Het volk dacht echter niet aan de ondergang en vreesde geen verderf.
Volgens Amos 1:1, profeteerde Amos tijdens de regering van Uzzia, de koning van Juda, en van Jerobeam II, de koning van Israël.
Uzzia regeerde van 782-740; en Jerobeam van 785-745 vóór Christus.
Als tijdsbepaling wordt er gezegd: "twee jaren vóór de aardbeving".
Van die aardbeving wordt verder niets meer gezegd, dan alleen in Zacharia 14:5, echter, dáár is het alleen een aanhaling, waardoor dit voor ons een bewijs is dat deze aardbeving werkelijk heeft plaatsgevonden.
Een gevonden Assyrische tekst, vermeldt een zonsverduistering, en, daar spreekt óók Amos 8:9 van.
De hedendaagse astronomen hebben nauwkeurig kunnen berekenen, dat deze zons- verduistering op 15 juni, 763 vóór Christus, in de dagen dus van Uzzia en Jerobeam, inderdaad heeft plaatsgevonden.
Deze aardbeving was de voorbode van het gericht Gods dat door Amos was angekondigd.!
De profetieën van de profeet Amos, zijn in hoofdzaak aankondigingen van strafgerichten, speciaal tegen het Rijk der Tien stammen in verband met de kalverendienst.
De tijd van Amos was een weelderige tijd; de gouden eeuw, ten tijde van Salomo, was schijnbaar weer teruggekeerd; er waren geen burgerlijke twisten meer, maar binnenlandse vrede.
De Syriërs, die Israël veel kwaad hadden berokkend, waren verslagen en het was in deze blinkende welvaart een lust om te leven.
Er werden goede zaken gedaan en veel geld verdient, zodat er velen waren die zelfs een zomerhuis en een winterhuis bezaten, Amos 3:15, zelfs het meubilair werd verrijkt met elpenbenen rustbedden. Amos 6:4.
De slaven van eertijds waren nú bezitters geworden: Psalm 68:6b, berijmd: "Al laagt g'o Israël, als weleer, gebukt bij tichelstenen neer, toen gij uw juk moest dragen en zwart waart door uw dienstbaarheid, u is een béter lot bereid, uw heilzon is aan't dagen."
Het land werd echter verteerd door de hebzucht; de Hoogtijdagen, de Feestdagen, de Sabbatten en de ceremonieën werden wel met grote stiptheid gehouden, doch men hunkerde naar het uur dat de sabbat weer voorbij gegaan was om dan de werken der duisternis weer te kunnen vervolgen. Amos 8:4-6.
Men nam met geweld de offers weg van de boeren. Amos 5:11.
Men ging gebukt onder de rechtsverkrachting en de zonde der afgoderij nam schrikbarend toe onder het mom van de dienst aan Jehova.
De zonden van de eerste Jerobeam, waarvan wij telkens kunnen lezen: "die Israël zondigen deed", kregen onder de tweede Jerobeam haar voleinding.
De steden Dan, Bethel en Gilgal waren de heiligdommen van de kalverendienst geworden.
In de eerste plaats wordt ons in Amos 1:1 verteld, wíe Amos nu eigenlijk wel was, namelijk een veeherder.
Hetzelfde woord "veeherder" wordt in 2 Koningen 3:4, vertaald met "veehandelaar", en, daar wordt tevens gezegd, dat Mesa, de koning der Moabieten, ook veehandelaar was.
Wij mogen hieruit dus wel afleiden dat de profeet Amos zijn vee óók verhandelde op de veemarkt in Samaria; hij weidde zijn vee in de woestijn van Judea, niet ver van Bethlehem.
In hoofdstuk 7:14 zegt hij, dat hij óók kweker was van wilde vijgen, (d.i. een soort moerbeivijgen).
De profetieën van Amos houden dan ook verband met zijn natuurlijke leven, want, het gaat met profeten als met muziekinstrumenten: élk instrument heeft zijn eigen geluid.
Dat wil zeggen, dat de profeten door Gods Geest worden gedreven om te spreken, maar uit de woorden kan men dan hun persoon onderscheiden.
Hun geloof, hun karakter en hun levenservaring wordt dan door de Heer gebruikt.
De Geest des Heren, die de Bijbelschrijvers inspireerde, heeft altijd gebruik gemaakt van de aanwezige menselijke begaafdheid of ook wel de onbegaafdheid.
Zó ging dat óók met de profeten, want, zéér sterk vinden wij in de profetieën van Amos zijn karakter en zijn dagelijkse leven tot openbaring komen; het menselijke van Amos is aan zijn profetieën niet vreemd.
Zijn woorden beginnen met:
"De Here zal brullen uit Sion en zijn stem verheffen uit Jeruzalem." Amos 1:2.
En, in Amos 3:8 klinkt het:
"De leeuw heeft gebruld, wie zoude niet vrezen.? De Heere Heere heeft gesproken, wie zoude niet profeteren.?".
Amos sidderde voor de stem des Heren, evenals hij zo vaak had gesidderd wanneer hij, als hij zijn vee in de woestijn weidde, het gebrul van de leeuw hoorde klinken.
Dat Amos dus op deze wijze sprak, dat hield dus nauw verband met zijn natuurlijke leven.
Wanneer wij op onze grote veemarkten het verschil van het kleine magere vee van een boer van de schrale zandgrond vergelijken met het zware en weldoorvoede vee van een Hollandse boer, dan zal, op de Palestijnse veemarkten het vee van de woestijnherder ook wel geheel verschillend zijn geweest van het vee dat had gegraasd op de vette landouwen van Israël.
Hiervoren vermeldden wij reeds dat Amos zijn vee in de woestijn van Judea weidde.
De welgestelde cultuurdames van het weelderige Samaria werden door Amos, in hoofdstuk 4:1, genoemd: "koeien van Basan".
Deze hoogbeschaafde dames zullen, toen zij deze woorden van Amos hoorden, hem zeer zeker voor een onbeschaafde boer gehouden hebben.
Wij echter staan verbaasd, wanneer wij bedenken dat de Here God deze boer, deze veehoeder, deze vijgenplanter, in Zijn dienst neemt en hem niet eerst naar een Hogeschool zendt om hem beschaving bij te brengen, maar hem gebruikt als Zijn instrument, zoals hij is.
De profeet Amos trad in zijn tijd als een Getuige op, en, zijn profetieën hebben ons, in deze tijd, ook wat te zeggen.
Het Apostolisch-Profetisch Getuigenis heeft ongeveer honderddertig jaren geleden over de aarde geklonken en is verkondigd geworden aan de Hoofden van Kerken en Staten.
In die tijd was er ook een schijnbare geestelijke welvaart, want het geestelijke Israël genoot als nooit tevoren.
De Kerk was in verschillende landen Staatskerk en het Protestantisme was geheel vrij van Rome.
Er was vrijheid van Godsdienst.
Maar nú.?
Wel, er is veel verandert, maar, voor de cultuur-christenen is het nóg een gouden tijd, want steeds doemen er weer nieuwe geesten op en sterke stromingen trekken door de christenheid.
In vele landen zetten de christenen de bakens naar het getij; beginselen worden verloochend, en blind en verblind drijft men mee op de stroom.
Honderddertig jaren geleden verkondigden de Apostelen des Heren dat de Heer der Kerk, Zijn Kerk wederom had bezocht en zij riepen de mensheid op om zich te bekeren vóordat de gerichten over de aarde zouden komen.
Hieronder laten wij een gedeelte volgen uit het Manifest van de Apostolische Kerk: (Het Testimonium)
"De machten in de Kerk en Staat snellen een vreselijke crisis tegemoet. Velen vleien zich ijdel met de hoop om die te kunnen bedwingen of te leiden. Maar de macht van hen, die tegen God opstaan, neemt toe. Velen zien in, en geven toe, dat een vreselijke storm over Europa zal varen, maar vertrouwen, dat die van voorbijgaande aard zal zijn en zelve haar giftige stoffen met zich zal medeslepen. Maar zij weten niet, dat de tijd van het einde is gekomen en daarmede het gericht over allen, die Hem en Zijn wegen vergeten hebben. Bedriegt u niet, kerk des levenden Gods, en gedoopte volken.! Het zal geen overtrekkende wolk zijn, geen voorbijgaand kwaad waaruit gij ongedeerd tevoorschijn zult komen. Alle lijden der vroegere tijden zal hier niet bij in aanmerking komen. Maar er zal redding zijn voor hen, die op de oude paden terugkeren. Daarom bezweren wij u allen, om onze boodschap aan te horen en in te zien, dat God Zijn volk weder opzoekt. Daartoe moeten wij u het kwaad, waarin de Christenheid ligt, en het nog veel verschrikkelijker kwaad dat haar dreigt, openbaren."
En, tot de Vorsten en de Overheden wendt zich dit Manifest met de woorden: "En gij, vorsten en regenten!, aan u wil God Zijn trouw bewijzen, en uwe volken van de zondvloed der goddeloosheid verlossen, wanneer gij uw plichten jegens Hem erkennen, en Hem in Zijn Kerk zoeken wilt. Maar deze verlossing zal geen herstelling van uw aardse macht en heerlijkheid zijn. Reeds klinken de laatste tonen van het grafgeluid dezer wereld. De alleen overblijvende hoop is, wat altijd de hoop der Kerk geweest is, om weggerukt te worden in de wolken, de Heer tegemoet in de lucht, en zó bij de Heer te zijn, altijd, verlost van de grote verzoeking en van de grote noden die over de aarde komen zullen.Maar, zult gij naar ons horen.? God weet het."
De woorden van de profeet Amos waren als het onderaardse gerommel dat aan een aardbeving voorafgaat.
Evenzo waren óók de woorden van de Apostelen in het "Manifest", echter, in zulke roemruchte dagen zoals nu de cultuurchristenen beleven, past het gerommel van een aardbeving niet.
Het onweert toch niet bij een heldere hemel.?
De Apostolischen zijn altijd pessimisten want zij zien de toekomst van het Christendom altijd even somber in; het zijn mensen, die niet met hun tijd meegaan want zij zijn onverbeterlijk conservatief.
Bovendien zijn zij ongeschoold in de Theologie en onder hun leidslieden zijn vele handwerkslieden; en, dit wil voor de hedendaagse christenheid zeggen dat de leidslieden van de Apostolische Kerk leraren zijn van de laagste orde.
Echter, het Heeft de Here God behaagt, om juist déze mannen in Zijn dienst te nemen en om hun gehele persoon en karakter en arbeid zodanig te gebruiken dat zij de wijzen dezer wereld beschamen.
De Laodicese geest van onzen tijd bewijst wel een zeer sterke overeenkomst te hebben met de geest van het Israël in de tijd van Amos.
De woorden uit Openbaring 3:17, spreken dit wel zeer duidelijk uit: "Want gij zegt: ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt."
In de inleiding van "Het Godsplan", schrijft Mr.Is.Capadose onder meer:"Aandoenlijk is het om een kranke te zien die zich gezond waant, en dientengevolge voor raadgevingen doof, de geneesmiddelen, die zijn kwaal nog zouden kunnen stuiten, als onnodig verwerpende. Is niet de Christelijke Kerk met een zodanig kranke te vergelijken.? Nóg schrikkelijker dan het inwendig voortvretende verderf, is haar inbeelding van ongeschokte en niet te schokken gezondheid."
Dáárom klinkt het heden tot het geestelijke Israël, evenals het woord bij monde van de profeet Amos tot het natuurlijke Israël: "De leeuw heeft gebruld, wie zoude niet vrezen.? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zoude niet profeteren.?"
Vanuit Sion verheft de Here God Zijn stem, gelijk als een leeuw brult.
De stem des Heren wordt op meerdere plaatsen in de Heilige Schrift met de donder vergeleken.
De overeenkomst tussen de donder en het gebrul van de leeuw, ligt in de onheilsprofetiën van Amos onmiddellijk voor de hand.
Een dreigend onweer; bliksemstralen aan de horizon; donder die in de verte rommelt maar steeds sterker wordt; en dan eindelijk de volle losbarsting, zó is de schildering van het gericht dat wij vinden opgetekend in Amos 1:3 tot en met Amos 2:16.
Het onweer Gods komt op; Zijn bliksemen verlichten de wereld, en, slaan dan in.
Het allereerst worden de paleizen van Damaskus, de hoofdstad der Syriërs, de erfvijanden van Israël, getroffen.
Daarná de Filistijnen, dán de Feniciërs, dán de Edomieten, en dán de Ammonieten en de Moabieten.
Máár, het onweer zou niet alleen de heidenen treffen, maar het zou óók komen over Juda en Israël.
In deze reeks van oordelen is een zeer duidelijke opeenvolging, want eerst worden de volken van vreemde stam bedreigd: Damaskus, Gaza, Tyrus.
Maar dán komen de volken van aanverwante stam, de bloedverwanten van Israël, aan de beurt: de kinderen van Ezau en Lot: Edom, Ammon, Moab.
Pas daarná volgen Jeruzalem en Samaria.
Elk gedeelte begint met dezelfde inleiding: "Alzo zegt de Heere: om drie, ja om vier overtredingen van....zal Ik het niet afwenden."
Vele zonden zouden er te noemen zijn, maar één gruweldaad was echter de doodstaf al waard.!
Dáárom wordt er maar één sprekend geval genoemd: "dáárom", en dán volgt het vonnis: "Ik zal een vuur zenden in...."
De mens is altijd geneigd om, bij een dreigend onheil, te denken: "het zal wel voorbijgaan, het zal misschien nog wel meevallen", doch, vóórdat de Heer de oordelen uitspreekt, klinkt het telkens: "Ik zal het niet afwenden.".
Wij denken ons in: Amos staande op de straten van Samaria en sprekende dát, wat hem door de Here God was opgedragen.
(Opmerkelijk is, dat de heidense volken, tot wien de profeet het eerste spreekt, deze woorden niet hoorden).
Amos roept het volk toe: "De Heer zal brullen uit Sion en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem, en de woningen der herders zullen treuren en de hoogte van Karmel zal verdorren."
Niet meteen drong alles, wat Amos tegen het volk zei, tot hen door, maar Amos ging dóór met profeteren; en, dáárom spitste het volk de oren om te horen wat de God van Sion te zeggen had.
Amos verkondigde de oordelen en gerichten over de heidenen die van oudsher de vijanden waren van de Here God; en, dát vestonden en begrepen zijn toehoorders want éindelijk zou de Here God zich wreken over díe volken die Hem van oudsher hadden bestreden en Hem kwaad hadden gedaan.
Toen wilde het volk van Israël graag erkennen dat God Jehova tóch een Rechtvaardige Rechter en dat deze profeet Amos een échte Godsgezant was.
Alles wat Amos over de heidenen profeteerde, was tenvolle verdiend, zo beaamde Israël; en, zij konden niet krachtig genoeg hun instemming betuigen met deze woorden Gods; máár dán júist keert diezelfde hooggeprezen Godsgezant zich tegen henzélf met nog véél zwaarder aanklachten en een nog véél dreigender vonnis.!
Al loopt deze "onheilsprofetie" ook op het "bondsvolk" uit, tóch worden de heidenen niet overgeslagen want Gods wraak zal ook hén treffen.
En, de oordelen die de heidenen troffen, waren het gevolg van hun vergrijp aan Gods volk.!
Jesaja 49:15:
"Kan ook een vrouw hare zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon hare schoot.? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik u toch niet vergeten."
Met welk een moederlijke liefde neemt de Here God het voor Zíjn volk op; echter, Hij spaart Zijn volk niet en Hij verdraagt hun zonden niet; maar, wat Hij nóg minder verdraagt, is, dat de heidenen hun schennende handen uitsteken naar Zijn volk.
Dán brult Hij als een leeuwin die van haar jongen beroofd is.
Al is het dan ook, dat Gilead een stad is van werkers der ongerechtigheid en betreden van bloed, Hosea 6:8, dit gaf toch aan Damaskus géén recht om dit Gilead te vertrappen.
Damaskus immers, had Gilead met ijzeren dorschwagens gedorst, (1:3), en, bijzonder wreed was dit misdrijf tegen Godsvolk, want, de mensen van Gilead werden als stro op de grond gelegd en zware dorssleden, voorzien van messen, gingen over hen heen. Een vreselijke barbaarsheid.!
Het volk van Israël daarentegen had de Syriërs altijd goed behandeld, want, in 1 Koningen 20:31-23, kunnen wij zelfs lezen dat de Syriërs heel goed wisten dat de koningen van Israël goedertieren koningen waren.
Eens, toen het gehele vijandige leger van de Syriërs in de macht van Israëls koning was, werden zij niet gedood maar werd voor hen een grote maaltijd bereid. 2 Koningen 6:23.
Sinds de dagen van Elia en Elisa, woedde de vijandschap van Syrië tegen Israël, want, toen Elisa Hazaël voor het eerst ontmoette, toen weende deze Godsman, omdat hij wist wat voor kwaad deze aan de Israëlieten zou doen. 2 Koningen 8:12.
En, in 2 Koningen 13:7 staat geschreven dat de koning van Syrië het volk van Israël ten gronde zou richten en "hen fijn stampte als stof".
Hazael heeft de inwoners van Gilead, doordat hij ze dorste met ijzeren dorssleden, op een vreselijke wijze omgebracht.
Toen Amos optrad, was dit alles in Damaskus reeds vergeten, echter de Here God vergeet niet, want er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht, en voor de kwade zondaar haalt hij het vergeten kwaad uit het grijs verleden tevoorschijn.
Het oordeel over Damaskus is onherroepelijk: "Dáárom zal Ik een vuur in Hazëls huis zenden, dat zal Benhadads paleizen verteren; en Ik zal de grendel van Damaskus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeath-Aven, en dien de scepter houdt, uit Beth-Eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt de Heere." Amos 1:4,5.
Bikeath-Aven betekent: zondedal, en Beth-Eden betekent: Huis der Vreugde.
Geen van deze twee plaatsen is/of zijn bekend, maar het vermoeden ligt voor de hand, dat deze beide figuurlijke namen, namen zijn voor één en dezélfde stad: Damaskus, omdat Damaskus om haar schoonheid en weelde het en om haar ongerechtigheid het "Zondedal" genoemd werd.
De Syriërs zijn gevankelijk weggevoerd naar Kir, dat zeer waarschijnlijk het Ur de Chaldeeën is, want volgens Amos 9:7 waren de Syriërs afkomstig uit Kir.
Abraham werd door de Here God vanuit UR naar Palestina gevoerd, en Laban, de schoonvader van Jacob, woonde nog in het land van waaruit Abraham getogen was.
Deze Laban wordt in Genesis 28:5 een Syriër genoemd, en, de Syriërs zijn eens door de Here God uit Ur gevoerd. Amos 9:7.
Het vervolg van deze korte bijbelstudie vindt men in:
Amos, de profeet van Tekoa, deel 2