Ehud

In het boek Richteren vinden we vele geschiedenissen, welke verhalen van overheersing door vreemde volkeren van Israel en het losmaken van die onderdrukking. Daarom wordt dit bijbelboek wel eens aangeduid als 'de spiegel van oudheden en tirannie'.

Meestentijds lezen we dat de Israëlieten "deden wat kwaad was in de ogen van de Heer", gevolgd door het oordeel Gods, namelijk dat Hij toestond dat Zijn volk overheerst ging worden door een buitenlands vorst.

In Richt.3:12-30 kunnen we kennis nemen van zo'n geschiedenis, want de vreemde overheersing beviel natuurlijk nooit en men ging weer de Here aanroepen, Die dan verhoorde en een verlosser zond. We kennen de uitdrukking dat de "geschiedenis zich herhaalt". Hebben we in ons eigen leven deze waarheid al niet bemerkt, dan is het boek Richteren een goed voorbeeld, dat de mens van nature geneigd is al zijn fouten te blijven herhalen.

De geschiedenis van Ehud en de koning van het overheersende Moab zit verder vol met aardige wendingen en typische voorvallen.

De geschiedenis

Achttien jaar duurde de dienstbaarheid van Israël aan Eglon, Moabs koning, voor de Here een richter beschikte, net als de meeste andere "verlossers" een persoon met iets onvolkomens in de ogen der Israelieten (Othniël was de jongste van zijn geslacht, Samgar gebruikte een ossenstok, Deborah was een vrouw, Barak had een zwak karakter, Gideon was zonder hulp in zijn familie...). Ehud was namelijk als Benjaminiet, dat nota bene "zoon van mijn rechterhand" betekent, een linkshandige. Zoiets gaf weinig aanzien.

In ieder geval maakte Ehud een klein tweesnijdend zwaard van nog geen el, verstopte dat rechts (waar men niet zou zoeken) en na de jaarlijkse schatting afgeleverd te hebben, keerde hij naar de dikke koning Eglon (betekent ook nog "als een kalf") terug en vertelde hem een geheime boodschap te hebben. Daarop mocht Ehud met hem alleen zijn in het koele bovenvertrek, waarop hij de koning vertelde "een woord Gods" voor hem te hebben, het zwaard greep en het met zoveel kracht in Eglons lichaam stiet, dat het zwaard zelfs omsloten werd door het vet van de koning. Ehud, die de deur met een grendel had gesloten, vluchtte door een achteruitgang. Omdat de hovelingen dachten dat de koning zijn behoefte deed, wachtten ze zo lang met de deur forceren, dat Ehud veilig weg kwam.

In het gebergte van Efraïm gekomen, blies hij op de bazuin om het volk op te roepen tot de strijd, waarna men van de Moabieten tienduizend man versloeg en het land de eerstvolgende 80 jaar rust had.

Toepassing

In de geestelijke toepassing ligt een aantal beelden voor de hand. Het tweesnijdende zwaard wijst natuurlijk naar het Woord Gods, dat "zo diep doordringt, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten". (Hbr.4:12).

Eglon, de zwaarlijvige koning, staat voor antichristelijke machthebbers, die vooral het vlees verzorgen, bezig zijn met de "dingen die beneden zijn", in plaats van aandacht te besteden aan wat God van elk mens zal eisen. Ook in onze dagen is de heerschappij van de wereld vaak zichtbaar en net zoals de Israëlieten deden, komt het helaas ook voor dat christenen hun schatting aan de wereldse heersers betalen.

Jr.5:26-29 handelt over goddelozen. Van hen staat geschreven: "Als een korf vol gevogelte, zo zijn hun huizen vol bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden, zij zijn vet en glanzend; zelfs gaan zij alle boosheid te buiten. Het pleit voeren zij niet, het pleit van de wees, en zij hebben voorspoed; het recht der armen richten zij niet. Zou Ik hierover geen bezoeking doen, luidt het woord des Heren?".

Het zijn degenen die horende niet horen en ziende niet zien, zoals de Heer beschrijft in Mt.13:12-15 en waar Hij o.a. zegt: "want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen".

Ehud, wiens naam "eendracht" betekent, is het type van degenen die het evangelie verkondigen, de onderlinge eenheid van alle christenen zoekend en de heerschappij van de wereld niet accepterend.

Het zwaard is nog geen el. "Wie van u kan door bezorgd te zijn een el aan zijn lengte toevoegen", vraagt de Heer in Mt.6:27. Geen mens, maar alleen God zou zoiets kunnen. Daarom moet degene die het evangelie verkondigt, dit in de kracht van de Heilige Geest verrichten, want uit zichzelf is geen mens in staat om iets (goeds) te doen. We kunnen het zaad strooien en planten begieten, maar de wasdom zal immer van de Heer moeten komen. Dat betekent dat we de linkerhand niet moeten verachten, waarvan we weten dat deze wijst op het ambt van profeet. Het getuigenis is pas compleet, wanneer dit niet alleen vanuit het Woord geschiedt, maar ook nog overgoten is met geestelijk inzicht.

De apostelen konden zeggen: "Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht". (Hd.15:28). Waar de Heilige Geest voortdurend bedroefd wordt, zal Hij Zich uiteindelijk terugtrekken. We dienen veeleer Zijn vuur bij onszelf aan te wakkeren. "Och, ware het gehele volk des Heren profeten, doordat de Here zijn Geest op hen gave," verzuchtte Mozes reeds (Nm.11:29).

Overeenkomst

Ehuds verhaal kunnen we op een paar punten vergelijken met dat van David, die door Saul vervolgd werd en zich op een bepaald moment verborg in een grot in de woestijn van Engedi (1Sm.24). Ehud kon ontkomen, doordat Eglons bedienden dachten, dat de koning zijn behoefte deed. Saul kwam nu juist in de grot om dezelfde handeling te verrichten en daarom kon David hem alleen treffen.

Waar Ehud de koning van het vijandige Moab doodde, sneed David slechts een slip van Sauls mantel, want zo sprak hij tot zijn mannen: "De Here beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer ( ... ) dit zou doen, dat ik mijn hand aan hem zou slaan; want hij is de gezalfde des Heren".

Het gaat hier dan ook om zonen van het volk Gods, die niet bevonden moeten worden tegen elkaar te strijden, maar tegen de boze overheden en machten in de lucht, die hun valse leer overal verspreid hebben. David had geen opdracht om tegen de wettige koning te strijden, maar vluchtte slechts voor hem, omdat Saul hem zocht te doden. Weliswaar was David al gezalfd, maar hij liet het de Heer over, hoe en wanner hij koning worden zou.

Ehud sprak dat hij een woord van de Heer had. Dat was een woord van oordeel, zo bleek uit zijn daden. Het is de Here HERE Die alles bestiert en waarvan Ps. 110:5 zegt: "De HERE is aan uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn".

Ehud was een Benjaminiet, een zoon van de rechterhand, een zoon die voor het geluk geboren was, namelijk het geluk God te kennen en Hem te dienen, niet een of andere wereldse koning.

David was het type van Gods Zoon, waarover Ps.110 eigenlijk gaat, want tot Wie wordt anders gezegd: "Aldus luidt het woord des HEREN tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten".

Wraakzuchtig? Dat brengt ons meteen op de vraag hoe het komt dat de God van het Oude Testament, volgens velen, vooral buiten de kerk, zo veel bloed doet vergieten en zo hardvochtig lijkt. We weten dat van degenen in het Oude Verbond geschreven staat dat alles hen overkomen is, tot een voorbeeld voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is (1Kor.10:11). Het betreft de onveranderlijke God, Die geen behagen heeft in de dood van boosdoeners. Ez.33:11 verwoordt het zo: "Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?"

Het zijn Gods oordelen, die hard lijken en ook zijn, maar altijd tot doel hebben dat de zondaar zich weer tot de levende God wendt met berouw. De levenswandel van de christen moet tot voorbeeld zijn. Petrus legt dit uit in 1Pt.2:13-15: "Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij

aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. Want zo is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen".

Bij alles wat we doen, horen we Gods eer te zoeken en te tonen wat Hij van ons vraagt. Doen we dit, dan zal de zegen van de Heer op de christen rusten en waar de bazuin Gods klinkt, zal de goede strijd gestreden worden met vrucht.

(Waar Ehud de bazuin blies, was het gebergte Efraim, waarvan de betekenis "vruchtbaar" is). Dan zullen ook tienduizend Moabieten verslagen worden, welgedane en krachtige mannen. Geestelijk gezegd: velen zullen nog in het hart geraakt worden door Gods woorden en daden en zich tot Hem bekeren, sterven aan de oude mens en het nieuwe leven aandoen.

Dat lukt alleen als we met het tweesnijdend scherp zwaard van Gods Woord ten strijde trekken. Het zwaard moet geen el zijn: niet naar menselijke maat, maar naar de maat Gods, en in Zijn kracht en wijsheid gedragen en gehanteerd worden. Dan is de overwinning zeker.awb