Vreemdelingschap:
Toen Jacob voor de Farao stond en deze aan hem naar zijn leeftijd vroeg, noemde Jacob zijn leven van 130 jaren, de jaren van de vreemdelingschappen. Genesis 47:9.
Zó noemde hij óók de leeftijd van zijn vaderen: jaren van vreemdelingschap. Een vreemde is iemand van een ander volk, iemand uit een ander land.
De bedoeling van Jacob was, om uit te laten komen dat hij, en zijn vaderen, in deze wereld slechts pelgrims waren, pelgrims, die doortrokken naar hun eigen vaderland, de hemel.
Dit komt overeen met dat, wat wij lezen in Hebreeën 11, waar wij lezen over vele geloofshelden die hun schreden gericht hielden naar het vaderland dat bóven is, en, naar de stad welker kunstenaar en bouwmeester God is.
Bijzonder wordt in dit hoofdstuk gewezen op Abraham, Izaäk en Jacob, die in tabernakelen dat wil zeggen tenten hebben gewoond, wat betekent dat zij geen vaste woonplaats hadden maar telkens van de éne naar de ándere plaats reisden.
Dit is ons vooral van Abraham en Jacob bekend. Abraham moest, op Gods bevel, zijn land en zijn familie verlaten en naar het land gaan dat God hem zou wijzen. In dat land aangekomen moest hij het, vanwege een hongersnood, echter al snel weer verlaten en ging hij naar Egypte. Toen hij vandaar terugkeerde, woonde hij als vreemdeling in Kanaaän, temidden van de volkeren die daar waren.
Van Jacob lezen wij dat hij zijns vaders huis verliet en sindsdien geen vaste woonplaats had. Wanneer deze pelgrims hadden gedacht aan het vaderland dat zij hadden verlaten, dan hadden zij kunnen terugkeren, maar, zij deden dit echter niet.
0ver het volk Israël lezen wij dat zij, die uit het diensthuis verlost waren, telkens opnieuw weer terugkeken naar het land dat zij hadden verlaten; zij begeerden telkens weer de vleespotten van Egypte terug en daarom zijn zij in de woestijn gestorven en mochten daarom niet in het beloofde land ingaan.
De helden uit Hebreeën 11, zagen uit naar de heerlijke beloften, en, hoewel zij die nog niet verkregen, zagen zij toch, met een verhelderd geloofsoog, de vervulling van verre. vrs.13.
De reis van deze pelgrims was zeer zeker ook moeilijk, want, hoewel het verlaten van hun land en hun familie, omdat zij ook maar mensen waren die zich aan hun familie en hun omgeving gebonden voelden, hun veel strijd gekost zal hebben, zal dit toch zeker hun zwaarste strijd niet zijn geweest, maar wel datgene wat zij op hun pelgrimsreis ontmoetten.
Wanneer een vreemdeling enige tijd in zijn nieuwe woonplaats verblijft, dan gaat hij zich er dikwijls thuis voelen, maar, dit was bij dezen mensen niet het geval: zij bleven vreemdelingen op aarde. Daarvoor zorgde God, door hen die dingen te laten beleven die hen telkens deden verlangen naar het einddoel van de reis.
Laten wij Jacob, die zijn leeftijd de jaren der vreemdelingschap noemde, eens tot een voorbeeld nemen. Zijn vreemdelingschap begon toen hij het huis van zijn vader verliet om naar Paddam-Aram te gaan. Genesis 28.
Eigenlijk was dit weggaan een vluchten voor zijn broeder Ezau die dreigde om hem te doden. De oorzaak?
Jacob had met list en bedrog de eerstgeboortezegen ontvangen. Jacob verliet het huis van zijn vader, zónder ook maar iéts mee te nemen, alleen, volgens de 0osterse gewoonte, een staf en een kruikje met olie. Dus, geen keurig uitgewerkte reisgids of wegwijzers die hem ten dienste stonden om bij zijn doel te komen; er waren ook geen goed aangelegde wegen, maar hij moest dikwijls door de wildernis trekken.
Jacob had echter één ding, en dát was genoeg: hij geloofde in de God zijner vaderen, die nog weliswaar zijn God moest worden, maar de kracht van zijn vrome opvoeding sterkte hem om met vertrouwen deze reis te ondernemen.
Het werd avond, en, in de geest zien wij hem neerknielen om de God zijner vaderen te danken voor de hulp die tot hiertoe aan hem is bewezen en om zijn ziel voor de nacht in de hoede van zijn God aan te bevelen.
Hij zocht wat stenen bij elkaar en maakte daarvan een hoofdkussen en ging slapen. En, in die nacht, droomde hij dat er een ladder, waarvan de top tot in de hemel reikte, op de aarde was gesteld, en, de Heer stond bóvenaan deze ladder terwijl de engelen óp en néér klommen. In die nacht openbaarde God zich aan Jacob als de God zijner vaderen en beloofde aan hem dat Hij zijn God zou zijn en hem zou helpen en met hem trekken en aan hem het land waarop hij op dat moment lag te slapen, zou geven.
Bovendien beloofde de Heer aan Jacob dat zijn zaad zou uitbreken in menigte. Wélk een Gids had Jacob nu aan zijn zij!.
Wij zouden zegen: Nú hoefde Jacob niet meer te twijfelen noch te vrezen. Zeer zeker, máár, Jacob moest nog leren om deze beloften te waarderen.
Spontaan sprak hij, toen hij wakker werd: De Heer is aan deze plaats, dit is een huis Gods, dit is de poort des hemels. Jacob richtte op die plaats een gedenkteken op en zalfde dat met olie, maar, al snel bleek dat zijn hart nog niet volkomen op God vertrouwde want hij stelde toen, alsof de dienst des Heren een handelszaak was, de voorwaarde dat, áls God mét hem zou zijn geweest en aan hem brood om te eten en klederen om aan te trekken zou hebben gegeven, dat dán God zíjn God zou zijn en dat hij, van alles wat God aan hem zou geven, aan God de tienden zou geven.
Jacob moest, op deze pelgrimreis, nog zeer veel leren.! In korte trekken willen wij hier nagaan wat Jacob heeft wedervaren. De gevolgen van zijn zonden moest hij dragen, want, de bedrieger werd bedrogen.
Zijn oom Laban veranderde het loon van Jacob wel tien keer; en, na veel strijd ontvluchtte Jacob stiekem. Hij was indertijd, slechts in het bezit van een staf, als een arme jongeling de Jordaan over gestoken, maar nú keerde hij als een rijk man terug. Genesis 32:10.
Dáár, aan de Jordaan, werd hij zozeer door de angst voor Ezau bevangen, dat hij, onder smekingen de Here God zocht.
Dáár worstelde hij met God en ontving hij de zegen van een nieuwe naam, Jacob, bedrieger, werd Israël, strijder Gods.
De Heer was mét hem zodat de ontmoeting met zijn broeder Ezau voorspoedig verliep.
Daarna woonde Jacob bij Sichem; alwaar zijn zonen, Simeon en Levi, de mannen van Sichem op een verraderlijke manier vermoordden, waardoor Jacob opnieuw bevreesd werd.
Maar de Heer sprak tegen hem dat hij naar Beth-El moest gaan, de plaats waar Jacob het opgerichte teken had gezalfd en waar God hem ontmoette toen hij voor Ezau was gevlucht. Genesis 35:1.
Vóórdat Israël vanuit deze plaats vertrok, eiste hij, dat men de vreemde goden uit hun midden zou wegdoen, want zijn zonen, en óók Rachel, hadden vreemde goden bij zich.
Jacob durfde niet zómaar tot die heilige plaats te gaan en tot God te naderen en, dáárom heiligde hij zijn huis, en begroef de vreemde goden onder de eik die bij Sichem is. 0p de weg verscheen de Heer andermaal aan Jacob en bevestigde nogmaals dat Hij zijn God zou zijn en mét hem zou gaan en hem zou zegenen. De reis van Jacob ging van Sichem naar Bethlehem-Efrata, waar Rachel, na de geboorte van Benjamin, stierf.
Daarna ondervond Jacob de droeve geschiedenis van Jozef en van het bedrog van zijn zonen, en eindigde zijn geschiedenis in Egypte, waar hij gedwongen door de honger naar toe was gegaan en waar Jacob ook is gestorven.
Uit de geschiedenis van Jacob blijkt ons dat zijn grootste strijd niet was het verlaten van zijn land en familie, maar in dat, wat God hem deed ontmoeten, om vanuit die toestanden omhoog te zien naar het betere vaderland en de stad Gods.
Door al deze ervaringen is Jacob zeer gesterkt geworden in zijn geloof en leerde hij om uit de hand Gods te leven. En daarom zei Jacob tegen zijn zonen toen hij naar Beth-El zou gaan: dat hij ging om een altaar te maken dien God, die hem antwoordde ten dage zijner benauwdheid. Genesis 35:3.
Door de beproeving en de strijd leerde Jacob om te geloven en vast te houden, als ziende de 0nzienlijke.
Hij kon, met de zanger van Psalm 94:19, zeggen: Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
Zo heeft de Heer Zijn helden gekweekt; helden, niet voor déze wereld, maar voor de toekomende. In Psalm 119:54 zong David: Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
David wilde hiermede zeggen dat, temidden van de grote beroeringen waarvan hij in het voorgaande vers spreekt, voor hem de inzettingen Gods de onderwerpen waren, en zijn beproevingen de voorwerpen van zijn vrolijke liederen.
David spreekt niet van pelgrimszuchten, maar van pelgrimszangen. Zó moeten al de kinderen Gods leren om niet te klagen vanwege hun beproevingen, maar om op hun pelgrimsreis Sionsliederen te zingen.
En, dat kan alleen wanneer wij letten op de vertroostingen die God zendt aan een iegelijk die bidt. Het leven van de kinderen Gods is vol van geheimen wanneer wij daar op letten; want, menigmaal wordt de bidder door de Heer vertroost en menigmaal openbaart de Heer zich aan de lijder op zijn ziekbed, de lijder, die misschien meent dat zijn hoofdpeluw hard is als steen en zijn omgeving eenzaam en donker: De Heer zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger. Psalm 41:4.
Of: Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo prijs ik aan U in de nachtwaken. Want Gij zijt mijn hulp geweest, en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen. Psalm 63:7,8.
In zijn grote benauwdheid spreekt David in Psalm 65:10b: Dit weet ik, dat God mét mij is. Indien wij dit nu ook, in de zekerheid des geloofs, ná mogen zeggen, dán wordt elke ervaring, elke beproeving, een mijlpaal op onze pelgrimstocht waarbij wij mogen rusten.
Dán mogen wij op Hem zien, die worstelde in de Hof van Hetsemané en die Zijn afgematte ziel uitstortte op Golgotha in het: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?; maar, die het kruis heeft verdragen en schande heeft veracht voor de vreugde die Hem voorgesteld was om met Zijn verlosten eeuwig te heersen als Koning der Koningen. Hebreeën 12:2.
Daarom, broeders en zusters in de Here, laat ons dan zien op de -0verste Leidsman die ons wil leiden op onze pelgrimsreis, op Hem, de Voleinder des geloofs, Jezus Christus. Hij sprak: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. ©sdj