deel 2
Wij zien in Hazaël, de koning van Syrië, de type van de Anti-Christ.
Hij, Hazaël, was het die Gilead heeft gedorst, en wij zien dat bloedige spoor over de aardbodem lopen, van het Palestijnse Gilead, via Golgotha, naar de arena's van Nero en vandaar over de schavotten van de Spaanse Inquisitie naar de gesloopte kerken en de gefuseleerde christenen in vele landen van Europa, waaronder Rusland.
Van de Anti-christ hebben wij niets anders te verwachten, want hij zal de Getuigen, uit Openbaring 11, doden en hun lichamen onbegraven op de straten der stad laten liggen, de stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar óók onzen Heer gekruisigd is.
De Here God zal echter recht doen aan Zijn uitverkorenen, want de Here Jezus Christus zál komen en de volkeren vertreden in Zijn toorn. Openbaring 19:11-21; Jesaja 63:1-6.
De Heer zal hen, die de tong uitsteken tegen de Hemel en die spotten met God en Zijn dienst, terugwerpen.
De mensen hebben de wereld ingericht tot een "Huis der Vreugde", maar Gods vuur zal ze werpen in het "Zondedal" waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt; in de buitenste duisternis, waar de satan, de anti-christ, met zijn engelen een plaats heeft.
De kinderen Gods echter worden getroost, terwijl de anderen smarten lijden; het bloed van Hem, die stierf op Golgotha voor de zonde der wereld; van Hem, de Gefolterde door Gilead, zal een balsem uit Gilead zijn voor de gewonde zielen.
Ná Syrië zijn de Filistijnen aan de beurt, want, "Alzo zegt de Heere: om drie overtredingen van Gaza en om vier, zal Ik dat niet afwenden omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om het aan Edom over te leveren." Amos 1:6-8.
Vele malen gebeurde het dat de roofbenden uit het Filistijnse Gaza, invallen deden in het aangrenzende Juda en dan werden weerloze dorpen overvallen.
Mannen en vrouwen en kinderen werden dan weggerukt uit hun huizen en als slaven weggevoerd naar Gaza.
In Gaza was een slavenmarkt waar de Edomieten, de kinderen van Ezau, de kleinkinderen van Izaäk, de opkopers waren.
Volgens Amos 1:9 was er óók in Tyrus een slavenmarkt.
Volgens Joël 3:6 werden de slaven vér over de zeeën weggevoerd onder andere naar de Grieken.
Deze slaven werden dus, gedreven door de zweep van de slavendrijvers, weggescheurd van hun familie, van hun land, van de dienst aan God, om nooit terug te keren.
De Heer heeft het aangezien, en, op Zíjn tijd zal Hij recht doen want de Here God heeft Zélf de doodstraf gesteld op het stelen of verkopen van één enkel mens. Exodus 21:16.
En daárom is dan ook des Heren Woord tegen Tyrus: "Alzó zegt de Heere: om drie overtredingen van Tyrus en vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom en niet gedacht hebben aan het verbond der broederen." Amos 1:9.
In Joël 3:4-6, sprak de Heer: "Gij Tyrus en Sidon en alle grenzen van Palestina, hebt dan met Mij te doen. Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven.? Maar, zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastiglijk zal Ik uwe vergelding op uw hoofd wederbrengen omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodieën in uwe tempelen gebracht, en gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken opdat zij ze verre van hun landpale mochten brengen."
Tyrus had niet meer gedacht aan het verbond der broederen.
Hierbij moeten wij denken aan het verbond dat koning Salomo met Hiram, de koning van Tyrus, gesloten had.
In dit verbond kwamen allerlei handelsbepalingen voor, zoals heden nog steeds onder zakenlieden het gebruik is.
Het betrof in het bijzonder de levering van hout voor de bouw van de Tempel van Salomo.
In deze overeenkomst zal wellicht óók een bepaling voorgekomen zijn over de "slavenhandel".
Dit verbond was schijnbaar nog steeds van kracht, maar werd door de Tyriërs verbroken; om déze schending van dat contract brult de Heer nu als een leeuw; en zal dáárom Zijn vuur zenden en zowel Tyrus' als Gaza's paleizen verteren.
Wanneer de Here God de heidense Syriër, die Gods wet niet kent, aldus veroordeelt omdat hij een handelscontract schend, zal Hij dan de christen voorbijgaan, die de wet wél weet, en tóch met contracten maar doet als met vodjes papier.?
Wij slaan slecht een blik naar Europa; nieuwe regeringen zijn opgestaan en deze regeringen verscheuren de verdragen die door de vórige regeringen gemaakt zijn; schuldbekentenissen worden als niets geacht; en, betreffende het huwelijk is de ontrouw ten hemel schreiend.
Vanwaar deze geruïneerde zaken.? Vanwaar deze failliete boedels.?
De mens is al snel geneigd om zichzelf te verschonen en om aan de algemene toestand de schuld te geven, maar de Heer zegt: "Omdat gij aan geen overeenkomst, aan uw plicht niet gedacht hebt, dáárom zal Ik een vuur zenden, dat uw burchten zal verteren.!"
Zijn wij nu verwondert over de as van de verteerde burchten.?
De Here God houdt nauwkeurig controle, en, hoeveel te meer komt het er dan niet op aan dat wij Gods geboden en inzettingen bewaren.? zie Maleachi 3:7-9.
De Here God schippert niet want er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht.
De broedervolkeren van Israël hadden Israël zeer dikwijls geweld aangedaan, ondanks het feit, dat zij wisten dat de Here God het altijd voor Zijn volk opnam.
Izaäk had tegen Ezau gezegd, nádat hij Jacob gezegend had: "Ook zal hij gezegend wezen."
Ezau haatte zijn broeder Jacob om die zegen en nam zich voor om Jacob te doden. Genesis 27:33,41.
Naar de aard van de vader, handelden ook steeds de nakomelingen, want de Edomieten koesterden een onverzoenlijke haat tegen Israël.
Op broederlijke wijze had Mozes aan de Edomieten gevraagd of hij, door hún land, naar Kanaän mocht trekken, Numeri 20:14ev, maar het antwoord der Edomieten was een vernieuwing van de oude vijandschap door aan Israël de doortocht te weigeren en een groot leger op de been te brengen om tegen Gods vol te gaan strijden.
Uit Richteren 11:17, blijkt, dat Mozes tegelijk met de boden aan de Edomieten, óók boden tot de Moabieten gezonden heeft, die eveneens weigerden.
Vele eeuwen later sprak de Here Jezus nóg over deze handelwijze en sprak toen het oordeel over Edom uit in Amos 1:11,12: "Alzo zegt de Here: om drie overtredingen van Edom en om vier, zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broeder met het zwaard heeft vervolgd en zijn barmhartigheid verdorven, zijn gevoel van verwantschap gesmoord, en dat zijn toorn eeuwiglijk verscheurt, en hij zijn verbolgenheid altoos behoudt. Dáarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren."
Van de broeder-volken is Edom het eerste volk waarover het oordeel gaat.
Geen wonder, want het is reeds tweemaal genoemd: in het oordeel over de Filistijnen én in het oordeel over Tyrus in verband met de slavenhandel, want, Edom nam graag de buitgemaakte Israëlieten in ontvangst om ze te verkopen aan de Grieken.
Zou de Heer hierover dan niet toornen.?
Zacharia sprak in Hoofdstuk 2:8: "Die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan."
Al de heidenen die de handen hebben opgestoken tegen Israël om het te beroven, hebben dat ondervonden, en óók Edom zal niet onschuldig gehouden worden over deze onmenselijke daad.
Tóch valt zélfs de slavenhandel wég bij de zonde der onverzoenlijkheid, de nijd en de wraakgierigheid.
Jacob kon in de zonde vallen, maar er niet in leven.
Welk een worsteling heeft Jacob gehad, vóórdat hij zijn broeder Ezau kon ontmoeten; maar Ezau kon zijn gramschap en toornigheid wél altoos bewaren, want de tranen die door Ezau werden vergoten, waren geen tranen van oprecht berouw.
Toen hij, met 400 mannen, zijn broeder Jacob tegemoet kwam, was hij zeer zéker van plan om zich te wreken, maar de Here God veranderde zijn hart zodat hij aan Jacob geen leed berokkende.
Oók de profeet Ezechiël, sprak in Ezechiël 25:12 van de karakterzonden van Ezau, met de volgende woorden: "Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben."
De Themanieten woonden in het Westen van Edom en waren beroemd om hun wijsheid.
Volgens Job 2:11, was ook Elifaz een Themaniet.
De wijsheid van deze lieden ging toch niet zó ver, dat zij aan de Edomieten konden leren dat de liefde de overtreding bedekt, en, dáárom zou de Heer de wijsheid uit Edom en het verstand uit Ezau's gebergte, doen vergaan, zoals Obadja in vers 8 zegt.
De vijandschap van Edom tegen Israël, was in wezen de vijandschap van het slangenzaad tegen het vrouwenzaad. Genesis 3:15.
De haat van de Edomieten openbaarde zich in het vermoorden van het voorgeslacht van de Here Jezus, en te trachten om dezen uit te roeien.
De satan vond in dit broeder-volk van Israël een gewillige handlanger om zijn snode plannen uit te voeren, want, was niet de koning Herodes een Idumeër, dat wil zeggen, afkomstig uit Edom, een afstammeling van Ezau.?
De kindermoord van Herodes te Bethlehem is het resultaat van de eeuwige haat van zijn Edomietische voorouders tegen het volk van Israël, het volk des Heren.
Oók in onzen tijd spreekt het oordeel over Edom nog tot ons; en wij worden bang te moede wanneer wij de waarheid van deze profetieën uit Amos ontdekken en begrijpen.
Er is nóg altijd een haat en een vijandschap, namelijk: de vijandschap tussen het zaad der slang en het zaad der vrouw.
Sinds de Heer op Golgotha stierf is dit niet minder, maar eerder erger geworden, want de satan weet nú, dat zijn tijd nog maar zeer kort is en daarom probeert hij, als het enigszins kan, om de kinderen Gods te verleiden.
De verdeeldheid onder de christenbroeders is zeer groot, ja, zelfs staan zij vijandig tegenover elkaar.
Ook nu, in onzen tijd, wordt het gevoel van verwantschap gesmoord; de toorn die eeuwig verscheurd en de gramschap die voor altijd bewaart blijft, wordt onderhouden en gekoesterd, en, dit alles niettegenstaande het bloed van het Lam, dat voor ons aller zonden gevloeid heeft.
De Here God strafte de goddeloze volkeren door vuur te zenden dat hun paleizen verteerde.
Toorn is een vuur; de volkeren zijn toornig geworden en Gods toorn/vuur is gekomen over de koninkrijken der aarde. Openbaring 11:18.
Het onzalige vuur van de onderlinge twisten, is ontstoken en is ontbrand onder de christenvolkeren en zal uitlopen op het onuitblusselijke helse vuur; want in het hart van de hedendaagse Edomiet broeit nog altijd de haat, en deze haat zal duren tot aan de verschijning van de Grote Koning Jezus Christus.
Rondom ons zien wij het ene paleis na het andere verteren; de vorsten zijn weggejaagd en de anti-christ bouwt zijn paleizen van haat en vijandschap tot ook deze door het vuur Gods zullen ondergaan.
De satan onderdrukt, met het geweld van het zwaard, allen die zich tegen hem durven verzetten.
Het is met de Ammonieten al niet veel anders.
Ook aan hen worden hun karakterzonden verweten in Amos 1:13-15: "Alzó zegt de Heere: om drie overtredingen der kinderen Ammons en om vier, zal Ik dat niet afwenden; omdat zij zwangere vrouwen van Gilead hebben opgesneden om hunne landpalen te verwijden. Dáárom zal, Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal zijn paleizen verteren, met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds; en hun Koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijne vorsten tesamen, zegt de Heere."
Ammon was de zoon van de jongste dochter van Lot. En, híj, die zijn grootvader zou moeten zijn, was echter zijn vader.De zonde besmet haar omgeving en benevelt de bedrijver.
Lot heeft heel lang temidden van de bewoners van Sodom gewoond; de wellust van deze bewoners had hen tot een grote ontaarding gebracht.
Ná de ondergang van Sodom en de straf die werd voltrokken over de vrouw van Lot werkte de zonde van Sodom nog lang door in de dochters van Lot.
Lot zélf was de vader van de kinderen van zijn dochters, en, deze kinderen waren dus bevlekt met bloedschande en dronkenschap. Wij kennen allen wel de geschiedenis die zich afspeelde in de donkere spelonk te Zoas. Genesis 19:30ev.
Er is niemand die straffeloos in de buurt van de zonde kan vertoeven; en, óók op het gezin van Lot heeft de omgeving waarin zij hadden vertoeft, haar stempel gedrukt, want alle schaamte was bij deze, eens eerzame dochters, verdwenen.
De zonde der ouders treedt soms op een nóg afschuwelijker wijze naar voren; althans bij de kinderen Ammons, want dezen vergrepen zich met een wrede wellust,aan zwangere vrouwen om die open te snijden.
De Ammonieten bedreven deze zonde om: "hun landpalen te verwijden", want "landhonger" had hen gedreven om een gedeelte van Gilead te bezetten.
Ten tijde van Jehu, koning van Israël, nam Hazaël de koning van Syrië, het gehele Over-Jordaanse land in en onderdrukte het volk op een geweldige wijze. Koningen 10:32,33.
Hierdoor werd het Rijk der 10-stammen zeer diep vernederd, en, deze gelegenheid namen de Ammonieten, de erfvijanden van Israël, waar, om zich meester te maken van het zeer vruchtbare Gilead onder het plegen van ongehoorde wreedheden want er mochten geen nazaten overblijven die later hun recht zouden kunnen laten gelden op hun vaderlijke erfenis.
Het was dus machtswellust waarin de gruwelijkste en gemeenste middelen werden uitgevonden om de vijanden radicaal te vernietigen.
Oók hier is het wéér de Satan, de mensenmoordenaar van de beginne, die de aanvoerder van de Ammonieten was bij dit gruwelijke bedrijf.
Wij kennen zeer goed Satans doel: tot élke prijs de geboorte van het vrouwenzaad verhinderen.!
Wanneer hij dat kán verhinderen, dan zal hij zijn landpale uitbreiden, dat wil zeggen, eeuwig bestaan, máár, wanneer dat vrouwenzaad wél komt, dán weet hij dat het einde van zijn macht aanstaande is.
Het is de satan er steeds om te doen geweest om Israël uit te roeien en hij gebruikte daarvoor ook de Egyptische Farao, door op gezag van de Farao de pasgeboren jongens te laten verdrinken.
Hij beïnvloedde de heidenen die voortdurend Israël beoorlogen, of door hun afgoden het volk van Israël verleidde waardoor de toorn Gods over hen kwam en Hij soms duizenden strafte met de dood.
Hij,---satan---, vond in Haman een dienaar die gewillig was om geheel Israël uit te roeien, wat door de Here verhindert werd.
Wij noemden hier voren reeds Herodes, de Edomiet, die door de kindermoord te Bethlehem getracht heeft om het Kind Jezus te doden.
Zó gebruikte de duivel óok de Ammonieten om door deze gruweldaad hun wellust op te wekken en zó de geboorte van de Messias te voorkomen.
Gilead was het slagveld van de Syrische oorlogen, en, daar hebben de Ammonieten hun voordeel mee gedaan.
Tot in onze tijd aan toe, zet de anti-christ de strijd tegen Gods volk voort want de Kerk van het Nieuwe Verbond is voortdurend door satan vervolgd en bezocht geweest.
Wél hebben de heidenen daar hun aandeel in gehad, maar tóch heeft de Kerk het meest te lijden gehad van de "broederen", de Joden, én de medechristenen.!
Vanaf het aardse tot aan het hemelse paradijs duurt de strijd; sinds de éérste broedermoord tot aan onzen tijd aan toe, is de felste strijd gestreden onder broeders.
In de eindtijd gaat het om het kind dat de vrouw, bekleed met de zon, baarde. Openbaring 12.
Wat wij daar lezen, is de telkens wederkerend strijd tegen het koninklijke zaad.
De Here God heeft het zaad altijd bewaard en Hij zál het bewaren, al is het dan ook dat de Here Jezus sprak in Lukas 18:8: "Doch de Zoon des mensen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde.?"
Het Apostolisch-Profetisch Getuigenis, is de zoon uit de vrouw geboren, en, dat Getuigenis heeft véél strijd moeten en nóg moeten doormaken, want strijd en afval tekenen onzen tijd.
De Heer sprak in Mattheus 24:22 : "En, zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden."
De vijand, de satan, jubelt over zoveel verval en afval, maar plotseling zal hij zien dat de Bruidsgemeente zal worden opgenomen in de Hemel en dat het kind der vrouw weggerukt zal worden tot de Here God en Zijnen troon.
Het zaad der vrouw, Jezus Christus, is en zál Overwinnaar zijn.!
De moord op het ongeboren kind is in onze dagen niet vreemd want de beschaafde!!! mens van onzen tijd noemt dit geen moord, maar een daad van verstandig ouderschap.
De werkloosheid is een machtig wapen in de handen van het barbarisme want men kan nauwelijks voor zichzelf zorgen en dús moet men de geboorte voorkómen.
Bovendien speelt de bandeloosheid in ons moderne leven een zeer grote rol; want onder andere: vele ongehuwden leven in de huwelijkse staat, enz.
Onze beschaving is er wél op vooruitgegaan sedert de dagen van de Ammonieten.!
Wij bidden: "Leid ons niet in verzoeking", maar, laten wij er voorál over waken dat wij onszelf niet in verzoeking brengen.!
Laten wij voorzichtig zijn, want niemand verkeert straffeloos in de buurt der zonde; zetten wij onze voeten éénmaal op een hellend vlak, dan glijden wij steeds verder.
In geestelijken zin worden er in onze tijd vele moorden gepleegd, want velen, die goed begonnen zijn, hebben het werk des Heren verijdeld door hun zonden.
Op deze wijze wordt het eeuwige leven dat ín hen was, gesmoord.
In Rabba's muur werd het vuur ontstoken. Rabba betekent: grote stad. In onze tijd heet de stad geen Rabba, maar Amman.
Dit vuur trok door tot in de paleizen van de koning en de koning ging zélf de gevangenis in.
Dit is een beeld van de gerichten Gods die over de aarde, in het bijzonder over het Christelijk Europa, komen zullen.
Nóg brult de leeuw tegen de afval en de zonde in des Heren Kerk, maar, het vuur van de Heiligen Geest, tot loutering en heiliging aan haar gegeven, heeft zij verworpen.
Nú zal het onheilig vuur, de bittere toorn van de volkeren, haar burchten verteren.
Over het Christelijk Babylon zullen Gods oordelen komen, gelijk een onweder ten dage des wervelwinds.