Een wolk als eens mans hand:

1 Koningen 18:44

God heeft Elia de strijd op de Karmel doen winnen, en heeft door vuur geantwoord; Achab is heengegaan om te eten en te drinken en het volk is, druk pratende of stil overdenkende, wat er was geschied, naar hun huizen teruggekeerd.

Beneden aan de berg lagen nog de lijken van de 450 Baälspriesters.

0p de berg is Elia alleen gebleven met zijn jongen, die door Elia werd heengezonden

naar de zee om te zien of God Zijn belofte zou vervullen en regen geven op de aardbodem.(1 Koningen 18:1).

Bij de smeulende as van zijn offer, dat door God Zelf was ontstoken, buigt de man Gods zich neer. Eerst breidde hij zich voorwaarts ter aarde uit en daarna leidde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën.

Welk een houding nam de profeet aan.!

Elia kromde zich; is dát nu dezélfde man die, voor de koning van Israël staande, tegen de koning durfde te zeggen: “Gij hebt Israël beroerd, gij en uws vaders huis.!” De man, die tegen al de Baälspriesters en het gehele volk, durfde te zeggen: “De God die door vuur antwoord, die zal het zijn?”.

Wáárom ligt hij nu zó neergebogen.?

Is het soms omdat hij nú geen vertrouwen meer heeft of God wel de regen zou geven?

Wij kunnen hierop antwoorden dat deze man Gods voor het volk wél een held was, maar, voor God een smekeling die zich als een worm in het stof kronkelde.

De jongen, die was uitgezonden naar de zee om te zien of de wolken zich reeds samenpakten, kwam terug en zei: “Daar is niets!”.

Dit gebeurde zeven maal, en, toen de jongen voor de zevende keer was teruggekomen, zei hij: “Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee”.

Eindelijk, vindt deze worstelaar de verhoring.

De Heer vervulde deze Zijn belofte niet, dan nádat Zijn knecht Hem gedurig daarom had gesmeekt.

Is de Apostolische Kerk de Elia van deze tijd, om de Christenheid op te roepen om weder te keren tot de leer der Apostelen, dán ziet zij, én de leden van die Kerk elk in het bijzonder, in deze Elia óók dit voorbeeld.

Dán heeft die Kerk aan God te smeken om de vervulling van de belofte, namelijk, om de Heilige Geest te zenden aan de Christenheid.

Dán heeft zij zich schuldenaar te maken met de Christenheid en te worstelen, alsof zij zélf de grote zonde van verslapping en verachtering heeft bedreven; alsof zij zelf de zonde bedreef van het dienen van twee heren.

De Apostolische Kerk heeft zélf veel noden en behoeften aan God op te dragen, maar die zal zij vergeten.

God zal Zijn werk aan haar niet begeven noch verlaten en zij hoeft niet bezorgd te zijn voor zichzelf want nooit zal de vijand het werk des Heren kunnen vernietigen.

Zij moet, evenals Elia, bidden, en lang worstelen om de zegen van de Heilige Geest voor de Christenheid.

En, God zál verhoren; eindelijk zal die verhoring worden gezien, al is het dan in een kleine mate zoals een wolkje als eens mans hand.

Het is het begin van een overvloedige zegen.

Terwijl Elia zijn jongen naar Achab zond om tegen hem te zeggen dat hij spoedig, vanwege de zware regen die zou komen, naar zijn huis moest gaan, geschiedde het dat de hemel van wolken en wind zwart werd en er veel regen kwam.

Een ieder persoonlijk vindt in Elia een voorbeeld.

Ons leven in deze wereld is van een bijzondere aard, want, in de wereld zijnde, zijn wij tóch niet ván de wereld.

Als wij van jongs af aan opgevoed zijn in het Apostolische geloof, dan moesten wij eigenlijk nooit voor de keus komen te staan om God te dienen, de lust tot de dienst van God moet ons aangeboren zijn, het moet een erfgoed zijn dat wij van onze ouders hebben meegekregen.

Dáárom worden onze kinderen reeds gedoopt en verzegeld; maar dáárom ook zal het oordeel zo zwaar zijn wanneer wij ons, op latere leeftijd, van de Heer afkeren en geen lust meer hebben in de dienst van God.

Apostolische christenen vergaat het evenals Elia, hij geloof en vertrouwen is vast in God, maar God handelt wonderlijk met hen en stelt hen tot wonderen en tekenen.

De bemoeienissen Gods met hen zijn voor hen altijd even wonderlijk, en, dat kan voor hen soms veel strijd geven.

Wij moeten dan ook altijd weer denken aan Elia, want, om zijns levens wil hield God hem verborgen, éérst aan de beek Krith, en daarna bij de weduwe te Zarfath.

Als mens heeft Elia, toen hij aan de beek Krith vertoefde, zeer zeker behoefte gehad aan het gezelschap van mensen, máár, het moest voor hem voldoende zijn dat God met en bij hem was.

Wanneer hij hongerde, zond God de raven naar hem om hem brood en vlees te brengen en, om zijn dorst te lessen moest hij van het water uit de beek drinken.

Daarná was het een arme weduwe dier voor hem, in de nood, moest zorgen.

Voor onze zielen blijven er geen andere geneugten over dan de gemeenschap met God, temidden van veel strijd en moeite.

Die gemeenschap moeten wij zoeken in het gebed, want, bidden is het heerlijkste dat een ziel kan beleven.

Bidden is overwinnen, want, God verhoort.!

Bidden versterkt het geloof om voor de mensen een held te zijn, maar voor God een smekeling.

Verhoren wil niet zeggen dat wij altijd ontvangen wat wij vragen, want God weet beter wat goed voor ons is dan wij zelf, maar, het is het ontvangen van een bewijs dat God nij ons is.

Dít hebben ernstige worstelaars altijd ondervonden.

Er zijn vele oorzaken waarom wij gaan bidden.

Op drie zaken willen wij letten: er is zielenood die ons naar God drijft; er is lichamelijk nood, en er is ook een verlangen om met God te spreken.

Met zielenood bedoelen wij onder andere, die angst van de ziel vanwege daden die wij hebben gedaan en die niet meer ongedaan kunnen worden.

Wij hebben woorden gesproken, gedachten gedacht of dingen gedaan waarover wij berouw hebben, máár, ze zijn geschied en dát is het verschrikkelijke.

Om een voorbeeld te noemen: Wij hebben, misschien onwetend, kwaad van iemand gesproken en hebben daar veel berouw over gehad en dit kwaad voor de Heer en voor de betreffende persoon, beleden.

Maar tóch is daardoor de kwade daad niet ongedaan gemaakt en zij is een vlek op ons leven.

Terwijl anderen er niet meer, misschien nooit meer, aan denken, wenen wij er dagelijks om.

Deze zielenood drijft ons om te bidden, geduriglijk te bidden opdat onze Hogepriester Jezus maar voor ons blijft pleiten opdat het, door ons bedreven kwaad, geen zaad mag zijn dat levensvatbaarheid heeft en zal opwassen.

Wij denken hierbij aan David, van wiens huis het zwaard niet week om de door hem bedreven zonde, die tóch aan hem vergeven was.

Wij hopen, dat alle Apostolische Christenen, indien zij op een zodanige manier hebben gezondigd, kennis mogen hebben aan deze zielenood.

Wij willen onze foute zo graag herstellen, máár, er zijn veel daden die slechts beweend, maar die niet veranderd kunnen worden.

Er is ook dikwijls lichamelijke nood, een nood, die aanspoort tot bidden.

0mdat wij zelf, of één van onze geliefden, krank zijn of beproefd worden, bidden wij, en, nooit is ons gebed onverhoord gebleven.

Wij baden om herstel en behoud van het leven, en daarin werden wij niet altijd verhoord; want, menigmaal hebben wij het voorwerp van onze gebeden naar het graf moeten brengen.

Tóch verhoorde de Heer en gaf Hij blijk van Zijn nabijheid en Zijn medeleven met ons.!

De Heer gaf dan, op ons gebed, verlichting van de smart, en, dit was als een wolkje als eens mans hand want het was het begin van een overvloedige zegen want juist door op die verhoringen te letten, konden wij gemakkelijker zwaardere beproevingen doorstaan omdat wij wisten dat de Heer mét ons was.

De overvloedige zegen die uit deze verhoringen voortkomt, is óók de liefde tot de Heer en daaruit vloeit weer het verlangen naar de Heer voort.

Wanneer wij in de Evangeliën lezen, dat de discipelen, en vele mensen, dagelijks in de tegenwoordigheid van de Heer konden zijn en Hem konden zien, Zijn stem konden horen, dan kan er zo’n sterk verlangen bij ons opkomen om dat óók eens te mogen beleven.

Als wij graag willen bidden, maar door o zoveel dingen daarin verstoord worden, dan kan het verlangen bij ons zó sterk worden om op een hoge berg alleen te kunnen zijn met de Heer.

Heel graag zouden wij onze voeten eens willen zetten op Golgotha, om daar eens uit te wenen voor al de liefde die de Heer dáár ten toon spreidde.

Graag zouden wij eens op de 0lijfberg vertoeven om dan in de geest te kunnen beleven hóe de Heer daar eens met Zijn discipelen zat en aan hen verkondigde wat er in de toekomst zou geschieden.

Máár, dít zou onze ziel echter niet bevredigen want zij wil de Heer in heerlijkheid zien.

Dát zal de overvloedige zegen zijn die de Heer aan Zijn Elia-getuige, Zijn Kerk, heeft beloofd.

En, die belofte zál Hij vervullen.!

De verlossing van het volk des heren zal zijn als een wolkje van die grote zegen, dat óók het ganse schepsel verlost zal worden van de dienstbaarheid der verderfenis.

Maranatha.sdj