Numeri 19.
Het moet het volk van Israel opgevallen zijn, dat, vanaf het moment, waarin Jezus Christus Zich als Messias op aarde openbaarde, Hij door Zijn kruisdood een werk volbracht, waardoor millioenen mensen in de loop der eeuwen hun levensbehoud zochten in de gekruisigde Heiland.
En, niet alleen dit, tevens moet hij hebben opgemerkt, dat, in dezelfde eeuw waarin het christendom zich ging uitbreiden, hij de Joodse godsdienst zag wegkwijnen.
Dit verval werd hoofdzakelijk in de hand gewerkt door de verwoesting van Jeruzalem, welk oordeel voor de Jood nog heden ten dage het teken aan de wand is.
Immers, juist in Jeruzalem werd de Joodse Godsdienst in hoofdzaak beleefd. Daar, op de berg Sion, stond de Tempel en alleen DAAR mocht hij offeren.
Tot op heden kan de Israëliet daar niet meer offeren en hij zal dit nimmer meer kunnen doen op de wijze zoals de vaderen het deden, want, die tijd is, met de verwoesting van Jeruzalem, voorgoed verdwenen.
Christus heeft de Wet volbracht, ook voor wat betreft de offeranden. Tot die erkenning moet de Israëliet komen.
Alhoewel de offeranden die de Wet voorschreef dus in al haar schone, veelzeggende ceremonieën, hebben opgehouden te bestaan, willen wij ons toch een ogenblik bepalen bij een dier offeranden die ook in haar deel de schaduw vooruit wierp en wees op de komst van het VOLKOMEN OFFER.
Dat de ceremonieën der wet in haar tabernakeldienst en verdere voorschriften een diepere betekenis hadden dan die waarvoo0r de Israëliet ze hield, weten wij uit een der brieven van de apostel Paulus, die er de nadruk op legt dat die dingen een andere betekenis hebben.
De offerande die hier wordt bedoeld, is die, welke aan het hoofd van dit schrijven staat vermeld.
Wij lezen , dat er een gebod aan de kinderen Israëls werd gegeven, dat ze tot Mozes en Aäron moesten brengen een RODE VOLKOMEN VAARS,ofwel JONGE KOE, volgens Hebr. 9:13, in dewelke GEEN GEBREK is en op welke GEEN JUK GEKOMEN is.
In Hooglied 5:10, wordt van de Liefste, Jezus Christus, gezegd,dat Hij is BLANK en ROOD.
Dit werd geopenbaard op Golgotha, waar Hij, de enige volkomene, de reine blank stierf en onze zonden die zo rood zijn als scharlaken, droeg en daarvoor leed.
Daarom was deze vaars rood, omdat zij daardoor zou aanduiden dat Christus straks de zonden der wereld zou dragen.
Ook was die vaars volkomen en zonder gebrek, daarmede te kennen gevende dat Jezus Christus zonder zonde was.
Ook was op de vaars geen juk geweest, want het Grote Offer zou geen juk-drager zijn. Niet uit de dienstmaagd, maar uit de vrije. Een zoon uit de vrije was Izaäk.
De geestelijke Izaäk is vrij en heeft de Zijnen eveneens vrijgemaakt van de vloek der wet. En, thans klinkt het als een juichkreet tot de berouwvolle zondaar door Hem:"Genade, genade zij dezelve".
Volgens Numeri 19:3, neemt de priester de vaars en brengt haar buiten het leger om daar te worden geslacht.
In Jezus Christus is hij die offert en het offer zelf, één.
Zeer treffend lezen wij in Hebr. 13:11 en 12, dat de lichamen der offerdieren verbrand werden BUITEN de legerplaats, waarom ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, BUITEN DE POORT GELEDEN HEEFT.
Golgotha lag buiten Jeruzalem. En, dat de rode vaars buiten het leger gebracht werd, wijst er dus op dat het eeuwig offer ook buiten Jeruzalem zou worden gedood.
In het 4e vers van Numeri 19 staat, dat de priester met zijn vinger van het bloed der vaars moest nemen en dat recht tegenover de tent der samenkomst zevenmaal moest sprengen.
Dit is geen ijdele ceremonie geweest, maar had zeer zeker een diepere betekenis. En wij, die in het zevende tijdvak leven, mogen de betekenis hiervan verstaan.
Het bloed van Jezus Christus is voldoende voor de 7 tijdvakken van het genadetijdperk, want met één offerande heeft Hij dit volbracht
Gedurende die 7 tijdvakken kan men deel hebben aan de volle genade van het volmaakte offer.
Het 5e vers zegt ons dat DE GEHELE VAARS verbrand werd buiten de poort.
Het vuur op het koperen altaar in de Voorhof dus BINNEN de legerplaats wijst ons op de werking van de Heilige Geest om te komen tot een levende, heilige en Gode welbehagelijk offerande, namelijk de redelijke Godsdienst.
Het vuur BUITEN de legerplaats wijst op de toorn Gods over de zonde die Christus droeg op het kruishout. Hij gaf Zich geheel zowel ten brand- als ten zondoffer.
Het brandoffer van Christus was een volkomen gerechtigheid, waartoe de grootste Heilige, die ooit de wereld betrad, Zijn toevlucht moest nemen met belijdenis van eigen tekortkoming. Het zondoffer van Christus is het offer op Golgotha hetwelk voldoet voor alle overtredingen. Door dit offer worden onze zonden vergeven. De kruisdood was de enige dood waarop de vloek rustte. zie Deut. 21:23.
Van Adamswege komt ons die vloek toe. Jezus Christus droeg de vloek voor ons, hangende tussen Hemel en aarde was Hij door beide uitgestoten.
Op Golgotha was Hij brand-en zondoffer tegelijk, en daar voldeed Hij ook aan de gerechtigheid Gods.
In vers 6 lezen wij een bijzondere ceremonie die de priester moest uitvoeren.
Hij moest namelijk nemen: CEDERHOUT, HYSOP en SCHARLAKEN, en deze werpen in het midden van de brand des vaars.
Zeer eigenaardig is deze handeling, maar zeer zeker niet ijdel, want de dingen Gods zijn altijd vol leven en betekenis.
Doordat het vuur van Gods toorn in volle hevigheid nederdaalde op het volmaakte offer werden de zonden der mensen verzoend.
Nu werden de bestanddelen van cederhout, hysop en scharlaken, mede verbrand en, dit geeft ons nu te kennen dat het offer van Christus op Golgotha alle offers omvat en ook allen die daarmede te doen hadden, hetzij richters, koningen, profeten of priesters.
Ook zij liggen onder de toorn Gods doch worden in datzelfde offer van Christus opgenomen.
In het Boek voor Onzen Tijd, een uitgave van de Hersteld Apostolische Zendingkerk, waarin een verklaring van het boek Openbaring is opgenomen, kunnen wij lezen dat bomen hooggeplaatste mannen zijn en cederbomen gelovigen en kerkvorsten.
Wij houden hier het beeld vast van hooggeplaatsten in het Godsrijk. Mozes was een der grootste Godsmannen tijdens de wet.
Maar, niet alleen tijdens de wet, maar ook vóór de wet kennen wij zulke cederbomen als zoals bijv. Abram, die zeker een machtige ceder was. Wij denken hierbij ook aan Job in verband met Psalm 92:13.
Een bundeltje HYSOP was bij de tiende plaag die over Egypte kwam het middel waardoor het bloed aan de bovendorpel en aan de beide zijposten werd gestreken.
In overdrachtelijke zin nemen wij waar, dat tijdens de wet, de Hogepriester met de Priesterschap, het MIDDEL was waardoor alles gereinigd werd door besprenging met bloed.
SCHARLAKENROOD, of karmozijnrode wol kennen wij als het beeld der zonde.
In Openbaring 17:3, zien wij de afvallige Kerk zitten op een scharlakenrood beest, wat betekent: een met gruwelijke zonden vervulde aardse heerschappij.
Welnu, de zonden, gedragen door de ontelbare dierlijke offers in het Oude Testament, zijn dus het beeld van het scharlakenrood.
De Heilige Schrift zegt ons:"Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. "
De offerdieren waren plaatsvervangers van de mensen die gezondigd hadden; zij waren dus vol zonden.
Wanneer dus de priester cederhout en hysop en scharlaken in het midden van de brand van de vaars wierp, werd daarmede symbolisch aangetoond dat de middelen waardoor de reiniging in het Oude Testament tot stand kwam, met de kruisdood van Christus zouden verdwijnen en opgelost worden in het lijdensvuur hetwelk het grote offerlam Jezus Christus zou ondergaan.
Apostel Paulus zegt immers in Hebr. 10:4: "Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme."
En, uit vers 9, in verband met het voorgaande, blijkt, dat slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde door de Here God werden weggenomen; want Hij stelde het offer van Zijn Zoon daarvoor in de plaats.
Het volmaakte offer beheerst alles, voor het HEDEN, HET VERLEDEN EN DE TOEKOMST.
Ieder mens zal eenmaal door het bloed van de Zone Gods verlost moeten worden, want, niemand, en daar is dus niet één van uitgesloten, komt tot de Vader dan door de Zoon!
Op Hem zagen alle offers die voor Zijn kruisdood waren gebracht.
Alles wat de Here God in het Oude Testament geschonken had, werd door Christus erkend als Gods geboden.
Hij vervulde dit alles in ZIJN ENIG EN VOLMAAKTE OFFER!
Verder lezen wij in vers 9, dat de as van de jonge koe, (Hebr. 9-:13 zegt daarvan dat het de onreinen heiligt tot de reinheid des vlezes), tot ontzondiging is.
Een REIN MAN verzamelt deze as en het wordt door hem op een REINE plaats weggelegd en dat zal zijn ter bewaring voor de vergadering der kinderen Israëls.
Zo is Jezus Christus, de ENIGE REINE MAN, opgevaren ten hemel alwaar Zijn verdiensten zijn weggelegd en waarop wij mogen pleiten.
Op de as van het offer werd levend water gedaan in een vat. Zo worden de kruisverdiensten van Christus, ja, alles wat Hij voor ons volbracht heeft, door de dienstknechten Gods als zulke vaten, naar het zuivere Evangelie van Gods Woord als het levende water, aan de vergadering van Gods volk verkondigd.
De dienaren Gods ontvangen het vanuit de Hemel en prediken Jezus Christus, de Gekruisigde.
Psalm 20:4 zegt ons:"Hij gedenke uwer spijsofferen EN MAKE UW BRANDOFFER TOT AS".
Van géén ander offer kan dit meer gezegd worden dan van het offer van Jezus Christus. Zijn brandoffer werd méér dan enig ander offer, tot as. Dat wil zeggen, dat Zijn offer bij God de Vader het aangenaamste was. Het was het uitnemendste offer.
Zo mogen wij dan roemen in de kruisverdiensten van Christus.
En, wanneer wij de Godsbedeling in dezen onze tijd ontleden, dan leven wij nu in de derde tijd.
De éérste tijd was voor de wet, de tweede tijdens de wet, en de derde het genadetijdperk waarin wij nu leven.
Hiervan zegt de apostel Paulus in 2 Cor. 6:2: "In de aangenamen tijd heb ik u verhoord, en in de DAG DER ZALIGHEID heb ik u geholpen:Zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is de dag der zaligheid. ".
Op de zevende dag heeft de Here God van al Zijn werken gerust.
De Apostel Paulus doelt in dit verband met de zevende dag in Hebr. 4:4-9, op de rust van Gods volk in de toekomst. Dan zal de volkomen reinheid van de mens worden gezien;de mens, die gedurende zeven dagen onrein was, namelijk steeds weer zondigde.
De zevende duizend jaar zal de volmaaktheid doen aanschouwen van hen die zich in de welaangename tijd, in de dag der zaligheid naar de ordeningen Gods, hebben laten reinigen.
Daarom staat er in Numeri 19:11 en 12: "Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, (ieder mens is met de dood in aanraking geweest door het lichaam der zonde als een vijand van God), aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.Op de derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, het ontzondigingswater, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar, indien hij zich op de derden dag niet ontzondigd, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn."
Wie op de zevende dag, de toekomstige dag des Heren, rein zijn, zullen dit blijven tot in eeuwigheid.
MARAN-ATHA.!
DE HEER KOMT !