DE GANSE AARDE ZAL WETEN, DAT ISRAËL EEN GOD HEEFT.
1 Samuel 17.
Bovenstaande geloofstaal is niet van iemand, die reeds veel ervaring in zijn leven had, die oud en grijs geworden was in de strijd, noch van een geoefend krijgsman, wiens borst reeds met vele eretekens versierd was, maar het zijn woorden van een jongeling, wiens dagelijkse arbeid was het hoeden van de schapen van zijn vader.
Een eenvoudig doch gelovig man heeft eens geschreven: "Als men zelf niet groot is, dan behoort men er ten minste naar te streven, om grote mannen te verstaan".
Wij voegen hieraan toe, dat men de groten" niet altijd hoeft te zoeken onder mensen van hoge leeftijd.
We vinden ze, Gode zij dank, ook onder jonge mensen.
Was Jonathan niet een jongeling, toen hij sprak: "Want bij de Heer is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen"?
Met zijn wapendrager versloeg hij de bezetting der Filistijnen (1 Sam.14).
Welk een "grote" onder de mensen was het kleine Joodse meisje, dat ontvoerd was en ver van haar land en haar ouderlijk huis, niet morde en klaagde over haar verschrikkelijke lot, maar geloofde, en met medelijden vervuld over de melaatsheid van haar meester sprak: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht des Profeten, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen" (2 Kon.5).
0mdat men luisterde naar haar woord is de God Israëls verheerlijkt in het land Syrië en is de geschiedenis tot op deze dag tot zegen van velen geweest.
Wij allen kennen de geschiedenis van David en Goliath. David was een jongeling, toen hij voor de geweldige Filistijn stond en de bovenstaande woorden sprak.
We lezen hiervan in 1 Sam.17.
Deze woorden waren geen profetie, waarbij de persoon op de achtergrond treedt, maar het was geloofstaal, waarbij de persoon op de voorgrond staat.
Het geloof van David was ook geen zaak van het ogenblik, maar het was reeds in zijn kinderjaren gegroeid tot een kracht waarover wij ons verwonderen en tevens verheugen.
David heeft in zijn jeugd geleerd, uit de geschiedenis van Israël, hoe God dit volk door een krachtige hand en sterke arm verlost heeft uit Egypte en geleid heeft door de woestijn, om het te brengen in het land, dat Hij aan Abraham, Izaäk en Jacob beloofd had.
Hij voelde zich gelukkig dát hij tot dat volk te mocht behoren.
Als kind was hij niet alleen nieuwsgierig naar Gods daden, maar hij geloofde ze ook, dat wil zeggen: hij geloofde dat God nog dezelfde was.De geschiedenis van Israël trekt kinderen meestal aan.
Bij velen echter vermindert de belangstelling daarvoor, als ze ouder worden, maar, bij David was dit niet het geval. Zijn belangstelling groeide meer en meer.
Hij begeerde de Heer zó nabij zich zoals Hij weleer was met zijn volk en grote wonderen onder hen werkte.
Toen een leeuw en een beer de kudde waarover hij waken moest, naderden, heeft hij, in de kracht van het geloof, de leeuw, en de beer vers lagen (vers 34 ,35).
Deze daad was misschien door niemand opgemerkt, en, wellicht had hij het ook niet eerder verteld, dan toen hij voor koning Saul stond.
Geheel onverwacht stond David voor de spottende Filistijn. Hij hoorde hem de God van Israël honen.
Het kleingeloof en de kleinmoedigheid van Israël, waren hiervan de oorzaak, want, als zij de reus zagen, dan vluchtten zij voor hem en vreesden zeer (vs 24).
Dit kon David niet verdragen en terwijl er enerzijds droefheid was bij hem, omdat zijn God, de God Israëls gehoond werd en er anderzijds verslagenheid bij hem was over het ongeloof van zijn volk, blaakte nochtans zijn jonge hart van ijver voor de Heer om Hem te verheerlijken en sprak hij: "Wie is deze ónbesneden Filistijn, dat hij de slagorden des levenden Gods zoude honen?" (vs 26)
Wij merken hierbij op, dat de jaloezie van zijn oudste broer geen invloed op zijn hart had. Toen hij voor Saul gebracht was en hij deze verteld had van het verslaan van de leeuw en de beer, sprak hij: "Alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn gelijk een van die, omdat hij de slagorden des levenden Gods gehoond heeft" (vs 36).
Saul liet hem aankleden met een pantser en hem een koperen helm opzetten. Hieruit blijkt wel kinderlijke gehoorzaamheid bij David. Doch niet wat een ander hem gaf, maar wat hij zelf bezat was de kracht, waarmee hij strijden kon (vrs 39).
Dag aan dag had de Filistijn Israëls leger uitgedaagd om een man te geven, die met hem zou duëlleren, maar niemand had de moed gehad.
Daar trad nu voor hem een roodachtige jongeling met een stok en een tas en een slinger.De Filistijn vond het zeker beledigend voor hem, dat zo'n nietig mens het aandurfde om met hem, de reus, te strijden.
"En de Filistijn vloekte David bij zijn goden", maar David sprak: "Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild, maar ik kom tot u in de naam des Heren der heirscharen, de God der slagorden Israëls, dien gij gehoond hebt. Te dezen dage zal de Heer u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de lichamen van het Filistijnse leger deze dag aan de vogelen des hemels en de beesten des velds geven: EN DE GANSE AARDE ZAL WETEN DAT ISRAËL EEN GOD HEEFT en de ze ganse vergaring zal weten, dat de Heer niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des Heren, die zal ulieden in onze hand geven" (vs.45-47).
Welk een geloofstaal!
De gehele aarde heeft het geweten: Goliath werd op eenvoudige wijze verslagen, doordat David een steen in zijn voorhoofd slingerde, en, deze geschiedenis is bekend geworden bij vriend en vijand.
In al de eeuwen, die geweest zijn en tot onze tijd aan toe, is er gesproken van de overwining welke God aan Zijn volk gegeven heeft en van de helden, die de oorzaak waren van de winning.
"Als men zelf niet groot is, dan hoort men er tenminste naar te streven om grote mannen te verstaan".
De Bijbel noemt ons geloofshelden, die werkelijk "Groot" genoemd mogen worden. Helaas vinden we ze in onze tijd maar zeer weinig. Wel leven we in een tijd van "reuzen", dat is: van sterke mannen.
De Heer Jezus heeft gezegd, dat de dagen van Noach zouden wederkeren in de tijd dat Hij zal wederkomen (Matth.24:37-39).
In de dagen van Noach leefden de mensen voor hun genoegen: "zij waren etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende", en letten niet op de ernstige woorden van Noach, de prediker der gerechtigheid, dat de Heer zou komen ten gerichte".volgens de profetie van Henoch. (Judas:14,15).
In onze tijd leven de mensen zeer naar hun begeerte. Het gehele maatschappelijke leven is gericht om te genieten. Allerlei genoegens worden aan de mensen aangeboden in dancing, bioscoop, schouwburg enz.
De radio zorgt voor elk wat wils. De Prediker sprak: "Het oog wordt niet verzadigd met zien en het oor wordt niet vervuld van horen" (1:8).
Alles wat de wereld biedt, verzadigt nochtans de begeerte niet.
Waar nog gedacht wordt aan des Heren woord, wordt het nog maar al te veel vermengd met het wereldse genot.
We leven ook in de dagen der "reuzen", de "mannen van naam", gelijk in Noachs dagen, (zie Gen. 6:4).
De tijd van de Democratie is voorbij, we beleven nu de tijd der Dictatuur. Dit is de geest van de Antichrist, die zich verheft boven God.
(Dr. M.van Rijn zegt dat het getal van het beest uit Openb.13:18 namelijk 666 ook kan betekenen "Kaisar Theos" dat is: "de keizer is God" (Het N.T. in het licht der opgravingen bl.7l,72). Met andere woorden: "De mens is God".
Alles wat er om ons heen gebeurt wijst op dit streven: Christus bestaat niet, WIJ heersen en regeren!
Bovendien leven de christenen in de tijd van Laodicea, dat is de tijd van lauwheid en geestelijke verslapping (Op-3:l5-17).
Vele ernstige christenen, van wie men verwachten mocht, dat ze "helden" zouden zijn als de eer van Christus zou worden aangerand, zien we naar alle kanten heen buigen, overal iets goeds in vinden, zich aanpassen aan alles en nooit eens kloek optreden tegen de geest van verval en afval.
Wij hebben maar slechts de hand in eigen boezem te steken om de waarheid van dit woord te bevestigen.
De Apostolische Kerk heeft een roeping van God te vervullen: "Het vervallen christendom op te roepen om niet langer te hinken op twee gedachten, God en de wereld te dienen, maar weder te keren tot de leer der Apostelen".
Doch, zij kan haar roeping niet meer zo krachtig vervullen, sinds de geest van de antichrist scheuring in haar deed ontstaan en de naam van het getrouwe deel daardoor smaadheid wordt aangedaan.
Evenwel moet zij een LEVENDE GETUIGE zijn, of ze gehoord dan wel niet gehoord wordt door het volk.
Wij allen weten, dat de Volksregering uit de boze is. Daarom moeten wij in het openbaar optreden tegen deze antichristelijke macht.
0, indien we het geloof hadden van David, wij zouden niet vrezen, maar de Laodicese geest bestraffen.
Dan zou de gehele wereld weten, dat Juda een God heeft.
Elia durfde het wagen met God op de berg Karmel en zei tot het volk en de 400 Baälspriesters: "De God, die met vuur antwoorden zal, die zal God zijn".
Wij spreken nog wel eens van de "Oude Garde" waarmee we dan zeggen willen, dat er verschil is tussen het voorheen en thans.
Voorheen was er wellicht meer ijver, meer vertrouwen. Dit vertrouwen en deze ijver is zeer geschokt door de strijd, die in eigen boezem is opgekomen.
Maar waarom zouden de jongeren van heden niet even ijverig zijn voor de eer des Heren en de verbreiding van Zijn waarheid?
Er is één middel voor ons, en vooral voor de jonge mensen: te breken met de wereld, met de slappe Laodisese geest en de Heer dienen met zijn gehele hart en met zijn gehele ziel.Moge God in Zijne genade ons weldra jonge mannen als David zenden, die in de kracht des Heren nimmer vreezen voor vijandige machten, maar ijveren voor de God van Israël.
De wereld moet weten, dat de God der Schriften nog dezelfde is!.©sdj
70