E Z E C H I Ë L 37.

Het leven uit de doden.

De Heilige Schrift is gegeven tot een veilige gids, én voor de meest dagelijkse dingen van het leven, én voor de hoogste belangen der ziel en der eeuwigheid.

De Heilige Geest verenigd in dit hoofdstuk drieërlei waarheid in éen greep; ons voorstellende de tijdelijke verlossing van Israël uit de verstrooiïng; de geestelijke opwekking van de dode zondaar; of, de opstanding der ziel en de opstanding van onze lichamen.

Wij kunnen het gezicht van de doodsbeenderen vallei op al deze toestanden van toepassing brengen, in elk geval moeten wij ze bij de uitlegging ervan voor ogen houden.

Wij weten, dat de Opstanding van Christus het beginsel is van alle wedergeboorte en ook van de opstanding des vlezes.

Dezelfde kracht, waarin de Christus Zélf opstond, wordt voortgezet in de wedergeboorte, en wel zo dat ieder mens die bekeerd wordt, deelt in de opstanding van Christus.

Opdat nu de mens bij de wedergeboorte de opstandingskracht van Christus in zich ondervindt, is het duidelijk waarom de apostel Paulus zichzelve, en anderen, nog beschouwd als nog in de zonden zijnde en dus verloren zou zijn wanneer Christus niet was opgestaan.

Hij zegt er eenvoudig mee: Is Christus niet zelve uit de doden opgestaan, zo kan Hij ook geen anderen uit de doden doen opstaan.!

En dáárom kan iedere bekeerde zeggen: Ik weet, Ikzelf ben er getuige van dat Christus uit de doden is opgestaan, want Hij heeft mijn ziel uit de doden opgewekt, en, zo ben ik zeker, dat Hij het ten laatste dage ook mijn lichaam zal doen.

En, evenals nu ziel en lichaam herleven, zó zal óók het volk van Israël als volk herleven uit de dood door de opstanding van de Here Jezus Christus.

De Here God, Die Zijn éénmaal bezochte plaatsen telkens opnieuw bezoekt om ze door nieuwe openbaringen te heiligen en te verheerlijken, zal óók Israël, dat Hij zo menigmaal bezocht, in de laatste der dagen andermaal bezoeken om, ná al Zijn oordelen over hetzelve uitgestort te hebben, hetzelve Zijn ontferming te doen ondervinden.

De hand des Heren was op mij: De hand des Heren is de Geest des Heren, is de Heilige Geest.
En de Heer voerde mij uit de Geest: Ezechiël zag dus dit gezicht in de geest, dat wil zeggen door de Heilige Geest.

En zette mij neder in het midden der vallei: Voor de aanschouwing der natuur, geeft de Here God Zijn knechten de ogen van het lichaam, doch voor het aanschouwen van de geestelijke dingen geeft Hij hun de Heilige Geest.

Wij hoorden de profeet zeggen: "De hand des Heren was op mij"

Wat zag hij?

Hij zag het tegenovergestelde van alles wat schoonheid en pracht was; het tegenovergestelde van al wat liefelijk was;van alles wat leven en frisheid is.

De Heer plaatste hem in het midden der vallei te midden van de doosbeenderen, dus, in het midden der doden.

Welk een standplaats, een levend mens te midden van al die doodsbeenderen. Oók Christus wandelde, als de Enig Waarachtig Levende, in het midden der doden, want, wat niet in Hem was, was dood. En, Hij was niet enkel het leven, maar óók de opstanding.

Dáárom was het voor Hem hetzelfde, of Hij een enkel lid van het lichaam, of de gehele mens levend maakte.

Blinde ogen zijn dode ogen; een dorre hand is een dode hand.

Het dochtertje van Jaïrus op het bed; de jongeling te Naïn op de baar; Lazarus in het graf; zij zijn voor Hem allen gelijk.

Hij spreekt en ze leven en zo zijn ook voor de bekering van de mens en van vele mensen, de verlossing van de enkele Israëliet of van geheel Israël; de vernieuwing van Palestina of van geheel de aarde tot een aarde waarop gerechtigheid wonen zal, voor Hem dezelfde zaken want zij zijn allen de voortzetting van één lijn, die in Hem, de Christus, haar uitgangspunt heeft.

En, Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan, geheel rondom, en ziet,er waren zeer velen op de grond der vallei, en ziet, ze waren zeer dor.:

Ezechiël zag direct met één oogopslag een vallei vol doodsbeenderen, niet onder de aarde, maar boven de aarde, dus, een geopend kerkhof.

Een akelig gezicht, een zeer droevige vertoning en zeer geschikt om een diepe zwaarmoedigheid in de ziel van de profeet te storten, maar toch was deze vluchtige aanschouwing niet genoeg, want de Heer leidde hem rondom de gehele vallei.

Ezechiël moest de gehele zaak van zeer dichtbij bezien en hij moest de gehele omvang der vallei, de gehele grote menigte van doodsbeenderen leren kennen, want hij moest er van overtuigd worden dat er niets anders dan doodsbeenderen lagen.

Er waren, zo zegt de profeet,vele beenderen en zij waren zeer dor,want deze beenderen hadden er niet een korte, maar reeds een zeer lange tijd gelegen

Waarom liet de Here God nu aan de profeet deze uiterst dorre doodsbeenderen zien?

Omdat de Here God gewoon is, alvorens te redden, de dingen tot hun uiterste te laten komen, tot aan het punt van reddeloosheid.

Het is Gods heerlijkheid om het leven voort te brengen uit de dood, en, het is wel opmerkelijk dat het ongeloof juist aan de Here God deze hoogste eer probeert te ontnemen.

De ongelovigen ondervinden het meerdere malen dat een zaak tot de uiterste ellende moet komen alvorens de Here God ingrijpt en het alles toen goede keert,

En Hij zeide tot mij, mensenkind zullen deze beenderen levend worden?

Zo eenzaam spreekt de Here God met de Zijnen, dat Hij hun als het ware om raad vraagt. Zo zeide de Here Jezus óók tot Zijn dicipelen: vanwaar zullen wij broden kopen opdat deze mogen eten?

Meerdere malen vraagt de Heer aan anderen wat Hijzelf voornemens is om te gaan doen; om ons een verwachting te geven van hetgeen op handen is en om ons geloof te steunen en op te heffen tot de hoogte waarop het staan moet om de heerlijkheid van de Here God te aanschouwen.

En ik zeide: Here Gij weet het.
De profeet laat het aan de Here God over om te beslissen. O, mochten wij dat ook maar steeds doen, want wij kennen de voornemens niet van de Here God en laat ons dan dus Zijn wegen overlaten aan Zijn wijsheid.

Toen zeide Hij tot mij: profeteer óók deze beenderen, dat wil zeggen spreek tot de beenderen, of, gelijk de kracht van het oorspronkelijke met zich meebrengt: Spreek over deze beenderen de wil van de Here God uit. Profeteren is: de woorden van de Here God overbrengen naar de mensen. Ik zeg: de woorden Gods, want van woorden die uit eigen wijsheid voortkomen, kan niets Goddelijks voortkomen.

En zeg tot dezelve: gij dorre beenderen, hoort des Heren Woord.! De Here God zei niet tegen de profeet dat hij stil moest blijven zitten, omdat Hij het buiten de profeet om, zou doen. Nee, de profeet moest profeteren; door Gods Geest gedreven moest hij spreken.!

Gij dorre beenderen, hoort des Heren woord. Wat een wonderlijk bevel; wat een dwaasheid voor de natuurlijke mens, want, kunnen dan de dorre doodsbeenderen horen? Ja, als de Here God tot hen spreekt, dán kunnen zij horen.! De Here God zeide tot het licht, dat het zij, het licht kon niet horen en tóch was het er; tot de gevoelloze aarde sprak de Here God: "brengt voort", en, de aarde hoorde en brácht voort.De Here God roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren.

De zondaar kan niet horen, en tóch moet aan hem het evangelie verkondigd worden want onder het prediken hoort hij; wij weten niet hóe, maar hij hoort en bekeert zich.

De prediking van het Evangelie is een prediking van de doden.Christus zegt tot Zijn dicipelen: Predikt het Evangelie aan alle creaturen. Creaturen, schepselen, waarlijk geen vleiend woord voor mensen, doch een wáár woord.

Christus zendt het Evangelie tot de mensen zoals ze in hun natuurlijke staat zijn; niet tot de kinderen Gods, maar tot de schepselen Gods die een natuurlijk leven hebben doch geen Goddelijk leven.

Die mensen, die levend zijn voor zichzelf en voor de aarde, en die doof zijn voor het geestelijk goede en voor hun eeuwige belangen en die daarin gelijk staan met de dierlijke en ontzielde schepping.

Dáárom staan wij met het woord van God altijd in het midden der doden, ja, als wij waarlijk Christenen zijn, dan wandelen wijzelf onophoudelijk onder de geestelijk doden.
Maar, wij hoeven daarom niet moedeloos te worden, doch moeten steeds vurig blijven bidden tot Hem, Die de doden levend kan maken en dat ook werkelijk doet.
Wanneer de profeet Ezechiël niet had gedaan wat de Here God aan hem opdroeg en gezegd had: "hoe kunnen doodsbeenderen horen?", en daarmede dus het bevel van de Here God niet opgevolgd had, wat zou dan het gevolg hiervan zijn geweest?

Zou Gods oogmerk dan niet vervuld zijn geworden?
Nee, Gods Raad zou toch tot stand zijn gekomen, maar niet door dit middel en niet langs deze weg. In hogere zin lost alles zich op in de Raad van de Here God, doch dit neemt niet weg, dat al de ogenblikkelijke bevelen van de Here God, zo zij niet gehoorzaamd worden, verijdeld worden.
Alzo zegt de Here tot deze beenderen:
Ziet, Ik zal de Geest in u brengen en gij zult levend worden."
Op de prediking van het woord Gods, volgt de Geest Gods want op de Geest komt het aan: zonder Geest GEEN leven.!
Het lichamelijke leven wordt onderhouden door de Geest van het natuurlijke leven; doch de adem en het geestelijke leven wordt gegeven en onderhouden door de Heilige Geest,en gij zult levend worden.
De wereldse wijsheid haat het leven dat uit de dood moet komen. Haar ideaal is om van alles te profeteren van wat de wereld te bieden heeft: bezit van mooie dingen en van kapitaal.
En het overige?
Wég redeneren, óók de dood.
Máár, ondanks alles blijft de dood, ja, bij de wereld eindigd alles in de dood; doch in de Heilige Schrift, eindigd alles in het leven.
Zeker, men wil nog wel een plaats geven aan de onsterfelijkheid van de ziel; aan het voortleven van de mens zónder lichaam; maar, een opstanding van de gehele mens uit de dood, zoals de opstanding van Christus was, en is bij zéér velen het zelfde als de grootste onzin.
Doch de onsterfelijkheid der ziel is niet het levend maken van hetgeen dood is, maar, het niet sterven, het voortleven van het levende; terwijl, volgens de Bijbel, het enige grote doel van de Here God is: hetgeen dood is, weder levend maken.
De herleving van hetgeen dood is, ziet daar de opstanding welke wij geloven en die wij spoedig verwachten. De eerste schepping van de mens geschiedde uit het stof der aarde; zijn tweede schepping geschiedt uit hetgeen levend was, maar gestorven is, uit dorre beenderen of uit as.
En, wát hebben de wijzen der wereld daar op tegen?
Kan Hij, Die ons éénmaal het leven gaf, ons ook niet voor de tweede maal het leven geven?
De Here God heeft in duidelijke taal gesproken dat Hij ons voor de tweede maal het leven zal geven zodat wij dezelfde persoonlijkheden zullen zijn voor ons zelf en voor anderen, en, Hij voegde er aan toe dat Hij het niet voor de derde maal zal doen, neen, tegenover het tweede leven, de opstanding,staat de tweede dood, het eeuwige oordeel.
Openb.20:14.

En Ik zal zenuwen op u leggen en vlees op u doen opkomen en een huid over u trekken en de Geest in u geven en gij zult levend worden en gij zult weten, dat Ik de Here ben.!!

De formering van de mens zou van de grond af aan geschieden,evenals zij geschiedt in het lichaam der moeder; want, de Here God doet nooit alles opeens en tegelijk, neen, alles geschiedt bij de Here God volgens een heilige orde die door Hemzelf is gesteld, en, dáarom spreekt de Here God dan ook, voórdat Hij volbrengt. Hij zegt vooraf wat Hij doen zal en tóch doet Hij het door Zijn spreken.

Toen profeteerde ik, gelijk als mij bevolen was.
Het komt hier dus opaan, dat men niets doet, dan alleen datgene wat door de Here God bevolen is. Dát heeft zegen, maar élke eigenwillige gekozen weg, geeft geen vrede.

Wij moeten in alles, voor wat onze eigen inzichten betreft, door middel van gebed del her raadplegen, en, deden wij dat maar wat meer!. Bidden is spreken met de Here God.

De apostel Paulus stelde de ingeving van de Heilige Geest boven de raadgevingen van de dicipelen die hem niet naar Jeruzalem wilden laten gaan; hij liet zich niet weerhouden, maar hij ging.

En er werd een geluid als ik profeteerde, en ziet, ene beroering en de beenderen naderden elk been tot zijn been.
Ene beroering. Bij een levende predikatie van het Woord, ontstaat er altijd een beroering van de harten. De beenderen naderden elk tot zijn been. Het ene been zoekt het andere, waar het zich bij aansluit. Het dorre geraamte moet er eerst zijn wil de Here God het de Geest van het Leven geven.
De profeet moet en mag niets doen dan alléén maar spreken, het overige moet hij door de Here God laten doen. Hij, de profeet, mocht niet zélf aan de beenderen komen, dit was het werk van de Here God.

En ik zag, en ziet, er werden zenuwen op dezelve en er kwam vlees op en Hij trok een huid boven over hetzelve.
Eerst werd het geraamte, het beenderengestel toebereid, daarna het omhulsel en óver het omhulsel nog een omhulsel, de huid.
In de oorspronkelijke tekst staat:
Hij borduurde een huid over dezelve, om aan te duiden de fijnheid en de schoonheid van dat kunstige opperkleed van het lichaam dat wij de huid noemen.

De profeet zag het werk, maar, van de werkkracht zag hij niets.Wij kunnen dat steeds waarnemen wanneer wij de bomen zien groeien, de kinderen zien groeien, maar niemand ziet de groeikracht.
Maar er was geen geest in hen: niet alles tegelijk.!!,want de Here God is gewoon om alles door het geloof heen te geven:door de nacht, tot het licht.

En Hij zeide tot mij: profeteer tot de Geest, profeteer mensenkind.!
De profeet moet opnieuw profeteren
En zeg tot de Geest: alzo zegt de Here, gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze doden opdat zij levend worden:
De Here God wilde niets doen zonder de woorden van de profeet en tóch moest de Heilige Geest het alléén doen. Ziedaar, één van de verbindingen die onmogelijk door het menselijk verstand kunnen worden uitgevonden. De Here God maakt de mens tot Zijn medearbeiders in de dingen des Geestes. 1 Korinthe 3:9.

Van de vier winden, als door deze winden van de vier einden der aarde aangedragen. De Heilige Geest wordt meerdere malen bij de wind vergeleken als een onzichtbare, verborgen kracht.
En ik profeteerde , gelijk Hij mij bevolen had, en toen kwam de Geest in hen en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een zeer gans groot heir.
De beenderen waren zeer vele geweest en zo ontstond er ook een groot heir van mensen uit.

Wat een aanschouwen voor de profeet. Zo zal ook éénmaal een grote menigte van zaligen voor de troon van God staan in het mnidden der legioenen engelen.

Te voren was alles dood, maar nú is alles levend. Wanneer Israël opstaat uit de doden dan staat álles uit de doden op.
Dán zullen álle volken leven.
Wanneer deze dorre doodsbeenderen leven, dan leeft en bloeit alles en wordt de aarde bedekt met kennis des Heren gelijk nu de bodem der zee bedekt is met de wateren.

Toen zeide Hij tot mij: mensenkind deze beenderen zijn het ganse huis Israëls, ziet, zij zeggen:onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren; wij zijn afgesneden.
Daarom profeteer en zeg tot hen:Zo zegt de Here Here, ziet, Ik zal uwe graven openen en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land Israëls.
Zó diep gegrond lag de leer der opstanding in het Oude Testament, dat de Here God, om de opstanding van een volk te bewijzen, de opstanding van een mens tot voorbeeld neemt.

Wij zijn afgesneden: Zó zou Israël spreken, als het maar spreken kon; doch, het kan nóg niet spreken, maar, wanneer het spreken zal, dán is het gered.

Ik zal uwe graven openen: Ziedaar, het punt waarheen de Here God ons brengen wil: dat Hij het doet, Hij alléén.
Bedenken wij dan altijd, bij de steeds hoger wordende nood van de Kerk, van de Staat, en van het huisgezin, het heil, de redding, de uitkomst, is niet uit de mens, maar de Here God moet het doen, door een ander kan het niet gedaan worden.

En Ik zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land Israëls.:
Zo vaak als wij de Joden zien, moeten wij bedenken dat het onmogelijk schijnt dat dit volk wederom tot een heerlijk volk van God wordt en dat het even onmogelijk schijnt dat ons leven weder opstaat terwijl tóch deze beloften door de Here God verwezenlijkt zullen worden.

En gij zult weten dat Ik de Here ben, als Ik uwe graven zal hebben geopend en als Ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen, o, Mijn volk.!:
De Heer wil, dat wij Hem proefondervindelijk leren kennen in de natuur van Zijn wezen en in de getrouwheid Zijner beloften.
Het geloof, en het geloof alleen,eindigt in de ware, in de hoogste wetenschap en wie dus leeft, die leve Gode in het geloof en dan wordt het hoogste weten zijn deel.

En Ik zal Mijnen Geest in u geven en gij zult leven en Ik zal u in uw land zetten en gij zult weten dat Ik, de Here, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Here:
Onmiddellijk na deze belofte volgt er een nadere bepaling, namelijk dat deze belofte de verenigde 12 stammen onder één koning, de tweede David, de Messias, geldt.
Daartoe moest de profeet twee stukken hout voor de ogen van het volk zodanig ineen voegen, gelijk een timmerman twee balken zodanig met elkaar verbindt dat zij een vast geheel vormen; wanneer nu zulk een gelast stuk hout geschilderd wordt, dan kan niemand meer zien dat het gelast is. De profeet moest meerdere malen tot het volk met iets zichtbaars komen; met de stukken hout in zijn handen.
Waar de tien stammen na hun verplaatsing in Assyrië gedurende het verloop der eeuwen gebleven zijn, daarover bestaan duizenden gissingen, maar geen zekerheid.
Slecht enkele godvruchtige families, die misschien altijd in Judea vanwege de ware Godsdienst gewoond hadden, vinden wij in het Nieuwe Testament onder de uit Babel teruggekeerde Joden terug.
In elk geval zijn de twaalf stammen ná de Babylonische gevangenschap evenmin verenigd onder één hoofd als Israël als volk onder zijn wettigen Davidischen Koning hersteld is geworden, en wij hebben dus nog de vervulling van deze belofte te goed.
De Here God zou een verbond des vredes, een eeuwig verbond met hen maken, door het geloof, zonder de werken, doch dat geloof, waaruit de werken voortvloeien.
Hij zou hen reinigen van hun drekgoden,en, ofschoon zij sedert de Babylonische gevangenschap GEEN afgoderij bedreven. bedrijven zij afgoderij met het geld en de goederen van deze wereld en dienden zij de ijdelheden des levens, evenals de meeste volken in onzen tijd, welke bij God niets anders zijn dan drekgoden.

Voorts zou Gods Tabernakel bij hen zijn, waarbij werd gezegd dat de tempeldienst niet hersteld zoude worden, maar dat de Here God en het Lam hun Tempel zouden wezen.
Openb.20:21,22.

Zó wordt dus door de profetieën van
Ezechiël in hoofdstuk 37, het lot der wereld beslist.

De Schrift leert ons van Israël éérst de dood, en daarná het leven uit de dood. Israël, Jeruzalem, het Heilige Land,ligt in de dood, maar zullen weder opstaan, hetgeen wij nu reeds in beginsel kunnen waarnemen.

Bij de Here God is daartoe de wil en de macht, en, Hij lacht om de dwazen die Hem die wil en die macht willen ontzeggen.
Hij zal ze éénmaal tot sidderende getuigen stellen van Zijn wonderen.
Israël heeft niets minder nodig dan zulk een opstanding, want alle andere vooruitzichten baten hen niets zonder hun Messias, want
DEZE IS HUN LEVEN.!!!
Zonder Hem, kan Israël niet anders zijn dan in de dood. Tegenover het onmogelijke van deze taak van de Here God, staat het Schriftwoord, want álle dingen zijn mogelijk bij de Here God, want Hij is getrouw, óók ten aanzien van Israël.
Indien wij het herstel van Israël slechts geestelijk moeten verstaan, dan is geheel dit volk slechts een figuur, een zinnebeeld en dan zijn de Joden niet meer dan figuurlijke personen die ons, evenals in een parabel, moeten leren wat de waarheid is.
Neen, Israël is een wezenlijk volk en alles wat aan dat volk gedreigd of beloofd is heeft een wezenlijke vervulling, doch, het volmaakte is niet in het begin, maar aan het einde.
Eerst het leven, dán de dood en daarná het herleven.!

En, zien wij nu op geheel het volk in zijn nationaliteit, zijn historie, zijn actualiteit, zijn tegenwoordige houding en toestand, dan moeten wij zeggen: de dorre beenderen die zó lang stillagen, beginnen zich te bewegen.
Vergeten wij echter niet,dat, hoe nader men tot Christus staat, hoe langer men in de dood moet blijven, maar óók hoe veel heerlijker dan ook de opstanding is.

De Heer had het dochtertje van Jaïrus nooit gezien, doch Hij wekte haar op toen zij nog op het bed lag.
Hij had de jongeling te Naïn ook nog nooit gezien en toch wekte Hij hem op terwijl hij op de baar lag.
Maar Lazarus, die Jezus liefhad, wekte Hij éérst op uit het graf nadat hij er reeds 4 dagen in gelegen had.

De opstanding van de Heer der Heerlijkheid Zelf, is de grondslag en het beginsel van alle nog te verwachten opstandingen.
Eerst stond Christus op.
Dan de gelovigen in de Eerste Opstanding.
Dan het zondige Israël.
En, ten laatste staan allen op met de tweede opstanding.
In de grote verdrukking die op de aarde komen zal, heeft ook de levend verandering plaats tot een verheerlijkt lichaam van een grote schare.
Dán begint het grote Godsplan zijn verdere uitvoering te krijgen.
De opgestane uitverkoren gelovigen vormen met de levend veranderden als de Bruid van Christus, twee heiren die de Heer het eerst tegemoet gevoerd worden in de lucht.
Hooglied 6:13.