Het Eliza's getuigenis IN VERBAND MET Openbaring 12

Zie, Ik zend ulieden den Profeet Elia",

In de geschiedenis op de berg Karmel zagen wij hoe deze Godsman het volk opriep om te beslissen óf voor de Here God, óf voor de Baäl.

De God, Die door vuur zou antwoorden, Díe zou God zijn.

Voor zijn offer bouwde de profeet het verstoorde altaar weer op uit twaalf stenen,daarmede aantonende dat Israël één geheel was; en hij bouwde het altaar in de Naam des Heren.

Wij zagen, hoe Johannes de Doper gedeeltelijk vervuld heeft wat de profetieën van Jesaja en Maleachi voorzegd hadden van een getuige,die in de Geest en de kracht van Elia zou optreden; en, tevens hoe de Here Jezus ná de dood van Johannes gezegd heeft dat er wéér een getuige zou komen die alles zou oprichten.

Ons onderzoek wees uit, dat dit geheel toepasselijk is op het werk van de Apostolische Kerk, waar het vuur van de Heiligen Geest in de gaven, het bewijs levert dat de Here God daar wordt aanbeden naar Zijn Woord.

Wij zagen ook, hoe door de Apostolische Kerk een Getuigenis gebracht werd aan de hoofden van Kerk en Staat, waarin werd opgeroepen tot de eenheid der Kerk en tot het herstel van de wáre eredienst.

Dat werk is geen sektewerk maar het richt zich tot de gehele Christenheid.

Wij kwamen toen tot de gevolgtrekking, dat we het getuigenis van de Apostolische Kerk het Elia-Getuigenis mochten noemen.

Er is nóg een punt van overeenkomst waarover we nog niet gesproken hebben. We hebben in een vorige voordracht aangetoond, hoe er, vóór de stichting van het Duizendjarig Rijk, een groot feit zal plaatsvinden: de Eerste Opstanding,die gepaard zal gaan met de levend verandering der getrouwe belijders van Christus.

Wij zagen toen, dat zij,die tot de Eerste Opstanding behoren, Christus' eigendom zijn en dat degenen die levend verandert zullen worden en met de opgestanenen zullen worden opgenomen ten hemel, verzegeld moeten zijn aan hunne voorhoofden, dat wil zeggen, dat zij door de handoplegging van de levende Apostelen, de Heiligen Geest moeten hebben ontvangen.

Wij zagen dat daarover werd geschreven in Openbaring 7:1-8 en in Openbaring 14:1-5.

De Schrift leert ons verder, dat de opgevarenen ten hemel de Heer tegemoet gingen. Zij alléén zagen Hem dus, en, deze zogenaamde Toekomst des Heren geldt dus alléén de verzegelden, de eerstelingen Gode en het Lam.

De wereld, noch de gelovigen die achterblijven, zien bij deze gelegenheid de Bruidegom.

Op de aarde bregint nu in volle kracht de grote verdrukking, terwijl de opgevarenen in heerlijkheid met Christus verenigd zijn in een zalige toestand dien de Schrift noemt de Bruiloft des Lams.

Deze opvaart van de gelovigen, die wij de Elia mochten noemen die alles weder zou oprichten, vindt dus haar voorbeeld in de hemelvaart van Elia,zoals wij die vinden beschreven in het Boek der Koningen.

Wij willen op deze zaak nog verder ingaan.

Na de geweldige geschiedenis op de berg Karmel, 1 Kon.18, vluchtte de Profeet voor de woede van koningin Isebel, en,in moedeloos als hij was, wenste hij te sterven.

Maar de Here God, Die hem op een wonderlijke wijze versterkte zodat hij de berg Horeb kon bereiken, openbaarde Zich aldaar op een eigenaardige wijze in het suizen van een zachte wind.

En, dáár kreeg Elia een drievoudige opdracht,waarvan hij persoonlijk de derde vervulde.

De eerste opdracht was om een koning te zalven die het volk van Israël tot een tuchtroede zou zijn;

De tweede was de zalving van een koning over Israël, die het oordeel, door Elia uitgesproken over het huis Achabs, zou vervullen;

De derde opdracht was de zalving van een opvolger van zichzelf.

Alzo zond de Here God Elia naar Abel-Mehoa om aldaar Elisa, de zoon van Safat,tot profeet te zalven.

Elisa ploegde met twaalf juk ossen en bevond zich bij het eerste juk-(paar)-,toen Elia hem de profeten-mantel omwierp.

Elisa was terstond bereid om de man Gods te volgen.

Wij laten hier een iets duidelijker vertaling volgen: 1Koningen 20: "Hij, (Elisa), verliet de runderen en volgde Elia en zei: Laat mij mijn vader en moeder kussen; dán zal ik u volgen. Hij sprak tot hem: Ga heen, en kom weder, want wat heb ik u gedaan.?"

Elisa wordt er door Elia op gewezen,dat hij zich niet van zijn voornemen moet laten afbrengen door zijn bloedverwanten en vraagt daarom: "Want wat heb ik u gedaan.?"

Met andere woorden:"Bedenk, dat ik door het slaan met de mantel u tot mijn opvolger aangewezen heb."

Elisa kwam terug,offerde een juk ossen en verbrandde daarvoor het tuig en hield met zijn knechts een offermaaltijd. Daarna volgde hij Elia als zijn aanstaande opvolger.

Na enigen tijd kwam toen het ogenblik waarop de Here God Elia tot Zich zou nemen. 2 Koningen 2:1-12.

Door het slaan met zijn mantel, kliefde Elia de wateren van de Jordaan, en, aan de overzijde gekomen, gaf Elia aan zijn dienaar toestemming om een wens te uiten.

Deze vroeg een zware taak: twéé delen van Elia's geest, dat wil zeggen, het deel van een erfenis dat aan de oudste zoon in Israël toekwam volgens de Wet. Deuter.21:17.

Elisa was dus niet tevreden met de uiterlijke aanstelling tot profeet door het slaan met de mantel, maar hij wilde innerlijk bevestigd worden en, omdat hij Elia als zijn geestelijke vader aanzag, wilde hij, als diens eerstgeboren zoon, diens geest deelachtig worden.

Het betekent dus niet,dat Elisa tweemaal zoveel geest zou verkrijgen als Elia bezeten had, wat in de eerste plaats onbehoorlijk zou zijn geweest om te eisen, en, dat toch ook zeer zeker niet in Elia's macht gelegen had om dit aan zijn opvolger te geven.

Elisa bedoelde niets anders dan als Elia's ware geestelijke zoon te worden aangezien.

Zelfs dát zou door Elia niet kunnen.

Dat hing van Gods wil af en daartoe zou Elisa een teken krijgen.

Indien Elisa de scheidende profeet zou zienopstijgen,dán zou zijn wens vervuld worden.

Elisa aanschouwde de wonderlijke opvaart van zijn meester en zó werd hij bekrachtigd als de wáre zoon van Elia.!

Hij scheurde zijn klederen in tweeën en nam de mantel aan die Elia afgeworpen had.

Elisa had gebroken met zijn verleden en vatte nu zijn taak op.

In deze geschiedenis mogen wij een aanwijzing zien van iets, dat in de laatste tijd zijn vervulling zal vinden.

Elisa, wiens naam betekent: "zaligheid van mijn God", is het beeld van de gelovigen die op de akker, de wereld, ploegen met twaalf juk ossen.

Ossen zijn het beeld van de herders der gemeente.

Terwijl Elia zijn werk volbracht,was Elisa op een ander terrein bezig.

Hij werkte met zijn bezitting, de leer der Schrift, maar zónder de bediening van de van God gegeven getuigen.

Elisa is het beeld van de gelovigen die zich houden aan de eerste apostelen en die van een nieuw werk Gods niets willen weten.

Eerst wanneer Elia, de Bruid, de HAZK, ten hemel is gevaren en zij dus moeten achterblijven, dán zullen zij het geestelijke werk van Elia voortzetten.

De vraag doet zich nu voor of de Heilige Schrift van dit gewichtige feit óók nog op een ándere wijze getuigt.

En dán richten wij onze blik op Openbaring 12, waar wij merkwaardige zaken vinden opgetekend.

Wij vinden daar een vrouw in barensnood; die een zoon ter wereld brengt, wiens leven meteen bedreigd wordt door een draak.

Het kind wordt echter weggerukt tot God en Zijn troon, en de vrouw vlucht in de woestijn.

In de hemel ontstaat er een geweldige strijd,waarbij Michaël en Zijn engelen strijden tegen de draak en diens engelen.

De draak wordt met de zijnen uit de hemel geworpen en gaat nu de gevluchte vrouw vervolgen die echter door buitengewone hulp beveiligd wordt, en,nu keert de woede van de draak zich tegen de overigen van haar zaad die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

Deze geschiedenis willen wij eens nader bekijken.

Het teken, dat gezien werd in de hemel, was niet in de Hemel der Hemelen, maar in de Kerkhemel ofwel het Godsrijk op aarde.

We hebben vroeger reeds de ontrouwe kerk leren kennen als de grote hoer die op vele wateren zat; maar daaraan kunnen wij hier echter niet denken.

In Jeremia 3:6-10 en Ezechiël 23, vinden wij twee vrouwen als dochters van één moeder genoemd.

Het waren de beide rijken Israël en Juda,dochters van het éne volk Gods.

Zó heeft de Kerk van Christus in de zevendetijd in zekere zin twéé dochters:

De eersten vinden wij in Openbaringen 12, en de laatsten in Openbaringen 17 als de grote hoer.

De vrouw van Openbaring 12 vinden wij in de zevende tijd van de Openbaring, waar wij haar dus ná 1815 in de kerkgeschiedenis zullen moeten vinden.

En zeer zeker vinden wij ná dien tijd, overal verspreid, vele gelovigen die treurden over de toestand der grote Christenheid die meer en meer van Gods Woord afweek.

Zij waren bekleed met de zon, zij hadden Jezus Christus aangedaan als een kleed, Jezus Christus, de Zonne der Gerechtigheid.

In hun meer verheven opvatting van de geestelijke zaken, stonden zij verheven bóven de maan, die onder hun voeten was.

De maan is het beeld van de kerk.

Deze kerk was als Staatskerk aan de wereld verbonden en was dus gezonken en kon zich in geestelijk opzicht niet meten met de vromen die hier bedoeld worden.

Zij had een kroon van twaalf sterren om haar hoofd. Haar Hoofd is Christus.

Wij mogen hier denken aan het twaalfvoudig apostolaat des Heren, die als leraren vol des Heiligen Geestes met de Zon, Christus, een Goddelijk licht verspreidden.

Maar, wij hebben reeds eerder gezegd, dat dit apostolaat niet is gebonden aan de twaalf eerste apostelen van Christus, neen, het moest blijven bestaan en Christus heeft het dan ook weder gegeven; en, wanneer de Heilige Geest in dit visioen de gelovigen van dat tijdvak van de voleinding aanschouwt als de, met Christus beklede vrouw, dan ziet de Geest reeds van te voren dat er in die tijd weer een twaalfvoudig apostolaat, het Hoofd, Christus, zal omringen.

Voor deze vrouw was de tijd gekomen om te baren.

Haar geestelijke toestand bracht natuurlijk veel strijd en moeite met zich mede; vele banden moesten worden losgemaakt;van veel dat men liefhad moest men afscheid nemen.

De voortgang in geestelijk inzicht wordt slechts met moeite verkregen, máár, terwijl zich in haar een geestelijk werk tot rijpheid gaat ontwikkelen, is er echter gevaar.!

Het is de duivel, de draak, niet ontgaan dat er iets gewichtigs in het Godsrijk zal gebeuren en in al zijn wereldse en geestelijke machts-ontplooiïng maakt hij zich op om het nieuwe dat er geboren zal worden, te verderven.

Volgens Jesaja 9:14, is de staart de profeet, die valsheid leert.

MARAN-ATHA.

DE HEER KOMT.