DE STEEN

WAAROP GOD ZELF

ZIJN GRAVERINGEN GRAVEERT.

Wanneer wij Zacharias 3:8-10 en Zacharias 4:1-14 lezen, dan treft het ons op welk een wonderlijke wijze de Here God Zijn beproefde volk weet te troosten.

Vervuld met grote blijdschap waren de ruim 42000 Israëlieten Ezra 2:64 en Nehemia 7:66, uit de gevangenschap van Babel naar Jeruzalem getogen. Van die vreugde lezen wij ook in Psalm 126.

Zij waren blij omdat hun ballingschap teneinde was, temeer, omdat Gods trouw zo schitterend gebleken was.

Na 70 jaren zouden wij wederkeren, en, dat was dus 70 jaren nadat koning Jojachin door Nebukadnezar, met 10.000 gevangenen 2 Koningen 24:10-16 was weggevoerd naar Babel.

Nú had de Here God deze belofte, de belofte van hun terugkeer, vervuld, en de Vorst Kores had aan hen de vrijheid weergegeven.

De blijdschap van deze wederkerende Israëlieten werd echter getemperd toen zij in Jeruzalem kwamen.

Zij hadden zich wel enigszins een voorstelling kunnen maken wát zij daar zouden vinden, maar, wanneer men, zoals deze mensen blij is, dan ziet men de toekomst niet donker in en dan denkt men ook niet meteen aan allerlei bezwaren.

Zij vonden in Jeruzalem echter niets anders dan puinhopen; Jeruzalem, die majestueuze en koninklijke stad van voorheen, lag verwoest en de Tempel was verbrand.

Wij kunnen ons de teleurstelling van deze vermoeide mensen toen zij deze puinhopen zagen, zeer zeker wel indenken.

Zoals het wel vanzelf spreekt, moesten zij éérst voor zichzelf en hun vee voor een onderdak zorgen.

Twee en veertig duizend Israëlieten moesten een woning hebben en hun dagelijkse brood zoeken; bovendien moesten er ook nog stallen en weiden voor hun vee gevonden worden. De zorg voor al deze zaken was een eerste vereiste en, dat dit niet zó maar voor elkaar was, dat kunnen wij wel begrijpen.

Zij moesten ook de stad en de Tempel herbouwen, en, dat dit werk door de omstandigheden op de lange baan geschoven werd, is begrijpelijk.

Wanneer zij eindelijk ieder een plaats gevonden hadden en in hun steden woonden, bouwden zij het Altaar des Heren, waarschijnlijk temidden van de puinhopen, om daarop te brandofferen. Ezra 3:2.

Met welk een grote moeilijkheden als deze mensen te kampen hadden, dat verteld ons de geschiedenis van Ezra en Nehemia, want, het allereerste moesten zij, om opnieuw te gaan bouwen, de puinhopen opruimen.

Immers, zij moesten bouwen op het oude fundament.!!

Uit het geschrevene in Haggaď 1:4-11, blijkt ons, dat velen de arbeid aan het Huis des Heren in de steek hadden gelaten en aan hun eigen gewelfde huizen waren gaan bouwen.

Het volk werd door de profeten Zacharia en Haggaď vermaand en bemoedigd, zodat zij tóch, onder de leiding van Nehemia, gingen bouwen aan de Tempel.

Het volk werd door Zerubbabel, een nakomeling uit het huis van David, geregeerd, terwijl Jozua de Hogepriester was.

Uit Zacharia 3:9 leren wij, dat de eerste steen, ofwel de Hoofdsteen of gedenksteen was gelegd door Zerubbabel-4:9.

Toen sprak de Heer, en Hij beloofde de SPRUITE, dat is Christus, waarmede de Heer betuigde, dat dít Huis niet meer verwoest zou worden totdat deze Koning gekomen zou zijn.

Hiervan sprak ook de profeet Haggaď, die zei, dat de heerlijkheid van dit laatste Huis gróter zou worden dan van het eerste, en, wij weten, waaruit dit bestond, want in dit Huis is de Heer der Heerlijkheid door Jozef en Maria gebracht; die de Eerstgeborene in de Tempel brachten om Hem met twee tortelduiven te lossen.

Van deze Spruite profeteerde Jesaja in hoofdstuk 11:1 immers: "Want daar zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaď."

Al de wedergekeerden uit Babel waren wondertekenen, Zacharia 3:8, van Gods liefde tot Zijn volk, de Here God, die nooit verlaat de werken Zijner handen.

Welnu, zo waarachtig als de Here God Zijn beloften aan hen had vervuld, zo waarachtig zou Hij óók de beloofde Koning doen komen.

De steen, bedoeld in vers 9, is daarom het zinnebeeld van Christus' koninkrijk; en, dit komt weer overeen met de verklaring van Daniel, die de steen, welke zonder handen afgehouwen werd en die het gehele beeld uit de droom van Nebukadnezar vermaalde, verklaarde als te zijn het Koninkrijk dat de Here God zal verwekken, een koninkrijk, dat in der eeuwigheid niet verstoord zal worden. Daniël 2.

Op die steen, zo sprak de Heer in Zacharias 3:9, zullen zeven ogen wezen, het beeld van de zeven geesten Gods.

De Heer Zélf zal Zijn graveringen daarop graveren, dat wil zeggen, dat de Here God de wetten van het koninkrijk zal geven, en die wetten zullen GENADE zijn.

Wanneer de Here God de wereldrijken teniet zal doen, de wereldrijken die worden voorgesteld in de grote berg Zacharia 4:7, dán zal Hij de hoofdsteen voortbrengen, mét de inscriptie: "Genade, genade zij dezelve."

En, wat de wetten van dat koninkrijk aangaat, lees daarvoor eens Jesaja 2:2-4 en Jesaja 11:6-16.

Op meerdere plaatsen in de Heilige Schrift wordt hierover gesproken, en, dáárom sprak de profeet Zacharias: "Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heer der heirscharen."

Wij kunnen ons wel voorstellen dat, toen het volk eindelijk de stad en de Tempel herbouwd had, het ook de moed kreeg om een einde te maken aan het onderworpen zijn aan de wereldvorst, want, ondanks dat zij een eigen regering kregen, bleven zij toch een onderworpen volk.

Dit kunnen wij begrijpen, wanneer wij de bede die staat opgetekend in Psalm 126:4, en, die tussen de jubel door gebeden werd, lezen: "O, Here, wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het Zuiden."

Wij kunnen ons voorstellen, dat het hun, als Israëlitisch volk, dat zoveel voorrechten bóven de andere volkeren had ontvangen, de lust bekroop om met geweld het juk van de wereldvorst áf te werpen en al de heidenen uit het land der vaderen te verdrijven.

Máár: "neen", sprak de Heer, want: "niet door kracht noch door geweld, maar eindelijk zal het door Mijnen Geest geschieden."

Dit "eindelijk" is nog niet vervuld, maar tóch zal dit geschieden wanneer de Heer zal zijn wedergekomen en Israel weer naar zijn land zal trekken, naar hun Koning, die dan als Vredevorst zal regeren over al de koninkrijken der aarde.

Deze belofte mocht het volk in een Adventsstemming brengen, een adventsstemming waar de Kerk nog zeer veel troost in mag vinden.

De Heer Jezus kwam, maar niet om bezit te nemen van de troon van David, maar om, als het Lam Gods te lijden en te sterven en de wereld met God te verzoenen.

Als Koning geboren Lukas 1:32,33, was Zijn Koninkrijk niet van déze wereld Johannes 18:36, máár, wanneer ál de koninkrijken der wereld teniet zullen gaan, dán zal Zíjn Koninkrijk komen.

Dáárom bidt de Kerk voortdurend: "Uw Koninkrijk kome.!"

De Heer vraagt in Zacharias 4:10: "Want, wíe veracht de dag der kleinen dingen?, daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des Heren, die het ganse land doorlopen."

Het "tinnen gewicht", betekent het "paslood" en ziet op de steenlegging door Zerubbabel; dit was het begin van de bouw van de Tempel.

Het was maar een gering werk, maar tóch groot voor de toekomst.

Zó was óók de komst van de Grote wereldvorst Jezus Christus en Zijn verzoeningswerk, zéér gering en klein in de ogen der mensen, máár, het zal gróót zijn, zelfs zéér groot blijken te zijn.!

Er ligt een lange tijd tussen de komst van Christus in het vlees en Zijn wederkomst als Koning der Koningen.

De ogen des Heren, ofwel de zeven Geesten Gods, verblijden zich nochtans in die tussentijd van zeven tijden of tijdvakken, en, het oog van allen die door de Geest Gods verlicht zijn, ziet met verlangen uit naar de vervulling van de heerlijke beloften.

In verband met deze dingen zag Zacharias een gouden kandelaar en een oliekruikje daarboven, waarop zeven lampen en zeven pijpen. Zacharia 4:2,3; Zacharia 4:11-14.

Hierbij denken wij aan de zeven-armige kandelaar in de Tempel, die altijd brandende was voor het aangezicht des Heren.

Dit was het beeld van de Heiligen Geest, die altijd in de Kerk van Christus aanwezig zou zijn, wanneer althans de olijfbomen niet ontbraken.

De Gemeente in de aanvang was inderdaad een olijfboom; Jood én heiden mochten tot Christus komen en werden in de gemeente ingelijfd en vervuld met de Heiligen Geest.

Wij behoeven de kerkgeschiedenis maar na te gaan om, om te weten dat de olijfbomen, het Apostolisch Profetisch Getuigenis, opgehouden hebben te bestaan, tótdat wij daarvan weer lezen aan het eind van de Nieuw Testamentische bedeling in Openbaring 11:3-12.

Vele christenen willen dit niet aannemen, maar toch is de Heilige Schrift de waarheid en vindt de geschiedenis van Israel haar vervulling in de geschiedenis van de Kerk, het geestelijke Israel.

Inderdaad, indien wij, die verlangen naar het koninkrijk van Christus, niet eerst het puin van de vervallen kerk opruimen en de oude fundamenten bloot leggen om daarop opnieuw te bouwen, ons wijsmaken dat wij de Heer behagen, maar dat is volgens de Schrift onmogelijk.

De christenheid mag dan trachten om hier op aarde een soort koninkrijk Gods te stichten en te prediken dat het 1000-jarig Vrederijk er al is, maar sinds de kerk een Staatskerk is geworden zal zij straks beschaamd uitkomen.

Van vrede op aarde is er geen spraken.!

Is het Woord van God waarheid, dan zullen, wanneer Christus komt om Zijn Rijk te stichten, de olijfbomen aanwezig moeten zijn.

En, zij zijn er, maar zij zijn in het oog der wereld te klein, ook in het oog van de christelijke wereld.

Het Apostolisch Profetisch Getuigenis is als de Kandelaar, schijnende, maar zie, het is maar klein.

Allen, die hun verlossing zoeken in eigen, of in gemeenschappelijke kracht, zullen niet vermogen, maar tóch geldt voor hen no het woord: "Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden, spreekt de Heer der heirscharen."

Niet door mensen, gelijk de christenheid dat doet met haar christelijke staatspolitiek, maar God Zélf zal Zijn graveerselen graveren en Zijn Koninkrijk ordenen.

Dit is de Adventsprediking van onzen tijd, de tijd van het einde, dat de bede: "Uw Koninkrijk kome.!", spoedig in vervulling zal gaan.

Dit is de troost die door geen machten der wereld , noch door machten uit de duisternis, weggenomen kan worden.

Daarom: "Wacht op de Heer, godvruchte schaar, houdt moed."

Laat de wereld de grote dingen houden, maar letten wij op de kleine dingen waarin de Here God Zich openbaart, want de Heer heeft het paslood in Zijn hand.

MARAN-ATHA.!

DE HEER KOMT.!