2e deel
Zijn valse leraars maken zich dus op en het gelukt hen, om door angstaanjagen of misleiding, een derde deel van de sterren uit de hemel te rukken en deze op de aarde te werpen.
De sterren zijn volgens Daniël de leraren, en, dus worden er velen die het nieuwe werk aanvankelijk ook met geloof aanvaarden wilden, door allerlei misleidingen tot ontrouw gevoerd en ook zij gaan het te verwachten geestelijke werk bestrijden.
Eindelijk werd het kind geboren.
De Openbaring noemt het "een manlijk sterke zoon". dat wil zeggen, een zoon, die reeds van zijn geboorte af aan, een krachtige verschijning zou zijn.
Hij zou de heidenen hoeden met een ijzeren staf.
Omdat deze uitdrukking ook gebezigd wordt van de Christus, zijn vele uitleggers hier op een dwaalspoor gepacht en meenden dat hier sprake zou zijn van de Here Jezus, en, dat dus de vrouw die hier is bedoeld, de maagd Maria zou zijn.
Dit is echter geheel ongerijmd, want Christus is niet voortgebracht door de Kerk, die niet Zijn moeder, maar Zijn Bruid is.!
Maar, hóe moeten wij dan de woorden: "hoeden met een ijzeren roede", verklaren.?
Wij moeten niet vergeten, dat getrouwe dienaren het werk des Heren uitvoeren.
Ná de Opstanding des Heren heeft Hij niet meer tot het Joodse volk gesproken, is zelfs niet aan hen verschenen, en tóch zegt Petrus in Handelingen 3:26: "God, opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, opdat Hij ulieden zegenen zoude, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uwe boosheden".
Petrus bedoelde hier, dat Christus dóór Zijn dienaren werkt en leerde.
Het kind, dat geboren werd, is dus een Goddelijk werk, dat in de Naam van Christus mocht optreden; maar, vóórdat de draak het kon doden, werd het kind weggerukt tot God en Zijnen Troon.
Het zijn dus de 144.000 die met Christus nauw verbonden zijn op de berg, die Hem volgen waar het Lam ook henengaat; zij zijn uit de grote verdrukking gered voordat deze hen kon beschadigen.
Wij mogen dus zeggen, dat het werk dat hier bedoeld wordt, de Apostolische Kerk is waarin de Heer Zélf werkzaam is door Zijn dienaren.
Nu staat er in vers 6, dat ná de opvaart, de redding van de zoon, de vrouw vlucht.
Vers 13 maakt ons duidelijk dat deze vlucht plaatsvindt nádat er een geestelijke strijd heeft plaats gehad.
De gebeurtenissen in de verzen 7-12 beschreven, geschieden dus tussen geboorte van de zoon en de vlucht van de vrouw in.
Er ontstond krijg in de Hemel, met andere woorden: er ontstond in het Godsrijk op aarde een geestelijke strijd waarin Michaël met Zijn engelen streed tegen de vijanden van het werk Gods dat zich door Satan en zijn machten ziet aangevallen.
Michaël is de Christus, de Grote Vorst, Die voor Zijn volk strijdt. wij moeten hierbij ook lezen: Dan.8:15-19; Daniël 9:20-23; Daniél 10: 4-21; en Daniél 12:5-7.
De indruk die Michaël op Daniël maakt, is dezelfde als de indruk die Christus op Johannes maakt. Dan.10:5,6; Openbaring 1:13-16.
Michaël betekent: "Wie is als God.?"
En, wíe anders dan de Christus mag zich met de Vader vergelijken.?
Hij strijdt met Zijn engelen, Zijn gezanten; echter óók de boze maakt zich op met zijn helpers.
De strijd, die de Apostolische Kerk aangevangen heeft, ging tegen de Kerk in het algemeen, de kerk, waar de duivel was binnengedrongen door zo vele verkeerde leerstellingen en allerlei insluipsels.
Het vernieuwde Apostolaat getuigde daar zeer ernstig tegen en de Gemeenten, die zich onder hun hoede stelden, ontvingen de zuivere leer van de Bijbel, de wáre aanbidding met de dienst van het Heilig Avondmaal als middelpunt, en een priesterschap die door de Here God Zélf was geroepen.
Daartegen ontstond een heftig verzet.
De duivel en zijn aanhangers bestreden haar met vele verdachtmakingen en Schrift-verdraaiïngen, evenals de duivel reeds in het Paradijs de liefde van God verdacht maakte en trachtte om het verbod Gods te verzwakken door de vraag te stellen:"Heeft God misschien gezegd.?"
Wanneer uit de kerk deze leugengeest geweken en verdwenen is, dán is de satan úit de hemel op de aarde geworpen.
Dat wil niet zeggen, dat de aldus gezuiverde gemeenschap van gelovigen uit volmaakte mensen bestaat; dát is helaas nog niet het geval, maar een leidende macht is daar voor de boze uitgesloten.
Wij weten, dat de tijd van de grote verdrukking zeer aanstaande is en in sommige landen reeds is begonnen.
Nu nadert de tijd, dat de mannelijk sterke zoon ten Hemel zal worden opgenomen en als een Elia ten Hemel zal varen.
De gelovigen, die het werk der Apostolische Kerk niet hebben willen erkennen, ontdekken dan te laat, wát zij verworpen hebben en de gevolgen voor hen zijn zeer ernstig.
De duivel wendt zich nu tot deze achtergeblevenen; in vers 6 en in vers 14 vinden wij hun vlucht vermeld.
Hun geschiedenis doet ons denken aan Israël, dat uit Egypte vluchten moest om aan de woede van de Farao te ontkomen.
De Here God zorgde voor het Oude Volk en zó zrgt Hij óók voor deze gelovigen.
Waarheen vluchten zij nu.?
In de woestijn.!
Wij kunnen dit natuurlijk opvatten, maar er óók onder verstaan, dat men temidden van ongelovigen verder moet leven zonder onderlinge bijeenkomsten te kunnen houden.
Johannes de Doper trad op in Israël en zijn stem was die van een roepende in de woestijn; hier was de natuurlijke woestijn het beeld van de innerlijke toestand van het volk Gods.
De vrouw kreeg twéé arends-vleugelen.
Deze zijn volgens Deuteronomium 32:10-12, het beeld van Goddelijke leiding en bewaring voor Israël.
Exodus 19:4 zegt, dat de Here God Zijn volk uit Egypte droeg op vleugelen der arenden.
Vleugelen zijn het beeld van machten, en, zo mogen wij Mozes en Aáron als zulke dragende en beschermende machten beschouwen, zowel voor het uitwendige-als het inwendige leven.
Mozes en zijn zeventig oudsten zorgden voor het eerste, en Aäron en zijn zonen en de Levieten voor het geestelijke leven.
In deze beide personen kunnen wij het leidinggevende Apostelambt en het geloofsleven versterkende Profetenambt zien afgebeeld.
Zo is het de Heer, Die door deze vleugelen het gevluchte volk draagt; en, reeds uit dit beeld mogen wij verwachten, dat de Heer voor deze gelovigen ook nog Apostelen en Profeten zal geven.
Er zijn ook Bijbelplaatsen waar de aardse machten als vleugelen en arenden worden aangeduid. Ezechiël 17:3,7, zie vers 12, 15 en 17.
Hier wordt gezinspeeld op Babel en Egypte.
Het is dus mogelijk dat de Here God aardse machten zal gebruiken om de vervolgden nog te beschermen.
Zij worden immers gevoed, zoals vers 6 zegt en wel een tijd van duizend tweehonderd zestig dagen, dat is drie-en een half jaar.
Volgens vers 14 is de duur, een tijd, tijden en een halve tijd, wat óók drie-en een half jaar is.
Beide uitdrukkingen hebben zin; de 1260 dagen zien niet alleen op de langen duur, die dag voor dag zijn moeilijkheden geeft, maar óók op de onafgebroken Goddelijke hulp.
De ándere bepaling, een tijd, (twee) tijden en een halve tijd, ziet op perioden van verschillende lengte, maar, waarin zich verschillende toestanden zich zullen openbaren, b.v, van de vlucht; het verblijf; en de terugkeer.
De vijand zal de vluchtelingen niet ongemoeid laten, want de slang, de duivel, wil hen door een watervloed doen omkomen.
Hij zal trachten om door een geweldige anti-christelijke propaganda alle gelovigen tot ongeloof te verleiden.
Maar dáár zal het niet bij blijven; er zal ook wel getracht worden om door geweld en bedreiging tot afval te bewegen.
Maar, er daagt redding omdat de aarde de rivier verzwelgt.
Er zijn voorbeelden in de Kerkgeschiedenis dat er door onverwachte verhoudingen plotseling hulp kwam opdagen voor de vervolgden.
Denken wij slechts aan de eerste Christenen die na hun vlucht uit Jeruzalem in Pella een onderkomen vonden dat hen bereid was door koning Agrippa.
Omdat de vervolging dus is mislukt, is het te begrijpen dat de haat van de duivel nog heftiger wordt tegen al wat van God genaamd is.
En nu lezen wij, dat de draak vergrimde op de vrouw en heenging om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.
Uit deze tekst blijkt ten zeerste dat de vrouw, behalve de mannelijk sterke zoon, nog meer geestelijke kinderen heeft voortgebracht die echter niet behoren tot de zoon die opgevaren is ten hemel.
Deze behoren dus niet tot het Elia-getuigenis; maar, óok lezen wij, dat dezen de geboden Gods bewaren, dus Christenen zijn.
En, dan wordt er nog bijgevoegd: "die de getuigenis van Jezus Christus hebben."
Wát dit laatste betekent, dat zegt ons Openbaring 19:10: "Want de getuigeni s van Jezus is de Geest der Profetie.", dat wil zeggen, wat de Geest in de Gemeenten door de gaven des Geestes openbaart, is al wat de Heer, als verheerlijkt Hoofd der Kerk, tot haar heeft te spreken naar Zijn belofte in: Johannes 14:26 en in Johannes 16:13.
Wij vinden dus ná de Opvaart van de verzegelden die tot het Elia-getuigenis behoren, weer een groep gelovigen waar de gaven en de krachten van de Heilige Geest zich openbaren en die dus de opvolger van Elia zijn om nu tijdens de grote verdrukking het werk van Elia voort te zetten.
Zij zijn het die de zwaarste strijd tegen de anti-christ hebben de voeren; zij weigeren het, om het beest te aanbidden en het kenteken van het beest aan te nemen; zij moeten de geweldige geestelijke strijd voeren tegen de hel en al haar machten in een tijd, die zó vreselijk zal zijn als er nooit geweest is en waarvan zowel Daniël als de Here Jezus gezegd heeft dat hij niet geëvenaard kan worden. Daniel 12:1; Mattheus 23:21,22; en Markus 13:19,20.
Maar óók leert ons de Schrift dat er aan die vreselijke worstelstrijd spoedig een einde gemaakt zal worden want anders zou er niemand zalig kunnen worden.
De strijd die men in die dagen voeren zal, zal heel moeilijk zijn, in de eerste plaats, omdat de overigen van het zaad der zonnevrouw weinig in getal zullen zijn.
Want een kleine minderheid heeft het altijd zeer moeilijk.
Maar bovendien zal de strijd door de valse profeet of het beest uit de aarde, Openbaring 13:11-18 op een buitengewoon misleidende wijze gestreden worden.
De ongelovige wetenschap zal zoveel schijn-argumenten weten aan te voeren tegen dat wat de Here God in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat men daar niet veel meer tegen in zal weten te brengen dan: "Er staat geschreven".
Maar júist doordat dat geschreven Woord van de Here God, de Bijbel, zo fel zal worden aangerand. zal het o zo moeilijk zijn om dat Woord nog te kunnen geloven.
Het beest zal grote tekenen doen, zodat het ook vuur van de hemel zal doen afkomen op de aarde voor de mensen.
Verder moeten wij niet voorbijzien aan het feit, dat er in onze dagen een geheel nieuw denkstelsel gepropageerd wordt; een stelsel, waarbij men door allerlei onderzoekingen op zielkundig gebied, ook de Goddelijke openbaringen zoals profetieën, visioenen, en wonderlijke genezingen, tot geheel natuurlijke zaken zal zoeken terug te brengen, waardoor dus de Goddelijkheid ervan in twijfel wordt getrokken.
De zwaarste verzoeking zal tenslotte een geheel oude blijken te zijn, dat namelijk de ongerechtigheid in de wereld menigeen zal doen twijfelen aan het bestaan van een rechtvaardig God, of, zoals de Here Jezus gezegd heeft: "Daar de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden, (d.w.z. de overhand krijgen), zal de liefde van velen verkouden." Mattheus 24:12.
"Maar wie zal volharden tot het einde, die zal zalig worden."
Alzo troost de Heer de vervolgden.
Het zal voor een ieder duidelijk zijn, dat het Elisa-getuigenis het zeer moeilijk zal hebben.
Hadden de gelovigen die tot het Eliza's getuigenis behoren,het Elia's-getuigenis aangenomen, dan hadden ze deze strijd kunnen ontgaan door de opvaart ten Hemel.
Het is zeer zeker voor vele gelovigen, die in de verschillende kerk-afdelingen zijn opgevoed, zeer moeilijk om aan te nemen, dat er in deze onzen tijd nog apostelen en profeten kunnen zijn.
Maar, deze moeilijkheid is nog geen bewijs, dat deze ambten er niet KUNNEN zijn.
Daarom zal men doen wat de Here Jezus gezegd heeft: de Schrift onderzoeken, want dáárin is het ware leven gegeven.
Een ernstig onderzoek zal aantonen dat het Elia-getuigenis dat WIJ MOGEN VORMEN, GEEN MENSELIJK, MAAR EEN GODDELIJK WERK IS, DAT TOT ZEGEN VAN DE VERDEELDE CHRISTENHEID IS GEGEVEN.