De komende heerlijkheid
Advent en kerstfeest worden in het Oude Verbond voorafgeschaduwd door het loofhuttenfeest (in het Engels heet het feest 'tabernacles').
De historische betekenis is, dat deze periode van 8 dagen (van de 15e tot de 22e dag van de zevende maand) de kinderen Israëls moest herinneren aan de reis door de woestijn, waarbij men veertig jaar in hutten of tenten had moeten wonen. Tijdens deze dagen die voor ons in oktober zouden vallen, werd ook gevierd dat de wijn- en vruchtenoogst geschied was en daarom noemde men het ook wel 'feest der inzameling'.
Van boomtakken bouwden de Joden dan hutten -op de daken of in hun tuinen of op de straten, die zij met bloemen en alle soorten vruchten versierden- waarin zij, zolang het feest duurde, vertoefden om feest te vieren en uiting te geven aan hun blijdschap.
Hoop
"Het Woord heeft onder ons gewoond," lezen we in het begin van Jh.1:14. In het origineel staat eigenlijk het woord 'getabernakeld'. Bij het kerstfeest gedenken we de eerste komst van Gods Zoon, Die hier op aarde in ons vlees Zijn hut of tabernakel heeft opgeslagen. Advent (Lat. 'adventum', komst) is niet slechts de voorbereiding op het feest van de geboorte van de grote Koning, maar eveneens het hoopvol uitzien naar Christus' komst in heerlijkheid, waarover we vernemen in Op.21: "En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen (er staat: 'tabernakelen'), en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn". (vs.3).
Ook de profeet Zacharia mocht van het rijk van duizend jaar voorzeggen: "Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren". (Zc.14:16).
Haggai 2:2-9 Nu vinden we in de profeet Haggaï een tekstgedeelte dat begint met de vermelding dat het woord des Heren kwam op de eenentwintigste van de zevende maand. Dat is dus de zevende dag van het loofhuttenfeest geweest, zoals we uit het bovenstaande kunnen afleiden. Deze mededeling is natuurlijk niet zonder betekenis. Het wijst heen naar de tijd dat we onze aardse tent hebben afgelegd en een gebouw in de hemel hebben verkregen.
Met Paulus mogen we constateren: "want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden". (2Kor.5:1,5). Het is de tijd waar we naar uitzien en het loofhuttenfeest (voor ons advent en kerst) voedt de hoop, zodat we in dit aardse bestaan gesterkt verder kunnen. Dat is ook een belangrijke reden waarom het woord van de Heer kwam. Het is gericht tot Zerubbabel, de landvoogd, tot Jozua de hogepriester en het overblijfsel van het volk. De beide genoemden zijn de leidslieden en de anderen zijn de achtergeblevenen van Jeruzalem en teruggekeerden uit Babel na de ballingschap. Met elkaar vormen ze het type van voorgangers en volk van de eindtijd die uitzien naar Christus' wederkomst.
Vraag
De Heer begint het woord met een vraag: "We onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?". Het huis verwijst naar de verwoeste tempel, die enigszins was hersteld, maar het niet haalde bij de oorspronkelijke heerlijkheid.
Dezelfde vraag kunnen we stellen aan de nieuwtestamentische tempel, bestaande uit levende stenen, dat priesterlijke volk van de Heer, te gebruiken "tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus". (1Pt.2:5).
Hoe is het met Gods volk gesteld, dat één zou moeten zijn, maar verdeeld is in allerlei kerkafdelingen? Zien we niet de grote afval van het geloof in de oorspronkelijk christelijke staten van Europa? Wat gebeurde er na het eerste hoopvolle begin van de late regen, de vernieuwde uitstorting van de Geestesgaven rond 1830?
De duizenden van het begin met grote volle kerken: ze zijn grotendeels verdwenen. Alles is geworden "als niets in onze ogen". We kunnen de vraag van de Heer beamen. Ja, naar menselijke maatstaven is het niet veel bijzonders.
Immanuel
Maar nu begint de Heer door Zijn Geest leiders en volk te bemoedigen. "Wees sterk Zerubbabel, Jozua en volk en ga aan het werk, want Ik ben met u," is de boodschap.
Moeten we hierbij niet dadelijk denken aan de aanhaling uit Mt.1:23: "Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons."
De Zoon des mensen is gezonden om ons met God te verzoenen, maar ook om al de dagen tot aan de voleinding van de wereld met ons te zijn, zoals we vinden in Mt.28:20, waar, in het vers ervoor, ook het werk dat te doen staat, wordt vermeld: "Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb."
Het is de verkondiging in woord en daad van het eeuwige evangelie (Opb.14:6) dat God Zich ontfermt over mensenkinderen van alle volk en stam en taal en natie. Er is geen ander werk en er is geen andere belangrijke boodschap dan deze.
De hervormer Zwingli heeft het ooit in zijn 67 artikelen zo geformuleerd: "Hoofdsom van het evangelie is, dat onze Heer Christus Jezus, ware Godszoon, ons de wil van Zijn hemelse Vader heeft kond gedaan, en met Zijn onschuld van de dood verlost en Gode verzoend heeft". Laten wij daarbij een van Zwingli's andere artikelen niet vergeten: "Gelijk de mens dwaas is, als de leden iets zonder het hoofd uitrichten, zodat zij zichzelf scheuren, verwonden, beschadigen, zo ook, als de leden van Christus iets zonder hun Hoofd Christus ondernemen, zijn zij dwaas, slaan en benadelen zichzelf met onwijze geboden."
Geen angst
We hoeven niets te vrezen, want Gods Geest staat in het midden, vervolgt de tekst van Haggai 2, net zoals de dagen dat Israël Egypte verliet en wolk- en vuurkolom niet uit het midden van het volk en de tabernakel verdween. In één van de redes van de Heer (Lc.12:22-34) verklaart Hij dat Zijn volk niet bevreesd hoeft te zijn. Daar zegt Hij o.a.: "Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven. Verkoopt uw bezittingen om aalmoezen te geven. Maakt u beurzen, die niet oud worden, een schat, die nooit opraakt, in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze schaadt. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn."
Daarnaast zegt de Heer door de profeet Haggai dat het niet lang meer zal duren: "Een ogenblik nog, een korte wijle, dan zal Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge doen beven". We lezen hetzelfde in Joel (2:16): "En de Here brult uit Sion en verheft zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar de Here is een schuilplaats voor zijn volk en een veste voor de kinderen Israels".
Dan zal Christus wederkomen op de wolken des hemels en alle tranen van de ogen afwissen. Ja, "de kostbaarheden van alle volken zullen komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Here der heerscharen." En even verderop: "Van mij is het zilver en het goud." We weten dat deze edele metalen ook 'staan voor' de waarheid en de liefde. Christus is de Waarheid en de liefde blijft eeuwig. Aan Hem mogen we ons vastklampen, want de hele wereld met alle machthebbers mag pogen om het lichte juk van de Zoon of te werpen, het zal hen niet gelukken (zie Ps.2). Die tegen Hem strijden zullen ten onder gaan.
Wederkomst
Daarbij, "de toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HERE der heerscharen." Hij heeft alle macht in hemel en op aarde, Hij is de HERE Zebaoth, Die vele hemelse legers tot Zijn beschikking heeft en Hij voorzegt dat de heerlijkheid van die op het oog vervallen tempel groter is dan voorheen.
Waarom? Omdat de Koning der ere hier binnen zal komen. Door Zijn wederkomen wordt alles geheiligd en opgericht en zal Zijn majesteit die levende tempel vervullen, waardoor de stenen in een punt des tijds aangedaan worden met eeuwige gelukzaligheid. Alle volken zullen komen naar dat Jeruzalem dat uit de hemel neer zal dalen, getooid als een bruid die voor haar Man versierd is (Opb.21:2), de eeuwige Immanuël. Die heilige stad heeft de heerlijkheid Gods lezen we in het zelfde hoofdstuk, die met niets te overtreffen valt.
Haggaï mocht profeteren opdat Gods volk getroost zou zijn, toen, maar ook nu, want de geestelijke vervulling is voor heden. De Here roept ons op om moed te houden en sterk te blijven, te ijveren voor de opbouw van Zijn gemeente, ondanks dat alles gering lijkt in onze ogen. Hij heeft in Zijn liefde een verbond met mensenkinderen gesloten en belooft ons een prachtige toekomst. De Here zij met ons allen. awb