DIE HET BITTERE TOT ZOET STELLEN

EN

HET ZOETE TOT BITTERHEID.

Jesaja 5:20

Deze uitspraak vinden wij opgetekend in het 5e hoofdstuk van de profeet Jesaja.

Wij vinden in dit hoofdstuk een gelijkenis van een wijngaard, waaraan al het mogelijke

is gedaan om goede vruchten voort te brengen.

 

De wijngaard in deze gelijkenis is Israël, en de eigenaar is de Here God.

Doch deze was, door alle zorg en moeite die door de Eigenaar verricht waren onvruchtbaar gebleven, zodat Hij uitroept: “Nu dan gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda! oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijnen wijngaard; wat is er meer te doen aan Mijnen wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?”.

 

Had de Here God, in de voorgaande hoofdstukken, niet gewaarschuwd, wat Juda en Benjamin zou overkomen, indien zij niet luisterden naar de stem Gods, want zij zouden zegeningen ondervinden, als zij de raad Gods zouden opvolgen.

 

Tijdens het leven van Jesaja, en zijn loopbaan als profeet, heeft hij geprofeteerd, en, volgens het 1e hoofdstuk, het 1e vers, was dat onder de koningen Uzzia, Jotham, Achaz en Hiskia.

 

Moest koning Uzzia niet de straf der melaatsheid ondervinden, die ovér hem kwam toen de hoogmoed hem parten speelde en hij zich het recht toeëigende om te offeren in de tempel en dat hij daardoor Gods ordeningen van het ingestelde priesterschap niet achtte?

Wel was deze koning Godvrezend, maar de voorspoed en zijn toegenomen macht en  aanzien, deden hem deze dwaze stap doen, en, de gevolgen bleven niet uit.

 

Ook Jotham en Hiskia waren goede koningen, hoewel het volk over het algemeen bleef roken op de hoogten, door mensen opgeworpen en tot gewijde plaatsen gemaakt.

 

Een tegenstelling met deze koningen vormde wel Achaz, die een slechte koning was en een slecht voorbeeld gaf aan het volk, waarover hij regeerde.

We kunnen dan ook wel vermoeden, dat de ernstige waarschuwingen golden voor dit tijdperk van afgoderij en verachting van de woorden Gods, door de profeet Jesaja gesproken.

Want Achaz wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der Heidenen, die de Here voor de kinderen Israëls verdreven had.

Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte. (2 Kon.16:3.4).

Deze gruwelen bedreef deze koning en wij leren hem kennen, als de Here God Zijn belofte van uitredding en verlossing doet horen wanneer vijanden zijn troon belagen. (Jes.7:3-4).

Dan speelt hij zijn rol van de vrome huichelaar.

 

Daardoor was het gehalte van het volk zeer gedaald en werd de spot gedreven met de profetieën door Jesaja, op Gods bevel uitgesproken.

Is het dan zo'n wonder, als men spottende taal hoort als gevolg van dit spreken Gods?

Als het voornemen van de Allerhoogste wordt aangezegd, wat Hij met Zijn wijngaard zal doen, nl.: “Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding en Ik zal hem tot woestheid laten; hij zal niet besnoeid noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Want de wijngaard van de Here der heerscharen is het huis van Israël en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw”. (Jes.5:5-7).

 

Wij vinden in de volgende verzen een opsomming van de ongerechtigheid van het door God uitverkoren volk. De gerechtigheid Gods, dat is Zijn heilige wil, wordt met voeten getreden.

Roof, moord, onderdrukking en zwelgpartijen kwamen veelvuldig voor, en deze gruwelen werden het meest gezien en waargenomen bij de groten en voornaamsten van het land.

 

Ook apostel Jacobus heeft zich in zijn tijd daaraan gestoten, wanneer hij schrijft in Jac.5:1-6: “Welaan nu gij rijken! weent en huilt over uwe ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot en uwe klederen zijn van de motten gegeten geworden, uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis en zal uw vlees als een vuur verteren, gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. Ziet, het loon  der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Here Zebaöth. Gij heb lekkerlijk geleefd op de aarde en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting. Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de rechtvaardige en hij wederstaat u niet."

 

Al deze dingen vloeien vaak voort uit het feit, dat men niet tracht om op te volgen wat de Here God heeft bevolen in Zijn geboden, en die door de Heer Jezus zijn samengevat in 2-geboden, als een wetgeleerde aan Hem vraagt om Hem te verzoeken: "Meester! welk is het grootste gebod in de wet?"

En Jezus zei tot hem:"Gij zult liefhebben de Here uwen God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grootste gebod. En het tweede aan dit gelijk is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelve. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten." (Matth.22:34-40).

Waar deze liefde niet is, kunnen al de ongerechtigheden tot openbaring komen.

 

Wie God liefheeft, doet de naaste geen kwaad, maar helpt hem naar zijn vermogen, want deze is ook een schepsel Gods.

En, hoe vaak ziet men niet, dat velen onverschillig zijn over het lot van hun medemens en het eeuwenoude gezegde van een Kaïn herhalen:"Ben ik mijns broeders hoeder?" Wie de wil van God niet doet, geen liefde tot Hem heeft, Hem niet erkent als de Schepper van het Heelal, hoort en luistert niet naar de stem van de Heer, wanneer Hij spreekt door de mond van Zijn profeten.

 

De profeet Jesaja was de mond Gods, om het oordeel aan te zeggen over Juda en Benjamin over deze liefdeloosheid.

Maar, in plaats van zich te verootmoedigen, lieten zij hun spottende taal horen op de ernstige woorden Gods die hen werden aangezegd. Zij waren het, die zeiden:"Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien, en laat naderen ,en komen de raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen”.

 

Het Wee wordt dan uitgesproken: “Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad, die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitterheid. Wee dengenen, die in hun ogen wijs en bij zichzelve verstandig zijn. Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken en die kloeke mannen Zijn om sterke drank te mengen! Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelve afwenden. Daarom, gelijk de tong des vuurs de stoppel verteerd en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen en hun bloem zal als stof opvaren, omdat zij verwerpen de wet des Heren der heerscharen en de rede des Heiligen van Israël versmaden”.

“Daarom is de toorn van de Heer tegen Zijn volk ontstoken en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd en hun dode lichamen zijn geworpen als drek in het midden der straten”.

 

Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt, want Hij zal een banier opwerpen onder de Heidenen van verre en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde der aarde en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen”. (Jes.5:19-26).

 

Deze oordelen zouden komen en het zag reeds op de wegvoering in ballingschap, die 70 jaar zou duren.

De Heidenen onder Nebucadnezar hebben de gerechtigheid Gods aan hen voltrokken. Zij waren het middel daartoe in Gods hand en als Zijn banier hebben zij gedaan, wat de Here God door de profeet Jesaja had gesproken.

 

Had men niet gespot door te zeggen dat Hij maar haast moest maken, opdat men zou zien de komende oordelen Gods?

Waren zij het niet, die alle kwade handelingen goed en de goede kwaad noemden, die hun duistere praktijken wilden rechtvaardigen en de bitterheden als zoet wilden voorstellen?

De oordelen zijn over hen gekomen, omdat zij niet geluisterd hadden naar de stem Gods.

 

In onze dagen zien wij, hoe een groot deel van de mensheid Gods geboden veracht; en handelingen goed noemen, die in strijd zijn met die geboden.

De Here God heeft Zijn woord gegeven, geopenbaard in Jezus Christus, Zijn Zoon, doch het is weer de kreet die gehoord wordt: “Kruist Hem, en laat Bar-abas los”.

 

De duisternis wordt tot licht en het bittere tot zoet gesteld. Men spot met de kruisverdienste van de Heer Jezus en men heeft Hem niet nodig. De menselijke ontwikkeling en de vele uitvindingen doen velen zich van God afkeren. En vooral wil men deze uitvindingen toepassen om te verderven en wil men de schijn aannemen, dat deze tot algemeen welzijn en voor vredesdoeleinden gebruikt zullen worden.

 

De Heer Jezus heeft als volgt van deze tijd gesproken in Lukas 21:25-28: “En er zullen tekenen zijn in de zon en maan en sterren en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven en het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zullen zij de Zoon des Mensen zien komen in ene wolk met grote kracht en heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts omdat uwe verlossing nabij is”.

 

En, nu we ons in deze tijd bevinden, doen wij er goed aan, om de raad van de Heer op te volgen, om Hem te verwachten en bereid te zijn om Hem te ontmoeten. Wij moeten ons onthouden van het volgende: "En wacht uzelven dat uwe harten niet te eniger tijd bezwaard zal worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens en dat u die dag niet onvoorzien overkome; want gelijk een strik zal Hij komen over al degenen die op de ganse aardbodem gezeten zijn. Waakt dan te allen tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen”. (Luk.21:34-36).

 

Zware tijden staan ons te wachten en wij hebben nog de gelegenheid om ons te sterken in de hoop en verwachting om Hem tegemoet gevoerd te worden.

Laten we tóch de tijd, die ons gegeven wordt, uitkopen, d.w.z. gebruiken, om te komen in des Heren huis, om opgebouwd te worden en nieuwe krachten des geloofs te ontvangen, want de dagen zijn boos.

 

De naderende komst des Heren doet ons het zoete smaken bij al de bitterheden, die onze ogen aanschouwen en onze oren horen.

Koning Salomo heeft in de verzameling der Spreuken (27:7),dit gezegd: “Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem, maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet,”

 

Er zijn in een mensenleven dikwijls vele bitterheden, die men moet ondervinden. Vooral denken we hierbij aan de zieken, die jaren lang het bed moeten houden en niet kunnen opgaan naar de vergadering van de kinderen Gods om aldaar God lof te zingen en Hem te aanbidden.

Onze gedachten gaan uit naar de eenzamen en verstrooiden, die door deze omstandigheden veel moeten missen. Zij kunnen verlangend zijn om in de gemeente te zijn, maar het wordt verhinderd door hun gebondenheid en afstand. Doch de wetenschap, dat zij niet vergeten zijn door de hemelse Vader, dat vele gebeden door hun broeders en zusters worden opgezonden, dat de Heer Jezus ons aller kruis heeft gedragen en de verzoening heeft aangebracht, doet het bittere van het lijden, de eenzaamheid, de afstand en miskenning zoet worden.

 

De tegenstelling is een verzadigde ziel, die het zoete vertreedt. De overvloed aan geestelijke spijzen smaakt niet meer zoals bij een hongerige ziel. Men wordt lauw en traag en slaat vele malen over om te gaan naar des Heren huis. Ook kijkt men naar de dienaren die het zoete verkondigen van het kruis van Christus en Zijne beloften en die men, door weg te blijven, niet wil horen of met een zekere mate van tegenzin aanhoort. Hun begeerte is niet te bevredigen.

 

Dit geldt ook voor onze Laodicesche tijd, voor degenen die zeggen, rijk te zijn en geen ding gebrek te hebben, hoewel de Heer zegt, dat zij arm, blind, en naakt zijn. Men wil het goud en de witte klederen niet, noch de ogenzalf om te zien. (Openb.3,14- 22).

Toch zijn er ook van die hongerige zielen, die uit heg en struik gehaald worden en niet genoeg kunnen krijgen van hetgeen aan hen wordt verkondigd, die verlangen om te ontvangen, wat nodig is om tot de Bruid des Heren te behoren.

 

Toen Israël uit Egypte trok, deed Mozes hen voortreizen tot in de woestijn Sur, waar geen water was en daarná kwamen zij te Mara, waar wel water was, maar dit water  was bitter en niet te drinken.

De Israëlieten murmureerden en zeiden tot Mozes: "Wat zullen wij drinken?" Mozes riep tot de Heer en de Heer wees hem een hout, dat hout wierp hij in dat water, toen was het water zoet.

 

Aldaar stelde hij een inzetting en recht en aldaar verzocht hij hetzelve en zeide: "Is het, dat gij met ernst naar de stem des Heren uws Gods horen zult en doen, wat recht is in Zijne ogen en uwe oren neigt tot Zijne geboden en houdt al Zijne inzettingen; zo zal Ik gene van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb, want Ik ben de Here, uw Heelmeester."

 

Toen kwamen zij te Elim en daar waren 12 water fontijnen en zeventig palmbomen en zij legerden zich aldaar aan de wateren; (Ex. 15:22-27).

Welk een verschil tussen Mara en Elim, de woestijn en de oase; de dorheid en de plaats waar men eten en drinken kon.

Het water te Mara was bitter en kan een type zijn van de wet op de Sinaï gegeven, die niet,te volbrengen was. Deze wet was de tuchtmeester totdat de Christus kwam, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. (Gal.3:24).

God wees Mozes een hout aan, en door dat hout werd het water zoet. Dat hout is het kruis van Golgotha waaraan de Heer Jezus gekruisigd werd en Hij de wet voor ons volbracht en wij genade voor recht hebben verkregen.

Het bittere van de wet werd zoet gemaakt door het kruis van Christus. De gezangdichter spreekt er van in Gezang 127:2 “...Maar ’t kruis werd ons de boom van het leven, dien wees de Vader zelf ons aan”.

 

Apostel Paulus sprak van een doorn in het vlees, waardoor hij veel leed ondervond en moest dragen en op zijn bede om daarvan verlost te worden, een bede, die hij driemaal herhaalde, was het antwoord des Heren: "Mijn genade is u genoeg”.

Het was voor hem zeer bitter om deze doorn in het vlees mede te dragen door het leven en bij de verkondiging van het Evangelie, maar de troost om deelgenoot te zijn in de genade van Christus, maakte dit bittere zoet.

Hij zelf voegt daaraan toe, opdat hij zich niet verheffen zou en juist in deze toestand zou Gods kracht in het zwakke lichaam volbracht worden. (2 Kor.12:7-10).

 

Op het eiland Patmos kreeg apostel Johannes de Openbaring Gods.

In Op.10:8-11 lezen we, dat hij het boekske moest opeten en het was zoet in de mond maar bitter in de buik.

Om het getuigenis in deze tijd te verkondigen, met de rijkdom van ambten en gaven van de H.Geest, is zoet, maar wie wil het aannemen?

Verdachtmakingen en spot zijn vaak de gevolgen van de verkondiging en de oordelen, die worden aangezegd, werpt men van zich.

Dit zoete wordt daardoor tot bitterheid gemaakt, maar de hoop en verwachting op des Heren wederkomst geeft ons kracht om voort te gaan.

Maar degenen die het verwerpen, om welke oorzaak ook, zullen het toch aanschouwen, dat Gods woord vervuld zal worden en reeds vervuld wordt.

En de spotters in de wereld zullen niet ontkomen aan het wee over hen uitgesproken.

Wee degenen, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitterheid!

De spotter smaadt Uw Zoon, 0 God!; De Zoon, voor ons gestorven, Versmaadt, om het nietig aards genot, Het heil, door Hem verworven. Maar eens, eens geeft der spottren tal, Daar Hij als Rechter zitten zal, En wij, wij eeuwig juichen! (Gezang 101:3.CBM/SdJ