BARUCH.

Jeremia 45:

De profeet Jeremia heeft een zeer moeilijk leven gehad, te meer,omdat hij een man was met een teer hart zodat hij dubbel moest lijden door alles wat hij moest ondervinden.

Hij beminde zijn God en diens uitverkoren volk met een vurige liefde, en, daarom ging hij er erg onder gebukt, dat dit volk zo zondigde tegen zijn God, en, juist híj werd verkoren om de ernstigste waarschuwingen te laten horen om dit volk tot inkeer te doen brengen, waardoor het de bestraffende hand van de Here God nog kon afwenden.

Door zijn boetprofetien kwam Jeremia dikwijls met het gehele volk in botsing, met armen en rijken, met regeerders en met geregeerden; en, terwijl zijn hart vervuld was met liefde voor het Joodse volk werd hij door allen, die de God der vaderen verlaten hadden, gehaat.

Wanneer wij nu Jeremia 20 lezen, dan zien wij duidelijk aan welke gemoedswisslingen de profeet Jeremia onderhevig was.

Pashur, de bestelde voorganger in het Huis des Heren, (dat wil zeggen: een soort Hoofdinspecteur van de Tempelpolitie), had de profeet laten geselen en hem daarna in de gevangenis laten opsluiten.

De volgende morgen, toen de profeet weer werd losgelaten, toen profeteerde hij over het lot van deze Pashur, wiens naam betekent "Veiligheid rondom".

De profeet veranderde de naam Pashur in "Magor Missabib", dat wil zeggen: Schrik van rondom.

Oók voorspelde Jeremia wat de Koning, én Jeruzalem te wachten stond.

In vers 7 spreek hij over zijn innerlijke strijd: hij wilde eigenlijk niet meer profeteren maar de Heer was hem te sterk en de Here God dwong de profeet om te profeteren, en, in de eerste blijdschap na zijn bevrijding vanuit de gevangenis, kon hij de Heer prijzen voor Zijn bewarende macht: "Zingt den Here, prijst den Here, want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost." vers 13.

Maar, daarná heeft de profeet bij zichzelf zeker de vraag gesteld waaróm hij al die ellende eigenlijk moest doormaken; geseling en gevangenisstraf en, daarbij ook nog de gehele nacht de onzekerheid over datgene wat hem de volgende dag te wachten zou staan.

Wie het niet heeft ondervonden, kan zich niet goed indenken welk een geweldige indruk zulke ondervindingen op een mens kunnen maken.

Een overheidsdienaar vertelde eens: "De meeste mensen die onschuldig in de gevangenis zitten en die niet weten wat er verder met hen zal gebeuren, zijn soms, na één nacht, voor hun gehele leven zenuwpatiënt."

Wij zien in ieder geval bij Jeremia duidelijk welk een reactie de ondergane straf en belediging in hem te voorschijn riepen.

"Waarom moest ik dat ondergaan, ik ben toch onschuldig.? En morgen of overmorgen wacht mij weer datzelfde lot.!"

Hij begint zelfs, in een aanval van moedeloosheid, zijn geboortedag te vervloeken, evenals Job het ook eens deed. Job 3:11; Job 10:18.

Wij moeten echter niet vergeten dat er nog meer oorzaken waren waardoor Jeremia tot deze vreselijke uitval van opstandigheid werd gebracht.

Hij zag immers de ondergang van het volk nader bijkomen en ook de vreselijke afgoderij waaraan het volk zich bezondigde.

Jeremia 7:16-20 toont ons de geestelijke toestand van Juda.

Dit alles bedrukte de profeet, zodat hij, die toch al zoveel in zijn hart moest verwerken, niet zoveel tegenslagen meer nodig had om voor een ogenblik geheel uit zijn evenwicht te raken.!

Hij kon, met Asaf, de dichter van Psalm 73, zuchten: "Ik ben de ganse dag geplaagd en mijn bestraffing is er alle morgens."

Maar toch was hij door de Here God niet vergeten, want de Heer sprak tot hem in Jeremia 15:20,21: "Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen, vaste muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen want Ik ben met u om u te behouden en om u uit te rukken, ja, Ik zal u verlossen uit de handpalmen der tirannen."

Bovendien schonk de Here God hem een trouwe vriend, en, wie het voorrecht heeft om trouwe vrienden te bezitten, die kan beseffen wat deze vriend voor de profeet heeft betekend.!

Zelfs de grote Zoon des mensen had in Zijn lijden nog de behoefte aan de steun van Zijn jongeren.

"Kunt gij niet één ure met Mij waken.?" zo vraagt Hij met droef verwijt aan hen die slapen wanneer Hij worstelt in de grootste zieleangst.

En zó kreeg Jeremia de grote troost, dat de Here God aan hem een vriend en medewerker schonk in de persoon van Baruch, wiens naam betekent: "Gezegende".

Wat zal de profeet dikwijls de Here God gedankt hebben voor het bezit van deze Gezegende des Heren.!

Jeremia moest, op bevel van de Here God, al zijn profetieën op schrijven en, daarvoor riep Jeremia de hulp in van Baruch, de zoon van Neria.

Deze Neria had nog een zoon, Seraja, die de profeet eveneens welgezind was; want, toen Seraja met de koning van Juda, Zedekia, naar Babel ging om daar aan de wereldheerser zijn onderdanigheid te gaan betuigen, toen gaf de profeet aan hem de woorden mee die de Geest, door Jeremia, tegen Babel had geprofeteerd. Jeremia 51:59.

Zoals we daar lezen, was Seraja een "vreedzaam vorst"

Wij zien hieruit dus, dat Baruch tot een aanzienlijke familie behoorde, en, dat zowel hij, als Seraja, uitzonderingen op de regel waren omdat zij, evenals Jeremia, de Here God liefhadden.

Deze Seraja moest de profetieën tegen Babel, in die stad voorlezen, en, ná de voorlezing moest hij het boek met een steen verzwaren en in de rivier de Frath, (de Eufraat),werpen als een teken dat de grote stad op dezelfde wijze spoorloos zou verdwijnen van het aardrijk.

Het voorlezen van deze vloekprofetieen was zeer zeker geen ongevaarlijk werk, en, wij zien dus dat de broeder van Baruch, ondanks zijn zachtmoedigheid, een ware geloofsheld was.

Zo zullen er zeer zeker nog wel meer trouwe Joden zijn geweest zodat Jeremia niet geheel alleen was; ook toen zullen er nog wel zeven duizend geweest zijn die de knieën niet voor de Baal gebogen hadden en zijn mond niet wilden kussen .

Jeremia dicteerde nu zijn profetieën en Baruch schreef ze op in de boekrol.

Daarna moesten ze door Baruch wanneer het volk op een uitgeschreven vastendag, waarom er gevast werd staat niet vermeld, in groten getale nar de Tempel kwam, aan hen worden voorgelezen.

De profeet hoopte dat zij, door het aanhoren van het voorgelezene, zich nog zouden bekeren.

Zélf kon de profeet niet opgaan want hij was "opgehouden"; waardoor dat weten wij niet.

Baruch ging naar de Tempel en zocht daar een geschikte plaats buiten het gedrang van de menigte, van waaruit hij de grote menigte toch met zijn stem bereiken kon.

Hij koos daarvoor een Tempelvertrek, dat van Gemarja, de zoon van de Schrijver die wij kennen uit 2 Koningen.Dit vertrek was bij de nieuwe poort van de Tempel; Gemarja was niet aanwezig, maar wel zijn zoon Michaja.

Deze Michaja was zó geschokt door de woorden die hij hoorde, dat hij naar zijn vader Gemarja ging, die met de voornaamsten van het rijk in één van de vertrekken van het paleis van de koning Jojakim in vergadering bijeen was.

De vergaderde rijksgroten zonden toen Jehudi naar Baruch met het verzoek om ook voor hen te komen voorlezen.

Baruch voldeed aan dit verzoek en, de toehoorders waren zeer ontsteld over de strenge woorden die de Heer door de mond van de profeet gesproken had.

Zij wilden deze woorden niet stilhouden voor de koning en, omdat zij wel begrepen dat de koning woedend zou worden, gaven zij aan Jeremia en Baruch de raad om zich in een veilige schuilplaats terug te trekken.

De rijksgroten lieten nu de rol in de kamer van Elisama de Schrijver liggen, en deelden de hoofdinhoud hiervan aan de koning mede.

De koning die kwaad geworden was, wilde nu zelf de rol zien en stuurde Jehudi weg om hem te halen en daaruit voor te lezen.

Nadat de koning enkele verzen gehoord had barstte hij uit in woede en wilde de rol stuksnijden en in het vuur van de brandende vuurhaard werpen.

Enige van de aanwezige vorsten verhinderden dit en raadden de koning aan, om de rol niet te verbranden; de koning luisterde echter niet maar nam een schrijversmes, sneed de rol aan reepjes en wierp ze in het vuur.

Tegelijkertijd gaf hij het bevel om Jeremia en Baruch gevangen te nemen; maar, de Heer zorgde ervoor dat de schuilplaats van die beiden niet ontdekt werd.

En hier, veilig voor de aanslagen van de koning, werd, op bevel van de Here God, een andere rol genomen en de verbrande woorden werden opnieuw opgeschreven, met nog vele andere die in de eerste rol niet waren opgenomen, erbij.

Tevens kondigde de Heer het oordeel aan, dat de goddeloze Jojakim zou treffen, zie geheel Jeremia 36.

Wij weten, hoe na de wegvoering van de voornaamste inwoners van Jeruzalem, nadat de stad en de Tempel verwoest waren, Jeremia achterbleef en door de landvoogd van Babel, Gedalja, beschermd werd.

Toen deze Gedalja door een aantal samenzweerders, onder leiding van een zekere Ismaël, vermoord werd, was men bevreesd voor de toorn van de koning van Babel.

Jeremia sprak, in de Naam des Heren, dat men rustig moest blijven want dat de Here God alles ten goede zou leiden; men luisterde echter niet en vluchtte naar Egypte.

Volgens Hoofdstuk 43:6, werden Jeremia en Baruch meegesleept.

Aldaar, in Tachpanhes, profeteerde Jeremia, tegen de mening van de vluchtelingen in, en, men beweert dat hij, evenals de trouwe Baruch, door de ontevreden vluchtelingen zou zijn vermoord.

Het boek Jeremia is een zeer belangwekkend boek, en, de historische delen ervan laten zich zeer aangenaam lezen.

Wel merken wij op, wat voor een zware strijd mannen als Jeremia en Baruch gestreden moeten hebben; want, wij begrijpen heel goed, dat lang niet alles wat deze trouwe dienaren ondervonden hebben, is opgetekend.

Daarom vinden wij het dan ook niet vreemd, dat Baruch zich kon uiten in woorden zoals wij die vinden opgetekend in Hoofdstuk 45:3: "Wee mij, want de Heer heeft droefenis tot mijn smart toegedaan; ik ben moede van mijn zuchten en vind geen rust."

En, wat voor troost ontving hij nu.?

De Heer sprak tot hem: "Zie, wat Ik gebouwd heb, dat breek Ik af en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land. EN ZOUDT GIJ U GROTE DINGEN ZOEKEN.? "

Welk een geweldige woorden, de Here God had Zijn volk gebouwd en zal het vernietigen om hunne zonden. Hij had Israel geplant als een edele wijnstok en Hij zou hem uitroeien omdat hij geen edele, maar stinkende druiven had voortgebracht.

Het gehele land zou verwoest worden; en, nú vraagt de Heer aan de trouwe Baruch: "Waar nu zulke vreselijke dingen staan te gebeuren, zult gij, Baruch, dan nog denken aan een goed en rustig leven voor uzelf.? Dat moet toch geheel wegvallen waar de gehele wereld onder Mijn oordeel zal komen.?"

Wanneer wij nu de volgende Hoofdstukken van Jeremia lezen, dan vinden wij daar de oordelen over: Egypte, (46); de Filistijnen, (47); Moab, (48); Ammon, (49:16); Edom, (49:7-22); Damaskus, (49:23-27); de Arabische stammen, (49:28-33); Elam, (49:34-39); en het vreselijke lot van Babel, (50+51).

Tegenover zulke oordelen moet eigen lot niet in aanmerking komen.

De Heer geeft aan Baruch alleen déze belofte: "Zoek deze grote dingen niet, want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de Here, maar Ik zal u uwe ziel tot een buit geven in alle plaatsen waar gij zult henentrekken."

Dus, geen rustig leven behouden, maar een leven, met alle daaraan verbonden bezwaren.

Wij vinden in dit Oud-Testamentische verhaal een illustratie van het geweldige woord des Heren: "Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewonne en hij leed schade aan zijn ziel.? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel.?

Voorwaar, ernstige tijden vragen ernstige mensen die een vaste overtuiging bezitten en daarvoor alles willen opofferen, die zelfs hun leven willen verliezen om het voor eeuwig te behouden.

 

MARAN-ATHA,

de Heer komt.!