EIKEBOMEN

DER

GERECHTIGHEID.

In Jesaja 61 wordt Christus aangekondigd als de Grote Profeet en de Grote Evangelist, de Gezalfde des Heren, Die komen zou om de zwaar beproefde kinderen Gods te troosten.

Hij werd gezonden om aan de verdrukten een tijding van vreugde te brengen; om de gebrokenen van hart te verbinden; om de gevangenen de vrijheid aan te zeggen, en de gebondenen de ontbinding.

Hoe heerlijk klonk dit profetische woord voor Israel in de dagen van hun benauwdheid, de ballingschap; hoe heerlijk klonk dit woord voor hen toen zij zuchtten onder de Romeinse overheersing en hun onderlinge verdeeldheid en vijandschap toen de Heer Zélf tot hen sprak: "Heden is deze Schrift in uwe oren vervuld." Lukas 4:21.

Op dezélfde wijze heeft Jesaja in Hoofdstuk 42:1-7 en hoofdstuk 49:8-11 gesproken over de Heiland en de Herder Israëls.

De Here God, die de tijden gemaakt heeft, verbindt Zijn openbaringen der genade ook aan tijden.

Zo noemt Jesaja de openbaring van Jezus Christus: het vleesgeworden Woord; het welaangename jaar des Heren en de dag der wrake onzes Gods.

De wraakneming neemt hier echter slechts een ondergeschikte plaats in, maar daarentegen schildert hij de heerlijkheid van de verlossing op een luisterrijke manier.

Jesaja 61:1-3, is een toespeling op het jubeljaar, het jaar, waarin alle dienstbaarheid ophield en alles weer tot zijn oorspronkelijke eigenaar terugkeerde.

Alles werd volgens Leviticus 25 vrij en nieuw.

Zó zullen, naar het voorbeeld van de Sinaitische Wet, alle dienstbaren en slaven van de zonde, door Christus verlost en alle treurigen vertroost worden. En, éénmaal, wanneer Christus op de troon in Zijn koninkrijk zal zitten, zal de hemelse heerlijkheid zich in een steeds groter omvang openbaren in altijd heerlijker jubeljaren.

In vers 3 vinden wij de sterkste tegenstellingen.

As hoorde bij de treurenden, want, wie as op zijn hoofd had kon niet vrolijk zijn omdat hij dan het teken van smart en rouw droeg.

Zulke bedroefden trokken zich dan terug in de eenzaamheid.

Als tegenbeeld van as op het hoofd, wordt hier gesteld: sieraad, dat wil zeggen, het diadeem, het teken van eer en van waardigheid en aanzien.

In overdrachtelijke zin wordt hier dus voor de rouw en de smart, voor de treurigheid en de droefheid vanwege de vele bedreven zonden waarvoor er geen helper was, het licht der genade ontstoken, waardoor, dóór Christus de Beloofde, er een eeuwige blijdschap en vreugde zal wezen.

Ditzelfde geldt ook van de treurigheid en de vreugdeolie.

Wie treurig was, die zalfde zich niet, maar aan hem wordt, door Christus, olie gegeven, en wel, de olie der vreugde-de Heilige Geest-zodat de klaagzang plaats zou maken voor het loflied der blijdschap.

Het gewaad, de mantel des lofs, tegenover een benauwde geest.

Wie bedroefd van ziel en benauwd van geest is heeft geen stof tot juichen, want alles lijkt voor hem even donker en somber.

Máár, door Christus wordt aan hem het gewaad des lofs, het kleed der gerechtigheid gegeven zodat alle benauwdheid en zorg verdwijnen. Het gevolg hiervan is, dat zij, de door Christus verzoenden, de getroostten genoemd worden: eikebomen der gerechtigheid, een planting des Heren opdat Hij verheerlijkt wordt.

Hiervan lezen wij in Jesaja 60:21: "Zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat ik verheerlijkt worde."

Op vele plaatsen in de Heilige Schrift worden de verlosten des Heren vergeleken met- en bij bomen en planten, onder andere in Psalm 1:3.

In deze Psalm wordt van hem, die zich dag en nacht verlustigd in de dienst van zijn God gezegd, dat hij zal zijn gelijk een boom, geplant aan de waterbeken, die zijn vrucht op tijd geven zal.

In Psalm 92:14 wordt gezegd, dat aan hem, die in het Huis des Heren is geplant, zal gegeven worden om te groeien in de voorhoven onzes Gods.

En, de Heer Jezus sprak in Mattheus 15:13: "Alle plant, die Mijn Hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden."

Deze beeldspraak is wel duidelijk.

De Prediker zegt: "Alles heeft zijn bestemde tijd."

De bomen en de planten dragen niet het gehele jaar door hun vrucht; wanneer wij een boom bekijken, dan zien wij, hoe wonderbaar hij zijn tijd en zijn wetten van zijn bestaan kent. In de winter rust hij, maar daarna, in de lente, komen er weer bladeren, dan de bloesem en daarna de vrucht die, wanneer het loof verwelkt, is gerijpt.

Het doel en de arbeid van de boom is het, om vrucht te dragen, een extract van al zijn krachten en tevens om zaad voort te brengen om zich voort te planten, dús, werken voor de toekomst.

Wat is dit niet een schoon en voortreffelijk zinnebeeld van alle menselijke doen; evenals er geen minuut voorbijgaat dat een boom niet groeit, zo gaat er ook geen minuut voorbij waarin de mens niet in het goede of in het kwade groeit en vruchten van zijn geest, de zaaddragende gedachten, woorden en daden, voor de eeuwigheid bereidt.

De boom bezit een geweldige groeikracht en verheft machtige takken ten hemel terwijl zijn wortels de aarde doorboren. Hij heeft ook een lijdelijke, geduldige kracht die zwijgend en gelaten aanneemt wat de hemel hem zend: zonneschijn, regen en storm en stilte, vorst en hitte; hij zorgt niet maar groeit onbelemmerd verder.

Wat is dit niet een voortreffelijk beeld van de, in Christus verloste en gerechtvaardigde zondaar.!

De kinderen Gods heffen, als eikebomen der gerechtigheid, in het geloof voortdurend hun armen smekend in aanbidding en voorbidding omhoog, wachtende op de goddelijke jaargetijden.

Wél worden zij bewogen en buigen hun kruin ter aarde, maar zij worden niet ontworteld wanneer de storm om hen heen raast, want zij hebben geleerd om op hun God te vertrouwen.

De treurigen Sions kennen óók hun wintertijd, máár, zij zijn nóóit ongetroost want in de grootste smarten blijven hun harten in de Heer gerust.

In de winter vertonen de bomen reeds de knoppen die zich in de lente ontwikkelen tot bladeren en bloesems.

Zij, die vruchten willen voortbrengen vóór de bladeren; en bloesems en aren willen tonen vóórdat de halm uitspruit, Markus 4:28, zijn nog géén eikebomen der gerechtigheid.

Zij, die vast zijn ingeworteld in de geschiedenis die de Here God met Zijn volk maakt, en hun geloofsoog blijven richten op de belofte des Heren, kunnen mannen uit één stuk zijn.

Het komt er echter opaan om het leven te nemen zoals de Here God het aan ons gegeven heeft.

De god dezer wereld, de Satan, die het geweld des doods heeft, trekt nog rusteloos heen en weer over de aarde en dood nog dagelijks duizenden mensen en verzengd met zijn helse adem onophoudelijk millioenen levenskiemen.

Telkens weer vraagt hij aan God verlof om de kinderen Gods te mogen ziften gelijk de tarwe.

Evenals de vlieg afgaat op de zoete honing en daar met zijn kop en poten al vaster en vaster in verstrikt raakt om tenslotte te sterven in deze zoete spijze, zo roepen de wellustelingen elkander toe: "Komt, laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij."

De wereld is vol van genietingen, maar nochtans stapelen de bergen van trots en geweld, en van wraak en onrecht zich op en vormen rivieren van bloed, zweet en tranen.

Wij lezen van de Zoon des mensen, van de Man van smarten, dat Hij, op aarde zijnde, wél heeft geweend, maar niet dat Hij ooit heeft gelachen.

Zal het ons dan niet ter harte gaan, dat afgronden van jammer en ellende, van ongeneeslijke ziekten en krankzinnigheid, gapen met een onverzadigbare honger.?

De apostel Paulus had daar ook oog voor toen hij sprak in Romeinen 8:20-22: "Wij weten, dat de ganse schepping tesamen zucht en tesamen in barensnood is; want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het onderworpen heeft."

Iemand die de dingen, zoals ze zijn, onder ogen durft te zien, is niet somber, is geen pessimist; wij moeten de zwarte van ons lot dat ons op aarde treft, weten, want dán kunnen wij bidden om kracht.

Zeer ernstig sprak de Heer van de eerwaardige kerkelijke staat der Joden, als van witgepleisterde graven, én van de rechtzinnige schriftgeleerden, dat zij waren: "blinde leidslieden der blinden".

Ook tegen de Kerk van de laatste tijd zegt de Heer: "Omdat gij lauw zijt, daarom zal Ik u uit Mijn mond spuwen."

Het einde van de wereldgeschiedenis en van onze zo hooggeroemde beschaving en van de, door bloedstorting groot geworden moderne wereldrijken, zal zijn, dat zij in bloed zullen ondergaan.

De oordelen zijn alreeds begonnen, maar de Heer sprak, dat, niettegenstaande de oordelen, de mensen God in de hemel zullen lasteren en dat zij zich niet bekeren zullen van hun boze werken. Openbaring 16:9,11,21.

De kinderen Gods zullen echter niet bevreesd zijn wanneer zij de brand van Babylon zullen aanschouwen.

Het vergaat hun evenals eens een Habakuk, want, toen die van de oordelen hoorden, toen werd hij beroerd. Hij beefde voor de stem van Hem, Die sprak in de gerichten, maar tóch sprak hij ervan te zullen rusten ten dage der benauwdheid; zélfs kon hij van vreugde opspringen in de Heer zijn God, want, de Here Here was zijn sterkte en maakte zijne voeten als die der hinde. Habakuk 3:16-19.

Het geloof der rechtvaardigen groeit en blijft groeien, óók in de dagen der benauwdheid; op de vleugelen van het gebed verheffen zij zich bóven de dampkring van de wereldellende.

Aan de diepblauwe hemel, die zich voor hun geloofsoog opent, straalt voor hen in een eeuwige pracht, de Zonne der gerechtigheid, de Here Jezus Christus, en ontvangen zij een vergezicht op de stad welker kunstenaar en bouwmeester de Here God is.

Staat daarom als eikebomen der gerechtigheid, standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heren, 1 Korinthe 15:58, de genade vasthoudende om straks het onbeweeglijk Koninkrijk te ontvangen.

Bereidt U, de Heer komt.!