IMMANUEL,
(Jesaja 7:1-16)
"Ziet een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten."
Zo luidt de belofte in Jesaja 7, en het is ons duidelijk, dat hier gesproken word van de beloofde Verlosser. Trouwens, bij de vervulling van de belofte wordt naar deze profetie verwezen. Aan de vele namen, waarmee Hij, in voorgaande tijden reeds werd aangeduid, wordt hier een nieuwe naam toegevoegd.
IMMANUEL zal Hij heten. Straks zal het ons blijken, waarom Hem deze naam hier wordt gegeven.
Het was voor het oude Juda wel een zeer duistere tijd, toen Jesaja deze profetie uitsprak. Door vijandige invallen had het grote verliezen geleden. Vele jonge mannen waren in de strijd gevallen, en verschillende eigendommen waren verwoest of beschadigd.
En terwijl het land aan deze gapende wonden, nog aan alle zijden bloedde, kwamen onheilsboodschappers nieuwe onheilen aankondigen.
Ze wisten met zekerheid mede te delen, dat de koning van Israël, en de koning van Syrië met elkander een verbond hadden gesloten, om Juda te overmeesteren, de koning met zijn gehele huis om te brengen, en een zoon van Tabeël tot koning over Juda te stellen.
Het Syrische lager was reeds in Efraïm gelegerd. Van daaruit zouden beiden optrekken naar Jeruzalem. Dat was wat!
Algemene verslagenheid in geheel Juda van de koning af, tot de geringste onder het volk. In vers 2 van ons hoofdstuk lezen we: "Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syrieërs rusten op Efraïm; zo bewoog zich zijn hart, en het hart Mijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van de wind."
Hiermee wordt ons duidelijk, de gemoedstoestand zowel van de koning als van het volk getekend. Het volk was met angst vervuld, en de koning achtte zich verloren: "Hun harten," zegt de tekst, "bewogen zich gelijk de bomen bewogen worden van de wind."
Ach, waren zij eikenbomen der gerechtigheid geweest, dan zouden zij door deze storm niet zo geweldig geschud zijn geworden.
Maar het oude Juda stond niet meer in de gerechtigheid des Heren. Koning Achaz was wel rechtstreeks een afstammeling van het huis van David, maar hij wandelde niet in de wegen Davids. Hij was goddeloos, en het leek er op, dat hij de slechtste koning van Israël nog in goddeloosheid wilde overtreffen.
Allerlei afgoderijen van de Kanaänieten voerde hij in, en hij bestond het zelfs, om één zijner zonen te offeren ter ere van Moloch!
Achaz betekent: bezitter. En werkelijk, hij bezat nog veel. Want Juda had zijn tempel, zijn eredienst en de door God gestelde priesters met de hogepriester, het koningschap van het huis Davids en het profetische woord.
Zeer zeker was Achaz dus nog een bezitter.
Helaas, Achaz hechtte hoegenaamd geen waarde aan dat bezit. Het ontbrak hem totaal aan geloof, en de dienst des Heren was hem geheel vreemd geworden. Vandaar zijn vrezen en beven, en het zoeken van hulp bij mensen, nu hij in deze grote nood gekomen was. Hij was wel koning in Juda, maar geen ware Judaïet of Godlover.
In plaats van een Godlover was hij eerder een mensenlover.
Want in zijn benarde toestand wendt hij zich tot de machtige koning van Assyrië met het verzoek om hem te komen helpen. (2 Kon.16:7-9)
En deze zou hem nu komen helpen tegen zijn verbonden vijand.
Vervuld met hoop en vrees, verbleef hij nu dagelijks urenlang op een bepaalde plaats te Jeruzalem, van waar hij een goed gezicht had over de omtrek. Het was bij de waterleiding van de hoogste vijver aan de hoge weg van het veld des vollers. Met de hand beschermend boven de ogen, tuurde hij geregeld scherp de gehele gezichtseinder af, of hij al enige beweging van de vijand in de verte kon bespeuren.
Ziehier, een zoon uit het huis Davids in nood verkerend, het oog uitsluitend gericht op de hulp van mensen. Hoe anders handelde David als hij in nood gekomen was.
Dan was God zijn toevlucht en Sterkte en, hulp in benauwdheid.
In menige psalm, worden deze hulp en uitkomst door hem bezongen en wordt God geprezen. Van zulk een geloof bespeuren we niets bij Achaz.
En toch, ondanks dit ongeloof en deze ontrouw, zien wij ook hier weer de lankmoedigheid en nederbuigende goedheid Gods. Want als Achaz weer op de reeds genoemde plaats verblijft, ontvangt Jesaja, de profeet Gods, van de Hem de opdracht, om zich tot de koning te begeven.
De Heer zegt tot Zijn knecht: “ga nu uit Achaz tegemoet, gij en uw zoon Schear Jaschub, aan het einde van de watergang des opperste vijvers, aan de hoge weg van het veld des vollers, en spreek tot hem."
Jesaja moet van de Heer naar de koning gaan, maar niet alleen, want zijn zoon moet hem vergezellen.De Heer heeft dit uitdrukkelijk gezegd.
Dit doet ons vreemd aan. Want wat heeft die zoon nu eigenlijk met deze opdracht van zijn vader te maken?
Als wij wat verder lezen, dan wordt ons dit wel duidelijk. Want in hoofdstuk 8:18 lezen we, dat Jesaja zegt: "Ziet ik en de kinderen, die mij de Here gegeven heeft, zijn tot tekenen en wonderen in Israël van de Here der heerscharen. Die op de berg Zions woont."
De Heer stelde dus Zijn knecht Jesaja met zijn kinderen tot zichtbare tekenen Gods temidden van het ongelovige en afvallig volk.
We vinden in de hoofdstukken 7 en 8 enkele kinderen genoemd. In 7:3 lazen we reeds van Schear-Jaschub, en in het 14e vers van ditzelfde hoofdstuk wordt gesproken van het kind Immanuël.
In 8:3 wordt melding gemaakt van de geboorte van een kind, dat op last des Heren zal heten Maher-SchalalChasbas. Het valt ons direct op, dat bij het noemen van deze kinderen de nadruk gelegd wordt op de naam, die zij hebben of zullen verkrijgen.
En inderdaad, het gaat hier geheel om de betekenis van de namen.
Immers de naam zegt het wezen.
Als hier Jesaja en de kinderen door God als wondertekenen gesteld worden, dan hebben wij dit te zien in de betekenis van hun namen. Als dus op bevel Gods Jesaja zijn zoon moet meenemen naar Achaz; dan moet dit voor Achaz reeds een wonderteken van God zijn.
Achaz kende immers de betekenis van de namen van beiden.
Jesaja betekent: Heil van Jehova, en Schear-Jaschub wil zeggen: het overblijfsel zal behouden worden.
De komst van deze twee, tot hem in de benauwdheid, moest voor Achaz reeds een hoopvolle prediking Gods zijn. De inhoud daarvan was: “Hoe benard ook de toestand is, het overblijfsel zal behouden worden, want Jehova zal u Zijn heil doen zien”.
Jesaja had reeds eerder over dat overblijfsel geprofeteerd.
In Jes.1:7-9 lezen we: "Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als, een omkering door de vreemden. En de dochter Sions is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad. Zo niet de Here der heerscharen ons een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden."
Deze steden waren eertijds door hun verregaande goddeloosheid onder het oordeel Gods vernietigd geworden. Hetzelfde oordeel zou ook het oude Juda getroffen hebben, indien God daarin nog niet een getrouw overblijfsel had gevonden.
En, hoewel dit wel zeer klein was, nochtans was daardoor de gouden draad niet verbroken geworden. God de Here had Zich een overblijfsel gelaten, omdat Hij gedacht Zijn verbond, en opdat Hij Zijn gedachten des vredes straks in al haar volheid aan de mens zou kunnen mededelen.
Nu treedt God nader tot Achaz en spreekt bij monde van Jesaja: “Wacht u, en zijt gerust; vrees niet, en uw hart worde niet week vanwege al hetgeen uw vijanden zijn voornemens te doen: HET ZAL NIET BESTAAN EN HET ZAL NIET GESCHIEDEN!”.
Zal dit woord des Heren, Achaz en zijn volk, tot gerustheid brengen?
Zullen zij nu hun hoop en betrouwen op God stellen, Die zo nederbuigend goed hun bescherming en verlossing aanzegt?
Maar deze afgodendienaars hebben immers geheel geen geloof in de almachtige God?
Heeft Achaz hiervan niet genoeg blijk gegeven door het goud en zilver uit de tempel te snijden, en hiermee de koning van Assyrië te bewegen, om hem te komen helpen?.
Hoe hoopvol hier het woord Gods door Jesaja tot hem klinkt, alleen de zichtbare menselijke hulp heeft slechts waarde voor hem.
God beweegt hem door Zijn woord in deze hachelijke toestand, zich volkomen in geloof aan God toe te vertrouwen.
Hij stelt dit als voorwaarde sterk in het licht, door Zijn woord te besluiten met de verzekering: "Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden."
Hoe duidelijk komt hier weer naar voren, wat God van de mens verlangt.
Dat is geloof. Geloof in God. In Zijn almacht, in Zijn waarheid, in Zijn Vaderlijke goedheid, in Zijn zorgende liefde. In de twijfel en ongeloof hieraan is reeds het eerste mensenpaar gestruikeld. Door Zijn verzekering van hulp en bescherming beweegt Hij Achaz, om zich volkomen over te geven aan de zorgende almacht en te geloven in Diens goede bedoelingen.
Achaz is verhard door zijn jarenlange afgodendienst. Zich zo maar aan God over te geven in enkel geloof en vertrouwen, dat kan en wil hij niet. Het ongeloof heeft alleen vertrouwen in hetgeen zicht- en tastbaar is. En zelfs in dat ongeloof komt God hem tegemoet.
Want, nu zegt Hij tot hem: "Eis een teken van de Here, uw God, eis beneden in de diepte, of boven uit de hoogte."
Een zichtbaar bewijs wil God hem geven. De Heer schudt hem als het ware geheel in zijn ongeloof uit. Een teken kan hij vragen; een zichtbaar teken, waaraan hij de waarachtigheid van Gods woord kan onderkennen.
En dan niet zó maar een teken, neen, maar tot het schier onbereikbare voor een mens. Hetzij een teken beneden in de diepte of wel boven uit de hoogte, God zal het geven.
Maar, Achas blijft de aangeboden hand Gods weigeren. Aan zijn eenmaal gevolgde politiek wil hij niets veranderen. Met een huichelachtig, schijnvroom antwoord, maakt hij zich van de zaak of met het gezegde: "Ik zal het niet eisen, en ik zal de Heer niet verzoeken”.
Wij bewonderen hier de lankmoedigheid Gods tegenover zoveel wederstreven van de mens. Maar God gedacht aan Zijn heilig verbond. (Luk.1:72)
Want de ontrouw van mensen doet Gods trouw niet te niet.
Dit komt duidelijk naar voren in hetgeen God, thans tot Achaz zegt: “Hoort gijlieden nu, gij huis van David; is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt? Daarom zal de Heer Zelf ulieden een teken gevent ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baron en Zijn naam IMMANUEL heten."
0, wonderbare trouw en liefde Gods, tegenover zoveel ontrouw en goddeloosheid!
Wilt gij geen teken?, Welnu, ziehier het teken, dat God u geeft, Het teken, dat God hier geeft, is de hernieuwde belofte van de komende Verlosser. Hij wordt hier genoemd met een naam, nog niet genoemd, onbekend .... IMMANUEL.
Hier, in deze hachelijke toestand waarin alles verloren schijnt, stelt God tot teken: IMMANUEL, welke naam betekent: GOD MET ONS!
Maar, kwam dan deze Immanuël in die dagen, om Juda van zijn vijanden te verlossen?
Neen, dat niet, Maar waarin was de aanzegging van Zijn geboorte voor het huis Davids een teken van God?
Had God niet eenmaal gesproken, dat uit het huis Davids de
grote Koning en Verlosser zou voortkomen? (1 Kron. 17: 11-14),
Waar de Heer nu Zijn belofte herhaalde, moest dit voor Achaz tot teken en waarborg zijn, dat het plan van de vijand niet in vervulling kon gaan. Deze had immers het voornemen om het huis Davids om te brengen, en een andere koning te stellen?
En hiermee zou ook de belofte Gods, tot David gesproken, vernietigd zijn.
Maar de Here zeide tot David: "Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden”.
De Heer herhaalt hier Zijn belofte, en betekenisvol noemt Hij dit zaad: "IMMANUEL, God met ons”.
Schijnt alles verloren? Vreest niet, God is Met u!
Wij staan reeds eeuwen achter de belofte en haar vervulling. Maar als wij de bemoeienis Gods met de mens in deze geschiedenis lezen, dan kunnen wij ons nog meer verdiepen in de grootheid van het geschenk, dat wij ontvangen in deze IMMANUEL.
In de toestand van Achaz en zijn volk zien wij een weerspiegeling van het in schuld verloren mensengeslacht. Geen hulp van mensen, maar Godzelf zal hen redden.
Godzelf zal daartoe een teken geven. Het is een teken uit de hoogte en uit de diepte.
De IMMANUEL is dat teken. Wat die hoogte is, dat schrijft Johannes in Joh.1: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God."
Verstaat gij deze hoogte? Immers hoger is er niet!
En, wat de diepte is, schrijft Paulus in Rom.3:23: “Wij hebben allen gezondigd, en derven de Heerlijkheid Gods”.
Verstaat gij deze diepte? Immers dieper (ellendiger) is er niet!
Van dat teken uit de hoogte zegt Johannes: "En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond”.
Dit is het teken van Gods liefde, genade en barmhartigheid, aan de zondige mensheid gegeven.
Het Woord Gods- (Jezus Christus)-, daalt uit de hoogste hoogte neer, in de diepste diepte, het zondige stof, ja, daalt neer in de benedenste delen der aarde.
IMMANUEL, God met ons, verbindt de hemel met de aarde, en de aarde met de hemel.
Er ruist langs de wolken een lieflijke naam; Die hemel en aarde verenigt tesaam.
Dat is de Naam Jezus, onze Zaligmaker, onze IMMANUEL.
Want in en door Jezus Christus is God met ons. sdj.