn trawanten.
De ruiters waren op verkenning uitgeweest en waarschijnlijk hier teruggekomen op het punt van uitgang om hun bevindingen mede te delen.
Zij hadden zich verzameld in een mirte-bosje, hetwelk in de diepte stond. De mirte-boom groeit veelvuldig in de landen rondom de Middellandse zee.
Het is een betrekkelijk lage boom met roodachtige takken en smalle groene glanzende bladeren, terwijl zijn bloesems bestaan uit vijf roodachtig-witte bladeren.
De takken van de mirte-boom waren bij de Joden zeer geliefd om daar hun hutten op het loofhutten-feest mede te versieren.
De Geest des Heren gebruikt in de Heilige Schrift de mirte om daarmede het gezegende volk van God af te beelden. Zie Jesaja 41:19 en 55:13.
Het wordt ons daarom duidelijk, dat de mededeling dat de ruiters "tussen de mirten stonden", niet zomaar een bijkomstige mededeling was waaraan geen verdere waarde is toe te kennen, maar in dit visioen van een belangrijke betekenis mag worden geacht.
In vergelijking met de, zich hoog verheffende cederboom, is de mirte maar een heel bescheiden en nederige boom.
Dit wordt nog geaccentueerd doordat hij graag een lage plaats opzoekt, waarschijnlijk omdat daar uiteraard meer vocht in de bodem aanwezig is.
In deze eigenschap vertoont de mirte-boom het liefelijke beeld van het ootmoedige kind van God dat beantwoord aan het voorschrift: "Tracht niet naar de hoge dingen, maar voeg u tot de nederige". Romeinen 12:16
Zijn altijd groene bladeren, óók in de winter, wijzen daarbij op een innig en getrouw geloofsleven, zowel in vreugde als in smart, zowel in voorspoed als in tegenspoed, terwijl zijn geurige bloesems in de kleur van roodachtig-wit heenwijzen op een leven in de gerechtigheid door het reinigende bloed van de Here Jezus Christus.
Kortom, de mirteboom, ons hier in dit visioen door de Geest voorgesteld, toont ons het beeld van het ootmoedig en nederig hart dat opziet tot God om door gebed van Hem te mogen ontvangen wat Hij in Zijn genade wil geven en schenken.
De ruiters, teruggekeerd van hun inspectietocht door het land met het ontmoedigende bericht dat er zo goed als niets gedaan werd, staande tussen de mirte-bomen die in de diepte waren, tekenen ons het uit Babel terugkerende volk dat opziet tot de Heer, Die spreekt: "Keert weder tot Mij, zo zal Ik tot ulieden wederkeren, zegt de Here der heirscharen."
Maar deze ruiters, die stonden tussen de mirten die in de diepte waren, verplaatsen ons ook naar hetgeen vermeld wordt in Openbaring 8: 1-5.
Bij de opening van het zevende zegel, dus bij de aanvang van het zevende tijdvak, het tijdvak waarin wij nu leven.
We lezen daar óók van een stilte, namelijk een stilte van een half uur. Op bladzijde 335 van het Boek van Onzen Tijd, wordt deze stilte van een half uur in het Godsrijk, hemel, verklaard als zijnde een tijdsruimte van ongeveer 2l jaar, en wel, aanvangende in het jaar 1815 en eindigende in het jaar 1836.
Op bladzijde 337 en 338 van genoemd boek, lezen wij in enkele regels hóe de toestand der Kerk vóór en ná 1815 was.
Beschreven wordt dat ook op geestelijk gebied de schok zeer groot was geweest en alle gemoederen bij het uitbreken van de Franse omwenteling had beroerd.
Het verdrukte en verwoede Franse volk verbrak alle banden en alle boze hartstochten kwamen vrij. Goddeloosheid, wreedheid, bloeddorst, duivelse haat tegen God en Zijn dienst woedden over het beschaafde Europa.
Ongeloof en verguizing van het christendom waren ten top gestegen en velen meenden dat het einde der wereld nabij was;vooral, toen Napoleon I aan het bewind kwam meenden velen dat hij de voorspelde anti-christ was.
De ernstige gelovigen toetsten bij dit alles de tekenen der tijden aan de profetieën van Gods Woord.
Daar lag met geknakte wiek de Franse adelaar terneder en werd naar Sint Helena verbannen en Europa kwam tot rust, 1815, maar, welk een rust.
De schatkisten leeg, de welvaart ondermijnd, handel en nijverheid gestorven en het christelijk geloof vergiftigd.
Zo zonk Europa met een verwoest geloof, geknakte hoop en vernietigde welvaart, ter dood vermoeid in zichzelf neder.
Daar begonnen toen uit de stille bidcel gebeden op te stijgen tot de Almachtige om herstel van Godsdienst en geloof. Smekingen klommen op tot Zijn troon om weder-oprichting van de Kerk van Christus.
En, niet enkelen baden, want wijd en zijd over Europa werden geschriften, vooral van uit Engeland, verspreid om de gelovigen op te wekken om zich op bepaalde uren over geheel Europa te verenigen om de Heer der Kerk te smeken om Zich over Zijn verwoestte wijngaard te ontfermen.
Duizenden gebeden rezen omhoog om de beloofde spade-regen van de Heiligen Geest. Zacharias 10:1
Openbaring 8:3:
"En er kwam een andere engel en stond aan het altaar,hebbende een gouden wierookvat en hem werd veel reukwerks gegeven,opdat hij de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.""
Deze andere Engel is de Here Jezus Christus, de Engel des Verbonds, want Hij is de Grote Hogepriester Die voor de Zijnen bidt en alléén dóór en ín Christus Jezus kunnen de gebeden Gode aangenaam zijn en verhoord worden.
Dáárom: "de rook des reukwerks van de gebeden der heiligen,ging op van de hand des Engels, voor God" (vers 4).
De ontredderde toestand van Europa na 1815 zoals wij hiervoor met enige woorden afschilderden, vinden wij afgebeeld in het visioen van Zacharia 1, in de boodschap die de ruiterstoet laat horen in vers 11: "Wij hebben het land doorwandeld en zie, het ganse land zit en is stil".
Maar dan beeldt deze ruiterij, staande tussen de mirten, óók de reeds genoemde gelovigen uit die zich verenigden in bidstonden om de Heer der Kerk te smeken dat Hij Zich over Zijn verwoestte wijngaard zou ontfermen en de beloofde spade-regen over hen wilde uitstorten.
In eenheid stonden zij in het mirte-bos als type van de ootmoedige nederige bidder die vanuit de diepte roept tot de levende God om hulp.
Zij zaten op paarden van verschillende kleuren omdat deze gelovige bidders behoorden tot allerlei kerken en kerkafdelingen, maar tóch één waren in de overtuiging dat zij allen in hun Kerk tekort gekomen waren aan de eis van de Heer der Kerk, en, treurende over alles wat de kerk verloren had kwamen zij met belijdenis van schuld vanwege alle ontrouw aan de Heer en Zijn Woord, aan de Bruidegom Jezus Christus.
Letten wij hier in het bijzonder nog op de Man, Die tussen de mirten staat, want in vers 8 wordt gezegd dat Hij de aanvoerder der verkenners is, zittende op een rood paard.
In vers 10 deelt Hij mede voor welk doel de ruiters het ganse land door gereden hadden.
In vers 11 wordt Hij genoemd de Engel des Heren, Die tussen de mirten stond en in vers 12 alleen de Engel des Heren, zonder een verdere aanduiding.
Ongetwijfeld is Hij de Tweede Persoon der Godheid, het Woord, Wiens vermaak was met de mensenkinderen Die Zich onder het Oude-Verbond meerdere malen reeds had geopenbaard in Engelengestalte.
Ook hier is Hij de Engel des Heren, Die Zich in het visioen aan het hoofd heeft gesteld van de ruiters, want, deze Engel des Heren verbindt Zich met het volk dat in ellende zit en maakt Zich één met hetzelve want Zijn vermakingen waren immers met de mensenkinderen.
Om hunnen t'wille wordt Hij gezien, zittende op een rood paard, maar, dat de Engel des Heren begaan is met de ellende waarin het volk des Heren verkeert, dat blijkt tenvolle uit Zijn bemiddelend optreden.
Want, als de ruiters met een treurstem melden: "Wij hebben het land doorwandelt,en ziet, het ganse land zit en is stil", dan wordt de Engel des Heren de Voorbidder en richt zijn bede tot God met de woorden vrs 12: "Here der heirscharen, hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke Gij vergramd geweest zijt deze zeventig jaren?".
Zich als Aanvoerder met de ruiters in het mirtebos één gemaakt hebbende, treedt Hij nu bemiddelend op tussen dit biddende volk en de Here, de Almachtige.
Tijdens de stilte van omstreeks een half uur, namelijk in de ontredderde toestand in Europa, zowel materieel als staatkundig en kerkelijk, zijn in de jaren van 1815 tot 1830 vele gebeden opgezonden, en, als gevolg daarvan, lezen wij in Openbaring 8:3,:
"En er kwam een andere Engel en stond aan het altaar hebbende een gouden wierookvat, en Hem werd veel reukwerk gegeven opdat Hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar dat voor de troon is. En de rook van het reukwerk met de gebeden der heiligen ging op van de hand van de Engel vóór God."
Deze Engel is de Grote Engel des Verbonds, Jezus Christus, de Hogepriester Die optreedt tussen de Here, de Almachtige, en Zijn volk. Hij is de Middelaar tussen God en mens want als Hogepriester gaat Hij in, in het hemels heiligdom, vóór de genadestoel met Zijn éigen bloed.
Als Middelaar is Hem véél reukwerk gegeven want Hij is de Voorbidder en zónder Zijn voorbede kunnen onze gebeden niet aangenaam zijn voor de Here God. Onze gebeden behoeven het reukwerk, de Gode aangename voorbede van de Zoon van God.
Wij lezen in Zacharia 1:13, dat de Here God antwoordde op het gebed van de Engel des Heren, doch, het antwoord werd gegeven "aan de engel die met mij sprak", zegt Zacharia.
Het is hier, evenals het was met de apostel Johannes toen hij op Patmos de vele visioenen ontving die in de Openbaring zijn opgetekend.
Daarbij was óók een Engel tegenwoordig om hem behulpzaam te zijn en om sommige dingen te verduidelijken. Openb. 1:1; 17:7; 7:15,16; 19:10.
Zacharia zegt in vers 13: "En de Here antwoordde de Engel die met mij sprak, goede woorden, troostrijke woorden."
Welke boodschap deze goede troostrijke woorden inhouden vernemen wij nu in de volgende teksten; het zijn de woorden die de profeet ontvangt om te verkondigen.
Hij zegt tot Zacharia: "Roept uit, zeggende: Alzo zegt de Here der Heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver en Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig,maar zij hebben ten kwade geholpen".
De Heer was toch nog met liefde vervuld tot Jeruzalem en Sion, maar vertoornd over díe heidenen die ten kwade hadden geholpen; want, de toorn des Heren over Zijn volk, ging nog altijd gepaard met ontferming en gedachten des vredes.Ook in de toorn gedacht Hij de ontferming. Het doel van de Heer was het behoud, maar niet de ondergang.Babel had geholpen ten kwade.
De Heer echter strafte, maar toch was Zijn straf nog een kastijding der liefde.
Dáárom was de Heer vertoornd over Babylon; over die geruste heidenen die met de goedertierenheid van de Here God geen rekening hielden.
Wat die toorn des Heren over Babel inhield, daarover profeteerde Jeremia het volgende: "Maar het zal geschieden, als de 70 jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel en over het volk, spreekt de Here, hun ongerechtigheid bezoeken mitsgaders over het land der Chaldeeën en zal dat stellen tot een eeuwige verwoesting." Jeremia 25:13.
Keren wij nu terug naar Openbaring 8, waar in de verzen 4 en 5 wordt gezegd: "En de rook van het reukwerk met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels voor God. En de Engel nam het wierookvat en vulde dat met het vuur van het altaar en wierp het op de aarde en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving".
In de verklaring van deze tekst in het Boek voor Onzen Tijd, lezen wij op bladzijde 339: "Zullen wij deze óók op de aarde terugvinden aan het einde van de stilte in het jaar 1830 of 1832 ? en, zo ja., wélke waren dan die stemmen, die donderslagen en die bliksemen ?".
"Het was de stem des Heren gesproken door Zijn dienstknechten, Exodus 5:1,2, de stem van de Evangelie-verkondiging onder de zevende bazuin Jesaja 58:1, die weder over Europa begon te klinken door een vernieuwde opwekking tot boete en geloof, tot verkondiging van het zuivere Evangelie van Jezus Christus."
Het waren de donderslagen van de verheerlijking van des heren jezus naam door zijn engelen of gezanten, weder gepredikt, Johannes 12:29; want niet zijzelf waren het die spraken, maar de Geest des Vaders was het Die in hen sprak. Matth.10:20
Het "Maran-atha, de Heer komt", ging uit van de Apostolische Kerk in Engeland tot over het gehele vaste land van Europa, (1836), met haar mondelinge en haar schriftelijke getuigenis aan alle kerken en wereldlijke overheden van alle landen, gelijk als bliksems, Mattheus 28:3, deden haar leraars als Engelen des Heren over de aarde hun geroep horen: "Waakt!,waakt!, want de komst des Heren is zeer nabij en gij weet niet in welke ure de Heer komen zal!"
Deze stem van de Here God, door Zijn dienaren gesproken als de stem van de zevende bazuin, wordt hier in het visioen van Zacharia reeds voor-afschaduwd, Zacharia zelf is het type van de dienaren Gods die de zevende bazuin doen klinken.
Zacharia betekent: Jehova gedenkt.
De Here God gedacht op het bidden en smeken aan Zijn goedertierenheid, aan Zijn trouw en aan Zijn beloften.
Zacharia moest het woord Gods verkondigen aan zijn tijdgenoten en hen oproepen tot de wederopbouw van de tempel en het herstel van Jeruzalem.
Het brengen van dat getuigenis wordt door de Heer tot twéémaal toe bekrachtigd in de aanhef: "Roept uit".
Dit vernemen wij zowel in het veertiende als wel in het zeventiende vers.
Hij moet luide uitroepen en verkondigen aan het oude Juda dat terugkeert vanuit Babel: "Alzo zegt de Heer der Heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver, Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen, en Mijn huis zal daarin gebouwd worden, Mijn steden zullen nog uitgebreid worden vanwege het goede; want de Here zal Sion nog troosten en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen". Zach. 1: 16,17.
En, deze belofte van tóen geldt ook nú nog en nog meer voor het heden waarin wij leven.