Romeinen 9: 19-29.
WIE WAS LOT ?
Wat er geweest is, dat zal er zijn en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon.
Lot was een tijdgenoot van Abraham en hun namen worden ons genoemd in Genesis 11:27.
Het waren nakomelingen van Terah, uit het geslacht van Sem, omstreeks 2000 jaar vóór onze jaartelling.
Het staat er zo eenvoudig:
Dus bleven in het Noorden van Mesopotamië in de stad Haran drie mensen over, die afgezonderd waren van de heidenen.
Volgens de kaart waren de steden Ur en Haran twee steden waar de dienst van de maangod Sin overheersend was.
Wáarom Abraham en Lot in de richting van Kanaän wilden gaan, blijkt niet uit het verband; waarschijnlijk was het de bedoeling om nieuwe weidegronden te vinden voor hun vee.
Reeds in Genesis 3:15 staat: "En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw en tussen uw zaad en tussen haar zaad."
Hier is dus reeds een scheiding getrokken tussen het mensdom.
In Genesis 12:1, volgt het openlijke bevel: "Ga uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal".
Dat betekende voor de
Oosterling niet meer of minder dan dat hij moest breken met zijn
goden, omdat het machtsgebied der goden beperkt werd door de
grenzen van het land waar zij vereerd werden.
Doch, dán moest men van de bescherming van een ándere god
verzekerd zijn, want zónder goddelijke bescherming wilde en kon
de mens van het Oude Oosten niet leven.
De kring wordt steeds kleiner: het land,de maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal.
Vandaag zouden wij zeggen : Emigreren.
Hóe God hem dit aanwijzen zou, dát werd er niet bij gezegd. maar Abraham moest in gehoorzaamheid gaan en aannemen dat God zijn weg wel zou leiden naar de plaats waar hij terecht moest komen.
Wat er dan volgt, is dan ook heel wonderlijk: Ik zal u tot een groot volk maken.
Reeds in hoofdstuk 11:31 wordt gezegd: Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen
Voorwaar geen gunstig vooruitzicht. "Gij zult een zegen zijn"
Maar, wát zal dan een zegen zijn?
Dát moet Abraham echter maar afwachten. Wij mensen,die er achter staan kunnen dat weten; wij moeten het weten; Abraham echter niet, want die stond aan het begin.
Later, in Genesis 17 wordt gesproken van het Verbond, en hier zegt de Here God: aan uw nageslacht zal Ik dit land geven.
Dit is een belofte waarvoor zeer veel geloof van Abraham gevraagd werd.Het was een beloofd land; een vreemd land.
Abraham bouwde dus midden in Kanaaän een altaar en proclameert daarmede dat de grond voortaan aan zíjn God gewijd zou zijn.
Het was dezelfde plaats, waar de heidense Kanaaänieten hun goden vereerden; en dáár júist openbaart God Zich aan Abraham.
Er staat: en Abraham riep de naam des Heren aan.
We zouden kunnen zeggen, dat dit een vervolg is van Genesis 4:26, toen na de geboorte van Enos men de naam des Heren begon aan te roepen.
Abraham beoefende daar met al degenen die met hem een zélfde geloof hadden aangenomen, de eredienst aan God, Die aan hem verschenen was.
Door de hongersnood moest Abraham weer terug naar Egypte.
Hongersnood kon in Kanaän gemakkelijk optreden omdat de oogst aldaar afhankelijk was van de regenval.
Egypte daarentegen werd in de oude wereld genoemd:
Hij ging naar Egypte om daar als vreemdeling te verkeren.
Dat wil zeggen: Abraham bleef vreemd aan het Egyptische leven en de Egyptische godsdienst, maar genoot wél de rechten waarop een gast in het Oosten aanspraak kon maken, nml.: Farao deed Abraham wél om harentwil,zodat hij schapen, runderen,enz.ontving
(Al is de leugen nóg zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel!)
Op wonderlijke wijze wordt Saraï in de harem van de Farao bewaard; en de Heer sloeg echter de Farao met zware plagen.
De leugen van Abraham wreekt zich nu en Abraham wordt, mét zijn vrouw, en al zijn bezittingen over de grens gezet.
De kanttekening zegt hiervan: "Abraham kon op dit koninklijke verwijt niets ter verdediging terug zeggen.Des te meer treft het, dat de Farao hem zulk een eervolle behandeling ten deel doet vallen. Dat zal wellicht samenhangen met de positie van Abraham als herdersvorst en zijn afkomst als Aziaat."
Abraham en Lot, trokken met alles wat zij bezaten, weer het land Kanaän binnen en kwamen aan dezélfde plaats in het midden van Kanaän waar zij reeds eerder verblijf hadden gehouden.
Opvallend is hier echter, evenals in hoofdstuk 12:9, dat Bethel tegen het Westen en Ai tegen het Oosten ligt. Oost en West is de tegenstelling.
Van Kaïn staat er: hij ging wonen in het land Nod, ten Oosten van Eden
Volgens de kanttekening kan de ligging van het land Nod niet worden aangegeven.
Abraham echter trok naar het Zuiderland en bleef tussen Oost en West; een bepaalde keus had Abraham niet.
Lot werd voor de keus gesteld. Kanaän was te klein voor twee herdersvorsten, en er ontstond twist tussen de herders van Abrahams vee en de herders van Lots vee. (Er was toen nog geen prikkeldraad en wij lezen ook niets van sloten.)
De Kanaaänieten en de Ferizieten woonden in het Zuiderland waarvan zij de eigenaars waren, en Abraham en Lot vertoefden daar als vreemdelingen.
Abraham moest dus een voorstel doen en liet de beslissing over aan Lot.
Farao nam een beslissing als eigenaar van het land Egypte. hoofdstuk 12:20.
met dit woord doelt Abraham niet alleen op hun gemeenschappelijke afkomst, maar ook op hun gemeenschappelijk geestelijk bezit,omdat zij dezelfde God vereerden, Die aan Abraham verschenen was.
Deze scheiding wordt niet als ideaal voorgesteld, maar was door de omstandigheden noodzakelijk geworden.
Dat Abraham hierbij de keuze aan Lot overlaat, openbaart zijn grootheid van ziel; maar, tóch is het een betreurenswaardig feit in Abrahams, maar meer nog in Lots leven,omdat deze zich daarmede vervreemdt van de bezitter der Belofte en zich verwijdert van de Messiaanse lijn.
Het water was in het Oude Oosten een levensvoorwaarde van de eerste rang en dit gaf bij Lot de doorslag; een stoffelijke overweging dus.
Lot leefde bij de berekening; Abraham leefde door zijn geloof, dwz.:Abraham ging naar het land dat de Here hem wijzen zou en hij vertrok zónder te weten waar hij terecht komen zou. Genesis 13:14-18.
Lot heeft niet lang voordeel en plezier van zijn keuze gehad, want een aantal koningen beroofde hem van al zijn bezittingen.
Abraham woonde nog op dezelfde plaats van waar hij van Lot gescheiden was, bij de stad Hebron.
Toen kwam er een vluchteling en deze deelde aan Abraham mede dat Lot van al ziojn bezittingen beroofd was, en, hoewel Abraham een Hebreeer was, dus een vreemdeling, waren de inwoners van dat land toch zijn bondgenoten.
De herdersvorst blijkt tevens een goed generaal te zijn, want hij bracht Lot en zijn vrouw en al hun have en goed terug.
Uit Genesis 14:24 blijkt dat de bondgenoten Aner, Eskol en Mamre samen met Abraham gestreden hadden; en ook blijkt dat de koning van Sodom, Kedarlaomer, de leiding in de strijd heeft gehad en dus ook zijn aandeel van de buit wilde hebben.
De koning van Sodom zei tegen Abraham: "geef mij de mensen en behoud de have voor U."
Hij had liever slaven die voor hem konden werken, dan het bezit van grond, een dood bezit.
Nu komt Abraham de herdersvorst, vorstelijk naar voren en zegt tegen de koning van Sodom: "Ik zweer u bij de Here, bij God,de Allerhoogste, de Schepper van Hemel en aarde: Zelfs geen draad of schoenriem, ja, niets van het uwe zal ik nemen opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abraham rijk gemaakt.Geenszins, alleen wat de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen die met mij zijn geweest, Aner, Eskol en Mamré, laten die hun aandeel ontvangen".
Over dat aandeel wilde Abraham niet beslissen.
In Genesis 16 volgt een scheiding van een vérstrekkende betekenis, want Abraham nam een bijvrouw, genaamd Hagar. Deze zwangere vrouw vluchtte naar de woestijn alwaar de engel des Heren haar aantrof bij een waterbron en deze engel zeide tot Hagar: "Slavin van Saraï, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij?
Hagar antwoordde:"Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Saraï".
De engel zeide tot haar: "Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand; want, Ik zal uw geslacht talrijk maken zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. Zie gij zijt zwanger en zult een zoon baren en hem Ismaël noemen,want de Here heeft naar uw ellende gehoord; hij zal een wilde ezel van een mens zijn".
Job 39:8-11: "Zijn hand zal zijn tegen allen en de hand van allen tegen hem en hij zal ten aanschouwen van al zijn broeders wonen te midden van andere volkeren
Tóen noemde zij de Naam der Heren die tot haar gesproken had, en zei: "Gij zijt een God des aanziens, want, zeide zij, heb ik ook hier omgezien naar Hem, Die naar mij ziet?"
De kanttekening zegt hiervan: Neen, dat had Hagar inderdaad niet, want de verschijning van God was haar op het onverwachts ten deel gevallen. Sommigen willen de Hebreeuwse tekst verbeteren en die aldus lezen: God heb ik gezien en ben daarna in leven gebleven. Dán zou Hagar haar verbazing hebben uitgesproken dat zij na deze verschijning van God nog leefde.!
De Schrift geeft er geen verklaring van hóe Lot de Here God zag en kon verstaan; de Schrift verklaart zichzelf.
In Jesaja 46:10, zegt God: "Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.
Jesaja 44:6: "Zo zegt de Here, de Koning en Verlosser van Israél, de Here der heirscharen, Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste en buiten Mij is er geen God; er is geen God buiten Mij."
De engel des Heren trof Hagar aan bij een put in de woestijn Sur, alwaar Hagar God heeft gezien, en dáárom noemt men die put Lachai roi, deze put is tussen Kades en Bered, de plaats waar de Israëlieten lang in de woestijn hebben vertoefd.
Bij Kades murmureerde Israël tegen Mozes omdat er geen water was. Daarop hief Mozes zijn hand op en sloeg zijn staf tweemaal op de rots en er kwam veel water uit zodat de vergadering kon drinken,alsmede het vee.
Dit had voor Mozes tot gevolg dat de Here tot hem zei: "Däárom zult gij Mijn volk niet brengen in het land dat Ik hun gaf."
Kades betekent: Heiligdom; een naam die deze plaats in onzen tijd nog steeds draagt.
Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten met de Here twistten en Hij Zich onder hen de Heilige betoonde.
De naam Meriba luidde voluit: Meribat Kades, dat wil zeggen: Gerichtplaats van Kades.
En Hagar baarde Abraham een zoon, en Abraham noemde hem: "Ismaël"; Abraham was toen zes en tachtig jaren oud.
Volgens Genesis 12:4, was Abraham vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran vertrok. De nakomelingen van Hagars zoon Ismaël, zijn de Arabieren en dezen erkennen ook Abraham als hun stamvader.
In Hoofdstuk 17 wordt de besnijdenis ingesteld; Ismaël was 13 jaren oud toen hij besneden werd in de voorhuid.
De kanttekening zegt hiervan: "Welk een verschil tussen beiden, die op één en dezelfde dag besneden waren. Terwijl Abraham deel had aan Gods belofte,was Ismaël daarvan uitgesloten".
Dit leert ons, dat de besnijdenis geen deelgenootschap van het heil Gods waarborgde
Oók de Arabieren kennen de besnijdenis.
De Here God herhaalt de belofte door Hem gedaan aan Abraham, toen deze door drie mannen in zijn tent werd bezocht.
Sara lachte toen om die belofte, maar het antwoord dat Sara kreeg luidde als volgt: Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?
Het blijkt, dat Abraham nog steeds op dezélfde plaats woonde, waar hij zich gevestigd had, toen Lot van hem wegging,want hoofdstuk 18 begint met: En de Here verscheen aan Abraham bij de terebinthen, (de heilige bomen), -van Mamré.
In hoofdstuk 18:16-33 vinden wij het pleidooi van Abraham en deze stelt onder andere de vraag: Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen
De kanttekening vult hierbij aan: Abraham vermoed, dat een algehele verwoesting van Sodom, waar zijn neef Lot woonde, de voltrekking zal zijn van het vonnis.
Daarbij zullen dan óók de vromen getroffen worden en dát verdraagt zijn besef van Gods rechtvaardigheid niet.
Hier stelt Abraham het vraagstuk van de rechtvaardigheid van Gods wereldbestuur, de vromen zijn de oorzaak dat de Here God de overige wereld nog verdraagt en haar nog in stand houdt.
Hoogst merkwaardig is het dat Abraham geen beroep doet op Gods medelijden, maar op Diens rechtvaardigheid; die is in het geding bij een algehele ondergang van Sodom.
Abraham begint zijn pleidooi voor Sodom door te vragen: "Misschien zullen er 50 rechtvaardigen in de stad zijn" en, mindert dan tot de vraag: "misschien worden er daar tien gevonden.""
En, de Here zeide:"Ik zal haar niet verwoesten ter wille van de tien."
Nu volgt er een scheiding die noodlottig is voor Sadom,de plaats waar Lot woonde.
Lot was in Sodom geheel ingeburgerd en zat in de poort. De poort diende tot marktterrein en tot een plaats van rechtspraak en volkssamenkomsten; dáár concentreerde zich het gehele stadsleven en temidden daarvan heeft óók Lot zijn plaats gevonden want hij is een stedeling geworden.
Volgens Genesis 18:1, woonde Abraham nog steeds op dezelfde plaats waar hij zich vestigde ná de keuze van Lot, en aldaar verschijnt hem dan de Here toen Abraham aan de ingang van zijn tent zat.
Nogal een groot verschil met Lot.!
Drie mannen stonden daar bij Abraham en hij spreekt deze drie mannen aan in het enkelvoud, 'mijnheer', indien ik uw genegenheid gewonnen heb, ga dan niet aan uw knecht voorbij.
De herdersvorst en krijgsman, noemt zich een knecht en begint met "een bete broods te gaan halen opdat gij uw hart versterkt, daarná kunt gij verder trekken, want daartoe zijt gij immers langs uw knecht getrokken?"
De aartsvader ziet in deze ontmoeting geen toeval maar een Goddelijke beschikking.
En zij zeiden: "Doe zoals gij gesproken hebt."
Abraham bezorgde hen heel wat meer dan een bete broods en bleef onder de boom bij hen staan toen zij aten. De herdersvorst stond daar, zoals wij zouden zeggen, als een kelner. Genesis 18:10-15.
In dit gedeelte wordt door één persoon het woord gevoerd, want, toen zeide de Heer tot Abraham: "Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?"
Doch Hij, de Heer, zeide: "Gij hebt wel gelachen."
Hierop trokken de mannen verder, en keken in de richting van Sodom en Gomorra, terwijl Abraham met hen meeging om hen uitgeleide te doen.
Dan volgt er: En de Here dacht, zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?
De mannen gingen verder naar Sodom, maar Abraham bleef staan voor de Here.
Drie van de vier mannen gaan naar het Oosten, maar één daarvan, en dat is de Heer, spreekt tot Abraham.
Aan het einde van de voorbeden van Abraham voor Sodom en daarmede tevens voor Lot, staat er: "Toen ging de Here weg nadat Hij geëindigd had tot Abraham te spreken en Abraham keerde naar zijn woonplaats, niet naar zijn tent, naar de eiken van Mamré".
Dan begint hoofdstuk 19 met de woorden: "En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom en zij werden daar begroet door Lot."
Deze bereidde voor hen een maaltijd en bakte voor hen ongezuurde koeken en zij aten.
Het was een schrale maaltijd vergeleken bij de maaltijd die Abraham hen gegeven had.
Het word er voor Lot niet beter op, want de gehele bevolking van Sodom, niemand uitgezonderd, omsingelde het huis van Lot.
Zij verlangden dat hij de mannen aan hen uitleverde.Doch Lot geeft hen zijn twee dochters,die met nog geen enkele man gemeenschap hebben gehad, en zegt: laat mij die tot u naar buiten brengen en doet dan met haar, zoals geoorloofd is in uwe ogen; alleen, doet deze mannen niets want daartoe zijn zij onder mijn dak gekomen.
Lot is geen baas meer in zijn eigen huis en wordt bedreigd met een beschuldiging: deze ene is als een vreemdeling komen vertoeven om ons geheel en al de wet te stellen.Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hen.
Zij drongen naar voren om de deur open te breken; echter de mannen staken hun hand uit, trokken Lot naar binnen en sloten de deur.
Zij sloegen de lieden die hen bedreigden met blindheid, van klein tot groot,zodat zij de ingang van Lots huis niet meer konden vinden.
Lot werd aangeraden om zijn familieleden te waarschuwen en met hen de stad te verlaten, want zeiden zij, wij gaan deze plaats verwoesten. Zijn schoonzoons geloofden hem echter niet en dachten dat Lot hen in de maling nam.
Die twee mannen blijken echter engelen te zijn en zij zeggen: "Dáárom heeft de Here ons gezonden, om Sodom te verwoesten, want groot is het geroep over haar voor de Here."
Toen de dageraad gekomen was, de volgende dag dus, drongen de engelen er bij Lot op aan om haast te maken en zeiden: "Sta op, neem uw vrouw en uw beide dochters,opdat gij niet vanwege de ongerechtigheid der stad ook verdelgd worde."
Toen Lot echter treuzelde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn beide dochters, bij de hand, om dat de Here hen wilde sparen, en leidden hen uit en brachten hen buiten de stad en zeiden: "Vlucht om uws levens wil; zie niet om en sta nergens in de streek stil, vlucht naar het gebergte,opdat gij niet verdelgd wordt."
Lot antwoordde tot hen: "Neen toch, mijnheer,zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uwe ogen en gij hebt mij een grote weldadigheid bewezen door mij in het leven te behouden,maar ik zal niet naar het gebergte kunnen ontkomen, zonder dat het onheil mij achterhaalt en ik sterf.Zie toch, gindse stad is dicht genoeg bij om daarheen de wijk te nemen, zij is maar klein;laat mij toch daarheen vluchten en dan zal ik in leven blijven."
Toen zei de engel tot hem: "Zie, ik zal u ook daarin terwille zijn, dat ik de stad, waarvan gij gesproken hebt,niet zal omkeren. Haast u, vlucht daarheen, want ik zal niets kunnen doen vóór gij daar aangekomen zijt.Daarom noemt men die stad Zoar."
De zon was over de aarde opgegaan toen Lot te Zoar aankwam, en, toen kwam de beslissing, want de Here God liet zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen vanuit de hemel en Hij keerde die steden om, benevens de gehele streek, met al de inwoners en het gewas, van de aardbodem.
Maar de vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en werd een zoutpilaar.
Wáárom zij omkeek, dat wordt in de Schrift niet vermeld, doch de engelen hadden duidelijk gezegd Zie niet om en sta nergens in de streek stil."
De streek was een gedeelte van het Noorden van Kanaän, aan de weerszijden van de Jordaan. De landstreek die Lot zelf gekozen had om te gaan wonen.
Toen de Here God de steden in die streek verwoestte, gedacht Hij aan Abraham en Hij leidde daarom Lot uit het midden der omkering.
Er waren geen tien rechtvaardigen in de stad gevonden, maar die er dan in waren, die werden gered; Lot en de zijnen.
Zo werd het gebed van Abraham, zij het dan ook op een andere wijze dan dat deze bedoeld had, toch verhoord.
Lot durfde niet te Zoar te blijven, want hij scheen bang te zijn dat deze stad hetzelfde zou overkomen als de andere steden en hij ging wonen in een spelonk met zijn beide dochters.
In deze spelonk zijn de beide dochters op hun eigenlijke bestemming vooruit gelopen, want zij werden beiden van Lot zwanger. De eerstgeboren dochter baarde een zoon en noemde hem Moab,die de vader is van de tegenwoordige Moabieten. In de naam Moab hoorde de Israëliet zeer zeker iets van Me-ab, 'uit de vader'. De jongste baarde eveneens een zoon en noemde deze: Ben- Ammi, die de vader der Ammonnieten is geworden; Ben-ami betekent zoon des volks.
Het tragische einde van Lot en de nakomelingen van deze man worden heden nog genoemd in de geschiedenis van de volkeren in het Oosten.
Van Abraham wordt dit vermeld in Genesis 11; "doch aan de zonen die Abraham had bij zijn bijvrouwen gaf hij geschenken en hij zond hen, nog bij zijn leven, weg."
Van zijn zoon Izaäk oostwaarts naar het Oosterland, een gebied in de woestijn, ten oosten van Damascus.
In Damascus vinden wij later Saulus. De stad Damaskus bestaat nu nog en telt ongeveer 300,000 inwoners, allen Arabieren, de straat genaamd de "rechte" is daar ook nog.