DE BLLJDE WEG NAAR BETHLEHEM.
Elk jaar worden wij bij vernieuwing bepaald bij de geboorte van onze gezegende Heer Jezus Christus. Helaas is in deze wereld bij velen dit feest niet meer een herdenken aan hetgeen in de velden van Bethlehem Efratha is geschied.
Het korte woord "Kerst", afgeleid van "kerstfeest" of "Christusfeest", wordt in deze onze tijd door de menigte voor alle gelegenheden gebruikt.
Men spreekt van: Kerstdiner, kerstvoorstellingen, kerstgeschenken, enz. Maar genoeg hierover.
We weten wel, dat de wereld ons bekrompen Christenen noemt, die in dat Oude boek, de Bijbel, geloven, waarin beschreven is, hetgeen op de weg naar Bethlehem, en in de velden van Efratha is aanschouwd.
Maar dit verhindert ons niet om in kinderlijk vertrouwen te midden van deze duistere wereld, ons te verlustigen in de heilsboodschap, welke God ons door de engelen heeft verkondigd.
En te meer, daar in het 0.T., en wel in Micha 5:1, ons de plaats wordt vermeld, waar deze Koning, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid, zou worden geboren.
Het is de profeet Daniël, die door de koning Nebucadnezar tot een overste der overheden over al de wijzen van Babel was gesteld (Dan.2:48), en in Dan.9:25 de tijd van deze Messias en Vorst ons aangeeft, en wel doordat de engel Gabriël, door God gezonden, hem dit te kennen geeft.
Dit in aanmerking nemende, is het aannemelijk, dat de wijzen uit het oosten, als sterrenkundigen, niet alleen door de bijzondere ster, welke zij ontdekten, maar ook uit de openbaring, welke Daniël ontving, ongeveer de tijd konden bepalen, wanneer de geboorte van deze Koning kon plaats vinden, want deze openbaringen zullen bij velen in Babel wel bekend zijn geworden.
Deze wijzen richtten hun schreden naar Jeruzalem, menende dat Israëls Koning daar zou zijn geboren. Het blijkt echter uit hetgeen Mattheüs in zijn Evangelie schrijft, dat zij de plaats niet wisten, vandaar de vraag te Jeruzalem: "Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien Zijn ster in het oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden."
De koning Herodes, dit gehoord hebbende, wordt ontroerd, ja zelfs geheel Jeruzalem.
Hij vergadert de overpriesters en schriftgeleerden, en vraagt hen, waar de Christus zou geboren worden. Welk een huichelachtige belangstelling, die ook blijkt uit zijn moordplannen, welke deze heerser later ook ten uitvoer brengt.
De overpriesters en de schriftgeleerden, bekend met de boekrollen der profeten, deze geschriften onderzocht hebbende, vinden de schriftuurplaats in Micha 5, waar geschreven staat: "En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid."
Deze wijzen uit het heidense land waren opmerkzamer geweest, en hadden meer gelet op hetgeen God aan Daniël had geopenbaard, dan de leiders van Israël.
De wijzen gaan naar Bethlehem, de plaats, welke door de profeet Micha is genoemd, en zij gaan deze weg met blijdschap, "met grote vreugde".
Bij de plaats gekomen, vinden zij het Koningskind, liggende in een voederkrib.
Niets weerhoudt hen, bij het zien van deze armoede, bij het aanschouwen van dit kleine en onaanzienlijke, om als mannen der wetenschap, zich te verloochenen, en af te dalen van hun hoge plaats, en neer te knielen bij dit Kind.
Daar aanschouwen zij de wens aller
heidenen, daar aanbidden zij Hem, Die het recht de heidenen zou voortbrengen. (Hag.2:8; Jes.42:1)
Uit de geschenken blijkt, dat zij tot de aanzienlijken behoren, maar met een nederig hart.
Het verlangen dat koning Herodes aan hen kenbaar heeft gemaakt, wordt door hen niet ten uitvoer gebracht, daar zij, door Goddelijke openbaring vermaand zijnde, langs een andere weg naar hun land terugkeren. Deze heidenen hebben de Goddelijke liefde mogen ondervinden en zijn met vrede in het hart huiswaarts gegaan.
Welk een contrast met de overpriesters! Zij die zo juist de plaats konden aanwijzen uit hetgeen geschreven staat, zij staan daar, en bleven staan als dode handwijzers, maar zelf vonden zij de weg naar Bethlehem niet. Neen!
Door hun hoogmoed word hun blik verduisterd; zij waren vervuld met minachting als zulke wijzen in eigen oog.
Deze minachting blijkt uit de woorden van de Heiland Zelve, als Hij te Nazareth in de Synagoge is, en de schare, verwonderd over zijn woorden, tot elkander zeggen: "Is deze niet de Zoon van Jozef?"
Daarop is het antwoord van de Heer: “Voorwaar, Ik, zeg u,
dat geen profeet is aangenaam in zijn vaderland.!”. (Luk.4:16-24)
Deze minachting scheen bij Israël spreekwoordelijk te zijn, vandaar de vraag van een Nathanaël: "Kan uit Nazareth iets goeds zijn?"
En Herodes? Hij huichelt, want de schoonschijnende belangstelling, en het Kind te willen aanbidden is louter eerzucht.
Ook hij vindt de weg naar Bethlehem niet; deze weg te gaan wordt hem zelfs verhinderd door Gods almacht. Deze Herodes, hoe sluw ook, verzuimd boden of Verspieders met de wijzen mee te zenden, door welk verzuim hij zijn wrede plan niet ten uitvoer kan brengen.
Zo zien wij dat God dit plan verijdelt, door deze vos met blindheid te slaan.
Niet aan hoogmoedigen maar aan nederigen schenkt God Zijn liefde; die wijst Hij de weg naar Bethlehem.
Aan zonen van het oude volk, aan eenvoudige herders openbaart Hij Zich, in een alles verlichtende gloed; verkondigt Hij door de engel de blijde mare en wijst hun de weg; "de blijde weg naar Bethlehem die zij in gehoorzaamheid zijn gegaan.
Daar zien hun ogen al hetgeen de engel tot hun gesproken heeft; daar wordt hun hart vervuld met vrede, want ook in hen heeft God een welbehagen; daar verkondigen zij aan allen hetgeen zij hebben aanschouwd en gehoord.
Hoe zal de weg naar Bethlehem voor Jozef en Maria zijn geweest?
Wij mogen aannemen enerzijds vol zorg, anderzijds vervuld met vrede; want deze weg was vol zorg, gepaard gaande met teleurstelling.
Geen plaats voor hen in de herberg; dit Koningskind ontvangt geen purper en geen kroon, een voederkrib is Zijn troon en een stal Zijn woning!
Maar trots dit alles, mochten deze eenvoudigen smaken, dat God hen in al de armoede, die zij hadden, grotelijks heeft verblijd, en wel door de Goddelijke openbaringen.
Zowel het woord van de engel aan Maria betreffende de geboorte; de droom, welke Jozef ontving, om te vluchten naar Egypte, als het getuigenis van de herders.
De woorden van Maria: "Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw woord”, getuigen van een diep geloofsvertrouwen.
Maria en Jozef, de eenvoudige herders, en de grote wijzen, zij mogen in menigerlei opzicht van elkaar verschillen, maar één ding hadden zij gemeen: zij geloofden.
Hetzij dat God door de voorzegging van de profeten sprak; hen voorlichtte door een ster of wel bij monde van een engel, zij gehoorzaamden, zij aanbaden.
Het einde van deze blijde weg naar Bethlehem is nederknielen; dit nederknielen betekent ook 'bidden, stil zijn voor God, in eerbied, deemoed, ootmoed.
Min ziel is immers stil voor God, van Hem wacht ik een heilrijk lot; ja heil verwacht ik van Hem, dit Kind van Bethlehem.
Nederknielen is ook danken, God danken voor Zijn liefde in het zenden van dit Kind, als God geopenbaard in het vlees.
"Want buiten alle twijfel, de verborgenheid der Godzaligheid is groot, God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt order de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.”. (1 Tim-3:16)
Nederknielen, wil zeggen: schuld belijden, en als gebondene niets vermogen; schuld belijden voor Hem, Die de weg ging van de krib naar het kruis.
Nederknielen betekent: geloven en aanvaarden al hetgeen ons van dit Kind is verkondigd. Hem als de Vredevorst erkennen, en als Koning aller koningen te verwachten, Wiens Koninkrijk niet verstoord zal worden.
Nederknielen is gehoorzamen aan Zijn wetten, en geboden, en de last, die Hij ons oplegt willig dragen.
God lof! wij mogen nederknielen met een onrein hart en een blik slaan op dit Kind; wij mogen ons zondig hart toevertrouwen aan Hem, Die dat hart veilig zal stellen, indien wij gehoorzamen.
Nederknielen voor Hem Die gesproken heeft: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."
De blijde weg naar Bethlehem, zo luidt het opschrift van dit artikel.
Kunnen ook wij in de geest ons aansluiten bij hen, die deze weg zijn gegaan en wier getuigenis in deze donkere tijden een lichtbaken is?.
Kunnen wij, hoe ook geplaatst in deze maatschappij, gelijk de wijzen, van ons hoog standpunt afdalen en nederknielen?
En in gehoorzaamheid, evenals de herders, de weg naar Bethlehem betreden?
Kunnen wij, met Maria, ondanks alle levensvragen, zeggen: “Mij geschiedde naar Uw woord”.
Zo ja, dan zal ook voor ons de weg naar Bethlehem, een weg zijn van blijdschap, die uitloopt op een volkomen vrede en ongestoorde heerlijkheid. SdJ.