Aantekeningen uit het boek Daniel.

Daniel 12:1-4.

De profeet Daniel was, tijdens de krijgstocht van Nebukadnezar, de koning van Babel, in het 3e jaar van de regering van koning Jojakim over het rijk van Juda, met vele andere zonen van het zaad Gods, de kinderen Israëls, op een zeer jeugdige leeftijd weggevoerd naar Babel.

Hoe jong hij ook was, hij moest reeds onwankelbaar en vast hebben gestaan in het verbond met zijn God en verlicht zijn geweest met de kennis van het Goddelijke Raadsbesluit dat in het einde der tijden vervuld zou worden.

Met een vuur van ijver en een zuiver hart voor de Here God, hield hij zich rein voor de verleidende invloeden van de Chaldeeën; een opvoeding, die aan hem werd opgedrongen waardoor hij een meester werd in de wijsheid der Chaldeeën; en, zó groot was zijn kennis dat hij, die nauwelijks tot de mannelijke leeftijd was gekomen, de Overste van de Magiërs der Chaldeeën werd.

De naam van Daniel betekent: "God is Rechter". Daniel was een man in wien de Here God een welbehagen had, want hij werd van de Here God een lieveling, een kleinood genoemd; en volgens de Statenvertaling: was hij: "een zeer gewenste man".

Reeds op jeugdige leeftijd ontving hij de gave van visioenen en de uitleg van dromen. Door een onafgebroken geloof aan de Heer en Zijn Woord, en door het opwassen in het geloof in de Allerhoogste, werd zijn geloof steeds meer en meer gelouterd en verhoogd, zodat de visioenen van een zó grote betekenis werden, dat zij zouden bereiken tot aan het einde der tijden.

Aan hem werd het Goddelijk Raadsbesluit: Het Hemelrijk op aarde te grondvesten, geopenbaard, hetgeen de hoop was van alle profeten van Israël.

De hoop op de vestiging van het Hemelrijk op aarde, lééfde in Daniel, hoewel hij het natuurlijke Rijk van Israël in puin zag storten. Hij zag zijn volk in de diepste vernedering weggezonken en de macht van de heidenen tot een toppunt stijgen.

Daniël wist óók, dat het volk van God door zijn zonde zo diep gezonken was, maar tevens, dat van de belofte des Heren geen enkel woord onvervuld zou blijven.

In de Geest zag Daniël het afwisselende rijzen en dalen van de natieën, evenals, hoe naar de beschikking van de Here God, dat het éne wereldrijk het andere zou opvolgen en hoe als laatste des Mensenzoon van de Hemel zou komen om alle Koninkrijken en alle natiën te ontvangen als Zijn erfdeel, waardoor dan ook déze profetie vervuld zal zijn.

Zijn geestesblik drong door tot in de jongste tijd, tot op de dag der verrijzenis der doden en het jongste gericht.

Máár, de tijd tussen de dood van Christus, en de Eerste Opstanding van de in Christus ontslapenen, was voor hem verborgen; deze gebeurtenis word echter aan ons geopenbaard, ja, misschien wel door sommigen van ons die zullen overblijven en levend veranderd zullen worden,beleefd.

Maar, om díe overwinning te behalen, moet de Gemeente zich daarover zeer ernstig beraden en toebereiden, en moet zij zich meer en meer toebereiden dan nu nog het geval is; dan moet de grond van het geloof vaster en dieper worden want het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet maar nochtans wel verwacht.

Het geloof is een bezegelen, een bewaren, een vasthouden van hetgeen men hoopt.!

En dán wordt het, in de Here God verborgen leven, openbaar; het leven, waarvan apostel Paulus heeft gezegd: "Ons leven is met Christus verborgen in God."

Vanaf het 7e hoofdstuk van het boek Daniël vinden wij de visioenen en de dromen beschreven die de Here God hem gafen, die de geweldige strijd tussen het Godsrijk en tussen het Rijk der duisternis, het rijk van de antichrist, laten zien.

In de droom die de Here God aan de koning Nebukadnezar liet zien, werden in de vorm van een groot beeld, waarvan het hoofd van goud; de borst en de armen van zilver; de buik en de lendenen van koper en de voeten van ijzer vermengd met leem waren, de vier koninkrijken getoond.

Verder zag Nebukadnezar een steen, een steen zonder handen, afgescheurd worden van de berg, deze steen verbrijzelde het ijzer en het leem, het koper, het zilver en het goud van dat beeld, terwijl de steen zelf uitgroeide tot een grote berg die de gehele aarde vervulde.

Een volk Gods zou er komen, en dit volk zou al de koninkrijken verbrijzelen, maar zelf zou het in eeuwigheid blijven bestaan.

Dat volk dat zou komen, is het Koninklijk Priesterlijk volk dat door haar geloof de wereld zal overwinnen en de gevallen engelen oordelen.

Dit volk zal, als Koning-Priester, over alle koninkrijken heersen naar Gods wil en Gods stem en Gods eeuwig Raadsbesluit en Zijn Goddelijk bestek.

En, wíe zal Gods besluit, dat blijft van geslacht tot geslacht, ooit kunnen keren.? Wíe wil nú echter nog naar Gods Stem luisteren en Zijn Woord gehoorzamen.?

Immers, de volkeren bedenken slechts ijdelheid, en zelfs zij, die eens in het Huis des Heren waren geplant, zij, die eens gestaan hebben op de grond der genade met een heilig voornemen om altijd bij de Heer te blijven, zij hebben hun eigen altaren opgericht en woeden mét de volkeren en hebben ijdele dingen bedacht.!

Wat is de eindstrijd, om te blijven bestaan in het geloof der Schriften, een felle strijd.! De Heer is toch niet veranderd, evenmin als Zijn Raadsbesluit. En dáarom zal er steeds een overblijfsel zijn, want anders was de gehele wereld reeds onder Gods toorn gesteld vanwege de schijnheiligheid en de verkrachtingen van de enige Waarheid van de Heer Jezus Christus. Al deze dingen mocht Daniel in de nacht in een gezicht aanschouwen, terwijl de vier winden des hemels: der volkeren, tégen elkaar stormen op de grote volkerenzee en zee en watergolven een gróót geluid geven vanwege de hevige hartstochten en de onverzadigbare begeerlijkheden des vlezes, VER VAN DE HERE GOD EN ZIJN HEMELS KONINKRIJK VAN VREDE EN BLIJDSCHAP.

Al deze dingen mocht Daniel aanschouwen in de verscheurende dieren die uit de zee opklommen, het éne dier weer anders dan het andere.

Het eerste dier was ALS een leeuw, met vleugelen ALS een arend, wiens vleugelen uitgeplukt werden.

Het werd op zijn voeten gesteld als een mens en ontving eens mensenhand.

Welk een verschrikkelijk beeld is dat van op- en tegenstand, tevens van het verval van de Here God en Zijn werken.!

Het tweede dier was ALS een beer, het beeld van vervolginswoede, en het stond op één zijde, zoals een beer doet wanneer hij wil aanvallen en het had tussen zijn tanden drie grote, lange tanden.

Tot dit tweede dier nu werd gezegd: "sta op, eet veel vlees", het beeld van verovering van mensen, van hun landen en van hun schatten.

Vervolgens zag Daniël een ánder dier., gelijkend op een luipaard, met op zijn rug vier vleugels als van een vogel. Dit dier had vier hoofden en ontving de heerschappij, terwijl het vierde dier zó gruwelijk en verschrikkelijk was en zó sterk dat het de andere dieren op at en verbrijzelde, ze vertrad met zijn voeten.

Dit dier had 10 hoornen, het beeld van 10 koningen en hun macht.!

Dit dier zou de Allerhoogste lasteren en de Heilige Gemeente verdrukken en het zal de tijden en de wetten veranderen; echter, na een tijd, twee tijden en anderhalve tijd zal zijn heerschappij worden weggenomen en zal het worden vernield, tot voleindens toe.

Doch de koninkrijken der aarde en de macht onder de gehele Hemel zal aan het Heilige volk van de Allerhoogste gegeven worden, Wiens Rijk eeuwig is en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen.

Daniël zag de goddelozen als een onstuimige zee, die niet stil kan zijn en wier golven modder en slik opwerpen.

In het eerste dier zag Daniël het Chaldeeuwse Rijk dat met leeuwenkracht en adelaarsvlucht zijn buit aangreep, máár, de macht om op roof uit te vliegen werd aan hem ontnomen door het beeld van het uitplukken van de vleugelen.

Daarná zag hij het Medisch-Perzische Rijk, log als een beer, maar oorlogszuchtig; zijn drie grote tanden waren het beeld van het Babylonisch-Medische en Lydische Rijk waarmede het verbonden was.

Daarna zag Daniël het Grieks-Macedonische Rijk onder het beeld van een luipaard, het snelste dier onder de roofdieren, met zijn 4 vleugelen, ziende op de veroveringen van Alexander.

Daarna het Rijk van de antichrist, dat in een volkomen vijandschap tegen God strijd, als het heidens-Romeinse Rijk dat zichzelve verheft tot lastering Gods en tot schade van het heilige en verkregen volk des Heren.

Al deze rijken en hun verval, zijn de voorbeelden van de geestelijke machten en boosheden waartegen het volk van God moet strijden.

Echter, het is de Heer Zélf, Die mét en vóor ons, Zijn volk, strijdt, dat Koninkrijk dat de geestelijke strijd voert tegen de geesten van de rijken die Daniël mocht zien.

Het is de Vorst des Hemels die deze rijken en hun machten overwint en veroverd.!
Wat wij heden schrijven, tekent de strijd en de verschijning van de Hemelvorst Michael die de strijd voert tegen de geesten der volken en hun staatslieden die het Rijk van God bestrijden of verloochenen; die niet willen, dat Hij koning over hen zal zijn.
Hierin zien wij de profetie van
Psalm 2 worden vervuld: "Waarom woeden de heidenen en hebben de volkeren ijdele dingen bedacht.?"
De Here God heeft echter Zijn Koning over Sion gezalfd, de berg Zijner Heiligheid.
Hij zal aan Hem de heidenen geven tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijn bezitting, hoewel de vorsten en hun volken de Here verachten.

De Heer spreekt echter door aardbevingen en pestilentiën. Hij verschrikt de volken in Zijn grimmigheid zodat zij nergens uitkomst zien.

Echter, terwijl de "zeer gewenste man Gods" uit de profeet Jeremia las dat Jeruzalem 70 jaren woest zou zijn sedert de dienstbaarheid onder Nebukadnezar: "boog hij zich voor God om Hem te bidden en te smeken, met vasten in zak en as, en hij schuldbelijdenis deed voor Hem, de grote en verschrikkelijke God Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden."

Hij, Daniël, deed belijdenis voor zich en Zijn volk om de verwoestingen van de Heilige Stad Jeruzalem, Zijn heiligen berg, zodat het volk tot versmaadheid werd bij allen die rondom zijn.Zulke boetgebeden hebben óók Ezra en Nehemia en de Levieten opgezonden, en, wát doen wij.?

Het is toch volgens het Schriftwoord dat wij bidden zullen voor alle mensen en koningen en allen die in hoogheid gezeten zijn.?

De Here God had naar Israël profeten gezonden maar het volk luisterde niet en zijn aan Zijn stem ongehoorzaam geweest, en, daarom, omdat het volk niet wandelde naar Gods wetten, ja, zelfs afweek van de waarheid Gods, heeft Hij ze heengedreven.

Hoort dan echter hoe Daniël bidt: "O, Here Hoor.! O, Here vergeef.!, O,Here merk op.! en doe het om Uzelfs wil o, mijn God.! want Uw stad en Uw volk is naar Uw Naam genoemd."
De Here God heeft óók in Juda profeten gezonden en Zijn Heilige Geest heeft niet gezwegen over de verwoestingen die nú gekomen zijn.
Ook wij moeten belijdenis van zonden doen voor ons eigen volk en voor de Christenheid opdat er nog uitredding is voor diegenen die des Heen Woord en geboden willen houden.

Want Christus zal andermaal zonder zonden gezien worden van degenen die Hem liefhebben. In deze droeve tijd, een tijd zoals er nog niet geweest is, zal de Heer Zijn Bruidsgemeente redden, ja haastiglijk redden uit de grote verdrukking die met rasse schreden naderbij komt.

Evenals Daniel op zijn bidden de profetie ontving van de 70-jaarweken, waarna de overtreding geweerd, de misdaad verzoend en een eeuwige gerechtigheid werd aangebracht door de komst van de Here Jezus op de aarde, zo rust op ons de plicht om te bidden voor Gods volk en voor allen die de verlossing zoeken.

Pas na drie weken van vasten en voorbereiding ontving Daniël het visioen van Enen, als in de gedaante van een mens, en Hij versterkte hiermede Daniël, en Hij zeide: "Vreest niet, gij zeer gewenste man; Vrede zij u, weest sterk, ja, weest sterk." en Daniël wérd hiermede versterkt.
Doch de Zone Gods, om zijnentwil gekomen, had nog 21 dagen tegenstand ondervonden van de Vorst, van de machten van het koninkrijk van Perzië, dien Hij overwon.
En daarná aan Daniël berichten kwam over de strijd van de koninkrijken van dien tijd, als de vijanden van God en Zijn Rijk, en van Zijn volk dat toen nog 350 jaren moest teren op deze profetieën.

Doch tóen kwam de voorzegging van de ondergang van de aartsvijand van de Here God en de belofte van de verlossing van Israël en van het einde van hun verstrooiïng.
Zó zal óók de belofte Gods aan ons vervuld worden wanneer wij de geboden en inzettingen des Heren onderhouden, wachtende en onszelve voorbereidende voor het Avondmaal van de Grote God.

	Maran-atha, Jezus komt