ALS DE KLEUR
(verf)
VAN HASMAL.
Ezechiël 1:4.
Wanneer wij de boeken van het Oude Testament lezen en doorvorsen, dan bemerken wij dikwijls, op een in het oog springende wijze, dat vele uitspraken een bijzondere betekenis hebben.
In Psalm 22 bij voorbeeld, spreekt de koning David over zichzélf,máár, tóch begrijpt men meteen dat hij niet zichzelf bedoelt maar dat hij hier profeteert over de Here Jezus. De koning David zal dit echter wel niet ten volle begrepen hebben, evenmin als zijn tijdgenoten.
De tijd van het lijden van Christus,en van de heerlijkheid die daarna volgde,was zelfs voor hen die daarover profeteerden,een verborgen zaak.
Bijvoorbeeld de profeet Daniël die vraagt: "Mijn Here, wat zal het einde zijn van deze dingen?".
Waarop het Hemelse antwoord luidde: "Deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde."
Zo zullen de profeten ook toen zeer zeker zelf hebben onderzocht--doch tevergeefs--, of zij deze profetieën konden verklaren voor wat betreft het genade-tijdperk dat komen zou. Aan hun werd echter geopenbaard dat die woorden toegesloten moesten worden en vezegeld tot de tijd van het einde. Daniël 12:4.
Vandaar dat zij zich niet zelf met hun profetieën bedienden, maar wél de dienaren van Christus die het Woord moesten verkondigen, opdat zij,door de Heiligen Geest,de wáre betekenis van die profetieën aan het volk van God in de laatste tijd, konden uitleggen.
In die dingen,zo zegt apostel Petrus in het eerste hoofdstuk van zijn eerste brief,zijn de engelen begerig om ín te zien.
De dienaren,zo zegt hij,moeten het Evangelie door de Heiligen Geest die van de Hemel gezonden is,verkondigen.
En zó is het,dat die dienaren de Jacobsladder beklommen om het Woord, in biddend onderzoek der Schriften,vanuit de Hemel te ontvangen en daarná weder afdalen om dat Woord aan de kinderen Gods vóór te leggen.
Mooi,en verheven,ziet Jacob dit in zijn droom,op de plaats die hij daarna "Beth-El" ofwel "Huis Gods" noemde.
In dit opzicht mogen wij in het bijzonder wijzen op de verklaring van de Openbaring van Johannes,door Apostel F.W.Schwartz in het " Boek voor Onzen Tijd".
Vele malen was apostel Schwartz zélf zeer verrast, wanneer de daarin vervatte beelden voor hem werden onthuld, door Schrift met Schrift te vergelijken en te verklaren.
Na deze korte inleiding willen wij terugkeren naar ons uitgangspunt, namelijk het éérste visioen van de profeet Ezechiël.
Wel zij nog opgemerkt, dat óók de profeet Ezechiël wel niet zal hebben begrepen wat er in dat visioen verborgen lag.
Wij willen ons nu niet verdiepen in de beschouwingen en de beoordelingen van de theologen betreffende de persoon en de visioenen van deze profeet, maar alleen vermelden dat één der critici hem noemt: "de stumper onder de profeten"
Voor óns, is en blijft hij echter een dienaar des Heren, die daartoe door de Here God werd geroepen; deze dienaar heeft zijn plicht in de dienst des Heren vervuld, en vreesde de openbare mening niet.
Er zijn in het Oude Testament visioenen die éérst op het oudtestamentische Israël van toepassing zijn en daarna geestelijk overgezet worden op het geestelijke Israël.
Dít visioen, is echter enkel en alleen te verklaren in het licht van het Nieuwe Verbond, ten tijde waarvan het zijn vervulling pas heeft gekregen.
Dit visioen begint met de woorden:"Toen zag ik, en zie,een stormwind kwam uit het Noorden af, een grote wolk en een vuur daarin vervangen."
In 2 Kronieken 5:12-14,lezen wij, dat, toen de Ark met de 2 stenen tafelen in de Tempel was gebracht en de Levieten-zangers met de 120 priesters éénparig trompetten, en zij zongen om een éénparige stem te laten horen, om de Heer te prijzen en te lovend met cymbalen en andere muziek-instrumenten, dat toen het Huis met een wolk werd vervuld, namelijk het Huis des Heren, en, dat de priesters vanwege die wolk niet konden staan om te dienen omdat de Heerlijkheid des Heren het Huis Gods vervulde.
Hierbij aansluitend kunnen wij in Handelingen 2:1,2 lezen: "En,als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd,-waren zij allen, (volgens Handelingen 1:15 waren dat 120 personen,) ééndrachtelijk bijeen. En,daar geschiedde haastiglijk vanuit de Hemel een geluid als van een geweldig gedreven wind en vervulde het gehele huis waar zij zaten."
Deze stormwind is het beeld van de geesteswind, zoals wij óók kunnen lezen in Ezechiël 37:9, waar de geest moet blazen in de gedoden.
Oók Johannes 3:8 leert ons,dat de Geest werkt als de wind: "Gelijk de wind blaast waarheen hij wil."
De tegenwoordigheid van de wind wordt waargenomen, echter, wíe zal zijn oorsprong bepalen en het doel ervan.? Zeker, wij weten dat het uit God is, máár, verklaren hóe het werkt en waartoe dit alles zal leiden, neen,dat kunnen wij niet. De toekomst zal echter alles onthullen, want dán wordt het een aanschouwen van alle verborgen Goddelijke krachten en machten.
In dit visioen van Ezechiël komt de stormwind uit het Noorden.
In Israël kwam het oordeel, dóór de vijandelijke machten,die als een strafroede toegelaten werden om Israël te tuchtigen, dikwijls vanuit het Noorden.
Moeten wij die stormwind nu als zodanig verstaan en begrijpen.?
Nee, maar, laten wij wél het karakter van een zuiverende wind vasthouden.
De Noordenwind in Palestina is namelijk koud en sterk. Deze geweldige wind of stormwind verdrijft de bange mensenvrees en voert de mens in hogere sferen.
Het is de drijving van de Heiligen Geest, die zich, als een geweldige wind, op de Pinksterdag openbaarde.
En, wij zien dan, dat Petrus, onbevreesd, een sterke en krachtige rede houd.Die stormwind drijft door het luchtruim een wolk voort.
Geestelijk kennen wij die wolk als de wolk der Getuigen. Hebreeën 12:1,en, die wolk is híer de Gemeente des Heren, Zijn Kerk, Zijn Getuigen.
De Schrift zegt ons óók in Judas 12, dat dwaalleraars waterloze wolken zijn.
De witte ofwel blinkende wolk die genoemd wordt in Openbaring 14:14, is de verheerlijke gemeente.
Wanneer Petrus nu, sterk en krachtig, het woord voert, dan zien wij dat die wolk der Getuigen, op diezélfde dag met 3000 zielen in aantal toeneemt.
In het visioen van Ezechiël,was er in de wolk een vuur.
Dat vuur openbaarde zich op de Pinksterdag. Zij spraken in vreemde talen, en, hóe wonderlijk werd hier de Schrift vervuld.
Dat vuur was dus in die wolk der Getuigen.
"en een glans was rondom die wolk".
Inderdaad,een heilige glans ging er van die Getuigen uit;vele wonderen en tekenen,en óók de dood,waarmede Stefanus de Here God verheerlijkte.!
"En,uit het midden daarvan was, als de verf van Hasmal,uit het midden des vuurs."
Wanneer wij dit nu vergelijken met Ezechiël 1:27,dan zien wij dat die verf of kleur van Hasmal, óók gezien wordt op de gelijkenis des mensen, die bóven het uitspansel, op de gelijkenis des troons was.
Die gelijkenis eens mensen, is de Here Jezus Christus, Die, van bóven de wolk der Getuigen, vanuit de Hemel Zijn Kerk bestuurt.
Hasmal wil zeggen: "Schitterend metaal" of "Gouderts in het vuur". Hasmal is nu het middelpunt van het vuur, de haard.
Zó is Christus, Die de mond der Waarheid is, en, Die de Heilige Geest zónder mate had op aarde, en in de Hemel heeft, het middelpunt, óók in het vuur dóór de Trooster, de Heilige Geest, waardóór Hij, vanáf de Pinksterdag, op de aarde werkzaam is.
Echter niet alleen het spreken door de Heiligen Geest komt uit de wolk der Getuigen tot openbaring, want er is méér dat een onmiddellijk gevolg is van de Pinksterdag.
Ezechiël ziet éérst iets heel wonderlijks, want in vers 5 van hoofdstuk 1,lezen wij: "en uit het midden daarvan, dus uit dat Hasmal, dien vuurhaard, kwam de GELIJKENIS VAN VIER DIEREN".
De vertaling van "vier dieren"is hier echter niet geheel op zijn plaats omdat wij in andere vertalingen kunnen lezen: "levende wezens",want Ezechiël zegt immers in het slot van vers 5: "zij hadden de gelijkenis van een mens".
Tevens vermeld vers 8 van mensenhanden onder hunne vleugelen.
Dat nu die levende wezens ofwel levende gestalten uit mensen moeten bestaan, dat lezen wij heel duidelijk in Openbaring 5,8,9,10, want dáár staat onder andere: "en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed,uit alle geslacht, en taal en volk en natie", en vérder: "en Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters en wij zullen als koningen heersen op de aarde".
Dit alles óók met betrekking tot de vier levende wezens.
In Ezechiël 10:1, worden deze 4 levende wezens cherubs genoemd.
In Ezechiël 10:14, ontbreekt de naam van de os, maar in plaats daarvan wordt de naam cherub gebruikt.
De naam cherub betekent: drager des Heils, of: drager van een levende wagen of trekker van de wagen.
Wélke van deze naams-verklaringen de juiste is, dat kan moeilijk gezegd worden, maar, hoe het ook zij, alle drie deze namen hebben een schone betekenis want zij wijzen alle op een werkzaamheid in de dienst des Heren.
En, zó is het ook inderdaad, want, het zijn immers de ambten, die Christus alle vier op aarde ín Zich had, doch die Hij láter aan Zijn gemeente heeft gegeven.
Ezechiël ziet hier dus de strijdende Kerk des Heren, vandaar, dat wij in Efeze 4:11 lezen: "En Dezelve, Christus, heeft gegeven sommigen tot Apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot Evangelisten en sommigen tot herders en leraars."
Die ambten,die een gave Gods zijn,die komen nu vanuit Hasmal, vanuit het midden van het vuur,te voorschijn. Zie daarvoor óók Handelingen 13:1-4. Zoals in dit tekstgedeelte uit het eerste vers blijkt, waren Barnabas en Saulus toen nog geen apostelen en hun roeping tot een eventueel vorig ambt staat nergens beschreven, maar hun roeping tot apostel zeer uitdrukkelijk.
Zij komen dus, als apostelen, uit dat vuur van Hasmal te voorschijn. Uit Handelingen 14:14 blijkt,dat zij toen waarlijk apostelen waren.
Aan deze vier ambten liggen de vier menselijke karakters of zielsgaven ten grondslag. De karakters, die aan de Here God zijn gewijd, door Hem verlost en geheiligd en in Zijn dienst bruikbaar geworden.
Deze karaktertrekken of zielsgaven,zijn: 1: de wil; 2: het gevoel; 3: het verstand; 4: de verbeeldingskracht;
Deze karaktertrekken of zielsgaven ziet Ezechiël in de vier aangezichten van: 1: de mens; 2: de leeuw; 3: de os-(of cherub); 4: de arend.
Ieder mens heeft vier karaktertrekken in zich, maar één van deze trekken is overheersend; bij de één de wil, bij de ander het gevoel, enz.
De karaktertrek die het meest naar voren komt, vormt de persoonlijkheid van de mens of juister gezegd: geeft de boventoon aan zijn karakter.
Dáárom hebben in Ezechiël de vier gestalten ieder vier aangezichten, máár toont zich in Openbaring 4:7, bij ieder van de vier wezens slechts één van die aangezichten.
Het komt dus hierop neer:de vier levende wezens,zijn de vier ambten, en de vier aangezichten zijn de vier karaktertrekken, die elk, voor wat hun aard betreft, bij één der ambten passen.
Dit moet dus in wezen in de Kerk van Christus aanwezig zijn en moet tevoorschijn treden vanuit het vuur van de Heiligen Geest, en, dáárom mogen wij ook, in deze laatste tijd, het Pinksterfeest vieren, niet als iets wat éénmaal is geschied, maar als een wérkelijk feit, dat óók wíj bezitten mogen dát wat aan de Eerste Kerk die grote vreugde en blijdschap gaf.
De vroege regen zorgde voor het zijne, maar de spaden-regen zal het koren doen rijpen zodat de Eerstelingen-oogst kan worden binnengehaald en aan de Heer kan worden voorgesteld.
Tintelend van het vuur van de Heiligen Geest, stond daar de Eerste Kerk van Christus, getooid met de gaven en krachten en de ambten, geroepen en gesteld door de Heiligen Geest.
Nooit of te nimmer heeft de Heer deze grondslag van Zijn Kerk verandert en dáárom heeft Hij in 1830 hersteld wat verloren was gegaan en wordt opnieuw die stormwind, dat vuur en dat Hasmal, waaruit nu nog steeds die vier levende wezens te voorschijn treden, niet als een herhaling, maar als een voortzetting van datgene wat éénmaal op die Pinksterdag begonnen was, werd waargenomen.
Nu nog enige bijzonderheden over de werkwijze van deze levende wezens.
In Ezechiël 1:7 lezen wij:"en hunne voeten waren rechte voeten".
Het brengen van de Blijde Boodschap van het Evangelie van Jezus Christus wordt in Nahum 1:15; Jesaja 52:7; en in Romeinen 10:15 genoemd: de verkondiging door de voeten.
Die verkondiging van het Evangelie moet in de rechte orde geschieden, dat wil zeggen, het moet geschieden door geroepen dienaren des Heren.
Apostel Paulus wist heel goed, dat zij, die het Evangelie verkondigen, uit de vuurhaard van de Heiligen Geest te voorschijn moeten komen, want hij zegt immers in Romeinen 10:15: "En, hóe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden.?"
Met andere woorden: "Wíe matigt zichzelf de eer aan om het predikambt te vervullen zónder de uitdrukkelijke opdracht des Heren?"
En, op deze woorden volgt dan direct: "Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen,dergenen die het goede verkondigen."
Rechte predikers zijn rechte voeten, op rechte wijze geboren,dat wil zeggen, zoals de Here God het wil in de rechte ordeningen des Heren.
Is een prediker als zodanig niet op de rechte wijze geboren,dan zal hij de Blijde Boodschap van het Evangelie, met álles wat daaruit voortvloeit, slechts ten dele kunnen weergeven; zelfs al is hij nog zo gevoelvol en daarbij ook nog een uitmuntende redenaar.
Hij zal uit de Schrift altijd een gedeelte moeten doodzwijgen en er niet over kunnen praten.
Neen,het is: "Sta recht op uwe voeten".
Daarvoor is nodig: Bewustheid van eigen onmacht en blindheid, en, daarbij het geloof in genezing.
Apostel Paulus zag aan de kreupele te Lystra, Handelingen 14:7-18, dat deze kreupele het geloof had om gezond te worden.
En, ná de woorden: "Sta recht om uwe voeten", zag Paulus de Oud-Testamentische voorzegging: "de kreupele zal springen als een hert", in natuurlijke zin in vervulling gaan.
Wij mogen dit echter nog meer in geestelijke zin bezien, want de kreupelen worden geroepen tot het Grote Avondmaal.
Velen van de Eerstelingen hebben ondervonden, dat zij van hun geestelijke kreupelheid werden genezen.
En zó zullen dan óók de dienaren onder de Eerstelingen recht op hunne voeten staan in het Getuigenis des Heren dat zij hebben uit te dragen.
Ezechiël hoort de roepstem: "Sta op uwe voeten".
Ezechiël lag onmachtig aan zijn voeten, ter aarde en het is de Geest Gods die hem op zijn voeten stelt. Ezechiël 2:1,2.
Zó is het nu óók met de vier wezens, de vier ambten van Christus.
Het is de Heilige Geest die hun de rechte voeten geeft.
Ezechiël hoorde niet alleen de stem, maar hij zag óók de heerlijke gelijkenis van Hem, Die met hem sprak.
Dit was niet een inwendig gevoel, een inwendige roeping, nee, zulk een roeping is aan de Heilige Geest volkomen vreemd.
Met de roeping van Ezechiël is de roeping van de Nieuw-Testamentische ambten in overeenstemming, zoals wij die beschreven vinden in Handelingen 13:1-4. Zij zijn beiden uit en dóór de Here God; de rechte orde.
Heel eigenaardig waren die voeten; want een kniegewricht dat de buiging bij mens en dier maakt, is er niet waar te nemen. Recht zijn zij, volkomen recht.!
Want er is geen aanleiding tot een buiging van het Evangelie Gods.!
Deze voeten zijn onberispelijk in de verkondiging van de leer der Schriften, het Woord van God.
Dát getuigenis had de moeder, de Apostolische Kerk der eerste eeuwen, maar óók haar dochter, haar WARE DOCHTER, de Apostolische Kerk van deze tijd, de zuivere afstammeling dergene die haar gebaard heeft; ook zij draagt die onberispelijke leer in haar boezem, zoals de Heer die in de Kerk der eerste eeuwen vastlegde.
Zó wordt het heerlijk Evangelie van Gods genade en barmhartigheid voortgedragen op de aarde, tot eer des Heren.
Ten allen tijde zijn er ware belijders geweest die in de schoenen stonden van de éérste belijder Petrus, (want, evenmin als Petrus de satan in eigen persoon was, evenmin was hij in persoon de rots, de Petra, neen, hij was slechts een belijder, waartoe hij de kracht niet ontving uit vlees en bloed, maar uit God, door de Rots Christus),en, in het bijzonder zullen die belijders gevonden worden onder de Eerstelingen Gods die het Getuigenis, dóór de vier levende wezens op aarde, verkondigen.
De tijd, om het Getuigenis van de Here Jezus, hetwelk de Geest der profetie is, uit te dragen, is nóg goed; maar, de kwade dagen die niet ver af meer zijn, naderen hoe langer hoe meer.
De Here God zal toelaten, evenals de Heilige Schrift ons dat leert, dat het Beest, de Getuigen in hun getuigenis van het ware Evangelie, onmachtig in de voeten zal maken, dat wil zeggen, de Prediking zal gaan verbieden.
Dán zullen zij dood liggen; máár, het is evenwel de Geest Die uitgaat van de levende God, die wéér ín hen zal komen en hen weder op de voeten zal stellen om nog éénmaal, vóór hun opneming ten Hemel, een krachtig getuigenis te doen horen en hun daartoe recht op hunne voeten zal stellen, tot grote schrik van hun vijanden.
"En hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf".
De vorm van de voetplanting, afdruk, van een kalf, zijn balvormig; en, wáárom die levende wezens zulke voetplanten hebben, dat wordt ons in het 9e vers opgelost.
Uit dit vers blijkt, dat deze wezens zich niet hoefden óm te keren; zij hoefden het werk niet óver te doen. Zij konden dus alle vier zijden uit, en dus zijwaarts gaan zónder zich óm te wenden.
Een kalf laat bovendien, zoals alle reine dieren dat doen, een tweevoudige afdruk achter in de aarde.
Deze tweevoudige afdruk/indruk van Woord én Geest moet dus waarneembaar zijn.
Dat dit zo is, dat bewijzen de predikingen en de geschriften der Apostolische Kerk, die door haar ambten een Getuigenis heeft uitgebracht en nóg uitbrengt zowel tégen de Kerkelijke als wel tegen de Wereldlijke Overheid.
Dat deze opdracht voor haar niet altijd even liefelijk is, dat bewijst ons Openbaringen 18:20.
Ondanks dat, is er veel liefelijks in hun getuigenis ten opzichte van hen die een luisterend oor hebben en een hart dat geneigd is om alles te laten varen en de waarheid Gods aan te nemen.
Zij, die dat doen, nemen dan ook aan dat de Trooster getuigt, mét des Heren dienaren. Johannes 15:26,27: "en glinsterden gelijk de verf van glad koper".
In Daniél 10:6, wordt gesproken over: gepolijst koper.
Koper heeft over het algemeen in geestelijke zin een onaangename klank, het herinnert ons volgens Jeremia 6:28, aan verderf.
Oók is koper het beeld van vastheid; in boze zin zien wij dat genoemd in Job 40:13.
Ezechiël ziet echter glad of gepolijst koper. In de goede zin nu, houden wij het beeld van vastheid voor ogen.
Gepolijst werk is een sierlijk en mooi werk.
Ezra spreekt in Ezra 8:27,28, over twee vaten van blinkend goed koper, welke heilig zijn.
De verkondiging van het wáre Evangelie des Vredes, en álles wat daaraan verbonden is, heeft een sierlijke en vaste gang. Recht en vast op het doel af. "En zij gingen elkeen recht uit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om,als zij gingen."
Geen geheul met de vijand, maar recht door zee.
Zij volgden hun Meester in Zijn wijze van werken; Hij sneed het Woord der Waarheid recht.
Hij bestreedt de slang, die in de Egyptische duisternis trachtte om Hem te bijten, met het Woord en sprak: "Er staat geschreven".
Het gevolg was, dat zowel de Orthodoxen, als de Vrijzinnigen onder de Joden, moesten heengaan, tótdat de tijd kwam die door de Here God werd toegelaten, dat de slang in de verzenen beet, zoals reeds in het Paradijs was voorzegd.
Dit geschiedde temidden van het geestelijke Sodom en Egypte, waarvan de bewoners rondom het kruis stonden.
Zó ook gaan de vier levende wezens verder om de rechte leer te verkondigen; máár, wéér staat de slang gereed om te bijten.!
Nog steeds wordt hij van het altaar af gehouden en bestreden met met hetzélfde Woord Gods, waarbij de Heilige Geest mede getuigt.
Tótdat de duisternis het altaar zal bedekken en de slang haar werk kan gaan verrichten, de dienaren Gods werkeloos makende door het doden van de getuigen in het geestelijk Sodom en Egypte.
Nú is het echter nog de tijd om voort te gaan waarheen de Geest is om te gaan; die leiding des Geestes nemen wij zeer duidelijk waar bij de dienaren die in de Heilige Schrift genoemd worden, echter óók in deze onze laatste tijd.
De dienaren getuigen, maar de Heilige Geest getuigt mede in het midden der Gemeente; en, díe Waarheidsleraar is het, Die aangeeft waarheen het Getuigenis zal gaan; kortom, Die verkondigt álles wat de Heer, als het Hoofd Zijner Kerk, wil, dat Zijn leden moeten weten. "Als er geen profetie is, dan is het volk ontbloot", of, zoals een andere vertaling luidt: "indien er openbaring ontbreekt, dan verwildert het volk".
De strijd is des Heren, en, deze strijd is niet vleselijk maar geestelijk; de Heilige Geest zal in alle waarheid leiden, want Hij zal van zichzelve niet spreken, maar, zo wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken en de toekomende dingen zal Hij ons verkondigen.
Dáárop slaan de dienaren acht, en, wanneer zij beproefd hebben dat het wáárlijk des Heren Woord is, dán is er géén achterom zien, géén terugkeren, maar een vast en sierlijk voortgaan in des Heren kracht.
In Lukas 9:62 staat: "Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk Gods."
Onvoorwaardelijk verder gaan op het Woord des Heren; niet door eigen inzicht of door een zogenaamd toeval; niet doelloos, maar op des Heren bevel, evenals Petrus zei: "doch,op Uw Woord zal ik het net uitwerpen."
Door de vleugelen welke de levensvolle wezens dragen,hebben zij oók het vermogen om zich in het luchtruim te bewegen, maar, hier willen wij later nog eens op terugkomen.
Wij besluiten dit schrijven met de gelijkenis der dieren: "hunne gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen."
Uit het Hooglied 8:6, leren wij, dat de liefde en de ijver in de dienst des Heren, vurige kolen of vlammen des Heren bevatten.
In Jesaja 6:6,lezen wij, dat één van de cherafs een gloeiende kool in zijn hand had, die hij met een tang van het altaar had genomen.Met die kool roerde hij de mond van Jesaja aan en zei: "Zie, deze heeft uwe lippen aangeroerd, alzo is uw misdaad van u geweken en uwe zonde is verzoend".
Het vuur verwekt dus liefde en ijver en het loutert.
In Openbaring 8:5, zien wij dat de Engel vuur van het Altaar neemt, daarmede het rookvat vullen en het daarna op de aarde werpen waarna er stemmen en donderslagen en bliksemen geschieden en aardbevingen.
Meer in het bijzonder is dit het vuur hetwelk Ezechiël waarneemt; brandende kolen vuurs, vlammen des Heren, of fakkels.
Zó is de gedaante der levende wezens; die dienaren moeten daar staan als brandende fakkelen; zó is hun gedaante. zie in verkeerde zin:Openbaring 8:10. De dáár genoemde ster ALSEM brandde als een fakkel.
Dat vuur was steeds tussen de levende wezens; uit dat vuur kwam de bliksem voort.
Jezus Christus was Zélf éénmaal op de aarde gekomen om dat vuur op de aarde te werpen. Lukas 12:49. "Uit dat vuur kwam de bliksem voort".
Het geroep "Maran-atha" dat in deze laatste tijd nog wordt gehoord, vindt zijn oorsprong door de Heilige Schrift in de Apostolische Kerk en ving aan in het jaar 1836.
Mondeling én schriftelijk legden de dienaren Gods aan alle kerkelijke en wereldlijke overheden van Europa een getuigenis af, dat is vastgelegd in het MANIFEST DER APOSTOLISCHE KERK. En, gelijk de bliksem, zo klonk het geroep over de aarde van het Oosten tot aan het Westen: "Waakt, waakt, want de komst des Heren is nabij, voor de deur. Gij weet niet in welke ure de Heer komen zal.Maran-atha."
Veel strijd, veel tegenspraak, maar brandende van het vuur van de Heiligen Geest, stonden zij recht op hunne voeten.
En, nog steeds gaat de Maran-atha-prediking uit van de Apostolische Kerk; anderen mogen dit geroep nabootsen, maar voor hen kan het geen dag van blijdschap wezen als de Heer wérkelijk komt, want zij zullen tot hun grote droefheid bemerken dat de olie uit de lamp is.
In de goede tijd hebben zij geen olie willen aannemen van de Heer, uit de hand van Zijn Apostelen die daartoe als vaten gesteld waren.
Integendeel, men heeft ze bespot, veracht en miskend.
Heden gaat echter nóg het geroep uit en is er nóg gelegenheid om de lampen te vullen.
Nóg gaat dat vuur tussen de levende wezens door en niemand kan dat vuur doven, totdat de Heer het voor een wijle zal toelaten.