In deze beschrijving zijn elementen die ons doen denken aan de beschrijving van het Paradijs, waar óok sprake is van een rivier en van de boom des levens.
Het kan geen toeval zijn, dat het laatste hoofdstuk van de Bijbel ons verplaatst naar het eerste boek van Mozes, naar de oorspronkelijke woonplaats van de eerste mensen.
Met des te meer zekerheid mogen wij aan een overeenkomst denken, wanneer wij Openbaring 2:7 lezen, waar de slotbelofte voor de overwinnaars van het eerste tijdvak der Kerkgeschiedenis ons óók spreekt van de boom des levens waarvan zij zullen eten in het Paradijs Gods.
De Apostel Paulus leert ons bovendien dat de zaken van het Koninkrijk Gods afgebeeld zijn door de dingen der Wet, waaronder wij niet alleen de wetten van Israël maar ook verschillende Bijbelboeken mogen verstaan. Col.2:16,17; Hebr.8:5 en 10:1
Het zal dus van belang kunnen zijn om eens iets nader in te gaan op de beschrijving van het Paradijs in Genesis 2.
Wij zien dan, dat het een tuin; een lusthof is geweest die zich bevond in een land, Eden genaamd.
Nu is het eigenaardig dat wij hoegenaamd niets met zekerheid weten van de ligging van dat land.
Hoewel de vier rivieren met name genoemd worden, is het onmogelijk om heden aan te geven wélke er bedoeld zijn; de énige die nog een weinig zekerheid biedt, is de rivier de Frath, en, júist van deze rivier zegt de beschrijving ons niets.
Allerlei pogingen zijn er gedaan om uit te vinden welke stromen er bedoeld zijn, en waarheen ze vloeiden, maar alle veronderstellingen zijn fantastisch.
Moderne theologen zien, in wat zij voor een verwarde beschrijving houden, een gebrek aan aardrijkskundige kennis, in overeenstemming met de lage trap van ontwikkeling van die wetenschap in de oude tijd.
Deze verklaring verwerpen wij, omdat de Bijbelboeken niet van zuiver menselijke oorsprong zijn, maar omdat hun inhoud door de Heilige Geest is geïnspireerd.
Er zijn onderzoekers, die tot de conclusie zijn gekomen dat door de veranderingen van het oppervlak der aarde, bij voorbeeld door de zondvloed, de loop der rivieren gewijzigd is.
Wij zien dus, dat er van enige zekerheid geen sprake kan zijn.
Maar, wanneer dit nu zo zou zijn, waartoe heeft de Here God in Zijn Woord dan zo nauwkeurig aangegeven hóeveel rivieren er waren en wélke landen zij bevloeiden.?
Het geheel der beschrijving
wijst er op, alsof de Here God ons de ligging van Eden en de Hof
verborgen wilde houden, waardoor het geheel de indruk gaat wekken
dat we hier wél met iets aards te doen hebben, maar dat er wel
een diepere betekenis aan ten grondslag ligt.
En, dát blijkt nog veel meer uit de betekenis der namen, zowel
van de Hof; van het landschap, en van de vier rivieren.
Wij moeten niet vergeten dat de Bijbel geen aardrijkskundig of natuurkundig handboek is. De Bijbel bedoeld namelijk iets geheel ánders: de openbaring van Gods Raadsbesluit.
In enkele krachtige trekken wordt ons op dichterlijke en diepzinnige wijze de Schepping van Hemel en Aarde medegedeeld, en, de juistheid van die beschrijving wordt door geleerden van naam geprezen als overeenkomstig te zijn met wat de wetenschap aangaande de ontwikkeling der Schepping ons leert.
Verder lezen wij, hóe de Here God de aarde bewoonbaar maakte voor de mensen; hóe de mens ten val kwam; maar tévens doet de belofte aangaande het zaad der vrouw toch nog de hoop in de harten gloren, en, híer vatten wij moed want de strijd der mensheid zal zegenrijk beëindigd worden met de schepping van de Nieuwe Hemel en de Nieuwe aarde.
In de Paradijs-beschrijving vinden wij de innige gemeenschap van de Here God met de mensen. Alles ging van God uit, om eenmaal weer tot Hem weder te keren, wanneer de Here God alles in allen zal zijn volgens 1 Korinthe 15:28.
Zo is de Heilige Schrift doortrokken van een heilige eenheidsgedachte, die blijkt uit de wetten der natuur en uit de eenheid van het menselijk geslacht.
En, dat het geestelijk leven der mensen door die eenheid moet worden beheerst, dat blijkt uit het Hogepriesterlijk gebed.
En ook uit de mededeling dat de vier stromen in het Paradijs uit Eén Hoofdstroom voortkwamen.
Het woord "Eden", is waarschijnlijk van Babylonische oorsprong en betekent "steppe", dat is een grote vlakte waar door het klimaat alleen maar gras kan groeien.
Bomen ontbreken er geheel, en dus kunnen wij ons voorstellen dat de Lusthof ín die steppe een heerlijk oord zal zijn geweest.
Wij moeten dus een onderscheid maken tussen Eden en het Paradijs; Eden was de vlakte waarín zich het Paradijs bevond.
In de Hebreeuwse taal komt
het woord "eden" voor, dat "lieflijkheid"
betekent. De Israëlieten dachten dus bij die naam aan iets
liefelijks.
Het woord "paradijs" is aan het Grieks ontleend, maar
die taal had het uit het Perzisch overgenomen, en die weer uit
het Babylonisch. De betekenis is "tuin" of "lusthof".
In de Statenvertaling komt het woord in het Oude-Testament maar één keer voor en wel in Hooglied 4:13 , waar het figuurlijk is gebruikt, zodat Luther het dan ook vertaald met "Lusthof"
In het Nieuwe-Testament komt het woord "Paradijs" drie keer voor en wel in het kruiswoord des Heren tot de moordenaar; in de openbaring die aan Paulus ten deel is gevallen. 2Kor.12:4, en in Openbaring 2:7.
Ook in deze drie plaatsen wordt het aardse Paradijs niet bedoeld, al bestaat er wel een verband.
De Heilige Schrift noemt de heerlijke vlakte waarin Sodom en Gomorra lagen vóórdat zij verwoest was, "de hof des Heren".
De hof was geplant tegen het Oosten, dus naar de zijde vanwaar het licht komt.
Hoewel het scheppingsverhaal er niet over spreekt, mogen wij de veronderstelling wagen, dat de hoofdstroom die uit Eden voortkwam, zijn oorsprong vond op een berg, de "Heiligen Berg Gods."
Over deze berg spreekt namelijk de profeet Ezechiël, want, hij zegt dat de Koning van Tyrus op "Gods heiligen Berg" was gezeten, terwijl het volgende vers mededeeld: "Gij waart in Eden, Gods Hof." Ezechiël 28:13,14--.
Het is eigenaardig dat wij in de Heilige Schrift zo weinig vermeld zien aangaande het landschap Ede, het Paradijs, en, aangaande de eerste mensen.
Het is, alsof de enigszins vage mededelingen ons willen wijzen op een veel diepere zin en betekenis.
Wel krijgen wij uit die mededelingen de indruk van rust en vrede en van een innige gemeenschap met de Here God, die liefderijk met de mensen verkeerde.
Wij vinden hier en daar een zinspeling op deze zaken, bij voorbeeld, wanneer de profeet Jeremia de Heer noemt: "den springader des levenden waters", en dan mogen wij denken aan de oorsprong van de Hoofdstroom. Jeremia 2:13-.
Zo spreekt Psalm 65:1 van "de rivier Gods, die vol water is.""
Hier wordt gedacht aan de besproeiïng der velden, gelijk de stroom de Hof bewaterde.
In de voordracht over "Het dodenrijk en de Eerste Opstanding", zagen wij, dat het Paradijs daar het gelukzalige deel van het rijk der ontslapenen voorstelde, nog wel niet in de hemel der zaligheid, maar toch een oord van rust en vrede voor hen die door het geloof aan Christus' zoendood reeds een voorsmaak genieten van de volkomen zaligheid die zij door het Opstandingslichaam eenmaal genieten zullen.
Wij behoeven het begrip "Paradijs" niet alleen tot dien toestand en de wachtplaats der gelovige ontslapenen te beperken.
Het Paradijs, ofwel de stoffelijke hemel op aarde, was de afschaduwing van de, na de zondeval, wederom opgerichte geestelijke hemel, het Koninkrijk der Hemelen, zoals Christus het noemt, de, hier op aarde strijdende en later in de Hemel zegevierende Christelijke Kerk.
Adam was, volgens Romeinen 5:14, het beeld van Christus; maar dán is Eva het beeld der Gemeente, de Bruid van Christus, de vrouw des Lams. Het Paradijs is dus de Kerk van Christus.
In Hooglied 4:12, lezen wij: "Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein."
Het woord "besloten hof" betekent een hof, die met een sleutel gesloten is.
Dit is weer in overeenstemming met Openbaring 2:7, waar Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt en wandelt tussen de zeven gouden kandelaren, belooft om de overwinnaars te eten te zullen geven van de Boom des Levens, die in het midden van het Paradijs is.
Christus opende het Paradijs door Zijn verzoenend sterven.
De Kerk van Christus, is Zijn tuin waarvan Hij alléén de sleutel heeft, want volgens Openbaring 3:7 is Hij het alleen die opent en Die sluit.
Die tuin moet bevochtigd worden, dat wil zeggen, de Kerk moet tot vruchtbaarheid gebracht worden en gevoed.
Dit geschiedt:
A: door de uitstorting van de Heilige Geest;
B: door Goddelijke vermaning en troost;
C: door de prediking van het Evangelie;
D: door herderlijk opzicht over de, voor Christus gewonnen, zielen;
Hier worden wij er op gewezen, dat er een viervoudige bediening in de Kerk moet zijn naar de verschillende behoeften van het menselijk gemoedsleven.
De Hoofdrivier kwam voort uit Eden en verdeelde zich vandaar in vier hoofden zoals wij dit in de natuur zien bij enkele rivieren die een zogenaamde delta vormen.
Elke, uit de hoofdstroom ontstane stroom, ontvangt dus zijn water rechtstreeks uit de hoofdstroom, en nooit uit een der andere uitlopers.!
De woorden: "en werd vandaar verdeeld in vier hoofden", kunnen verschillend worden verklaard, namelijk van Eden úit, vóórdat de hoofdstroom den Hof bereikte, máár, men kan het óók zo opvatten dat de Hoofdrivier zich alléén door de Hof voortbewoog en daarná zich verdeelde.
Maar dit laatste is weinig logisch, want, wanneer de Hoofdstroom zich reeds vóór het betreden van de Hof verdeelde, dan kon de besproeiíng van de Hof toch zeer zeker béter tot haar recht komen.
Wij nemen dus aan, dat de vier rivieren allen de Hof doorstroomden, wat taalkundig juist en bovendien zeer logisch is.
We zeiden reeds,dat wij in aardrijkskundige zin weinig met deze rivieren weten aan te vangen, evenmin als met de landen waardoor ze stroomden.
Waartoe dan deze opsomming en beschrijving.?
Omdat er een geestelijke zin in verborgen is die zich als vanzelf aan ons opdringt wanneer wij letten op de betekenis van de namen van deze rivieren.
Want:
De hoofdrivier, wij zeiden het reeds, beantwoordt aan de rivier uit Openbaring 22:1, klaar als kristal en voortkomende uit de troon Gods en des Lams.
De rivier in Eden ontsprong op de Heilige Berg des Heren. De zuivere Godskennis gewordt ons dus van de plaats der volkomen heiligheid. Christus heeft ons de Vader geopenbaard in waarheid.Hij is dus de Hoofdrivier, en, om Zijn onderricht en geestelijk voedsel beter tot zijn recht te laten komen, verdeelt Hij Zich in vier stromen.
Aangezien deze vier stromen allen een eigen richting inslaan en verschillende landen besproeien, zien wij hier afgebeeld, dat de vier ambtsbedieningen der Kerk elk een eigen terrein van het geestelijk leven der Kerk hebben te verzorgen.
Eén ambt kan niet geven, wat óók de anderen kunnen mededelen.
Hun taak is dan ook niet, om zich in machts-uitoefening te verlustigen, maar om de waarheid van Christus tot haar volle recht te doen komen.
Dat de vier stromen later de hof verlaten, geeft de roeping der Kerk aan, dat door haar, als het wáre zaad van Abraham, de zegen Gods aan alle geslachten der aarde medegedeeld word.
De naam der eerste rivier was Pison, dat wil zeggen, "de uitgietende stroom"; volgens anderen "grote verspreiding der wateren", maar in wezen is dit hetzelfde.
Aan de Apostelen des Heren in de eerste plaats, was de verbreiding van het Evangelie opgedragen en wij zien dan ook, hoe spoedig ná de Pinksterdag het Evangelie wijd en zijd verbreid was en werd.
Van deze stroom lezen wij, dat hij het land van Havila doorstroomde. Havila betekent "zandwoestijn" of, volgens weer anderen "met smart voortbrengend".
Ook hier is het verschil niet zo groot, want op een onvruchtbare grond kost de bewerking veel moeite.
En, ziet deze naam niet op de weinige bereidheid der harten om het Evangelie te ontvangen.?
Johannes de Doper noemde zich, zoals Jesaja reeds voorzegd had, de stem des roependen in de woestijn.
En, hoeveel smart en teleurstelling bracht de verkondiging van de Blijde Boodschap niet met zich mede: Havila was het goudland, waar het stofgoud, dat als goud geprezen wordt, door het water der rivier werd meegevoerd.
Na het uitwassen werd het goud verder gebracht.
Goud is het beeld van de waarheid, die door de leer der Apostelen--het water--,verbreid werd.
Verder was in dat land "bedolah", een harssoort die om haar welriekende reuk gebruikt werd bij het offeren,en, dit is dus het beeld van de wáre aanbidding.
De steen sardonyx werd óók in het land Havila gevonden; deze steen werd gebruikt voor de schouderstukken van de uitrusting van de Hogepriester.
Er waren er twéé en op élk daarvan waren de namen van zes stammen Israëls gegraveerd.
Ook was de sardonyx één van de twaalf stenen in de borstlap van de Hogepriester.
De vijfde grondslag, of fundament, van de muur van het Hemelse Jeruzalem was een sardonyx. De steen sardonyx is eigenaardig gevormd en bestaat uit verschillende gekleurde lagen, afwisselend licht en donker, en daardoor zeer geschikt om erin te graveren, als het beeld van de besnijdenis der vlezen harten. 2 Korinthe 3:2,3 en Jeremia 31:33.
De Gemeente des Heren werd daardoor een brief, niet met inkt, maar door de Geest geschreven door de dienst der Apostelen.
Zó bepaalde de eérste stroom ons dus bij de verbreiding van de leer; de zorg voor de reine waarheid; bij de wáre aanbidding en bij de verzegeling, als zijnde de werkzaamheden van het Apostelambt.
"En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Kusch omloopt."
"Gihon", betekent: "de zich een baanbrekende stroom", of ook wel:" de opspringende".
Hier worden wij bepaald bij het profetenambt.
Hoewel het woord "profeten" ook eens gebruikt werd door apostel Paulus voor de profeterende leden der gemeente, 1 Korinthe 14:32, worden hier geen bedienaren der gemeente bedoeld, die er echter volgens Efeze 4:11, wél waren. zie ook 1 Korinthe 12:28,29.
In de gemeente te Antiochië vinden wij echter bij de leiders der gemeente, profeten genoemd. Volgens Handelingen 15:22 was Silas een voorganger en volgens vers 32 een profeet. Deze Silas, later Silvanus genoemd, vinden wij als mededienaar van Paulus. 1 Thessalonicensen 1:1 en 2 Korinthe
De naam Gihon wijst ons dus op het karakter van dit ambt. Het is het spontane, dat door de drijving van de Heilige Geest verwekt wordt, en, hoewel de menselijke geest niet buiten werking wordt gesteld, is hetgeen geopenbaard wordt van zuiver Goddelijke oorsprong; 2 Petrus 2:20,21, zegt ons dit uitdrukkelijk.
Wanneer dus een woord, door profeten gebracht, vervuld wordt, dan is dat geen bewijs van hun scherpzinnigheid waardoor zij de toekomst helder konden zien als het gevolg van aanwezige oorzaken, maar het is de vervulling van de beloften van Christus, dat zij dóór de Heilige Geest het toekomende zouden openbaren.
"Kusch" betekent "zwart" en men denkt hierbij dan aan het land der Moren. Men dacht dat deze woonden aan het uiterste der aarde. Esther 1:1--.
Ook de Moren zouden tot bekering komen, ofschoon ze zich volgens Amos 9:7 verre van God hielden; Psalm 68:32 en Psalm 87:4 laten echter een veelbelovend geluid horen, evenals Zefanja 3:10.
Nu is het onmogelijk dat de Gihon, die door sommigen voor de Nijl wordt gehouden, en dus het land dr Moren omstroomde, deze rivier kon zijn, want de Nijl ontspringt in Midden-Afrika en kon dus onmogelijk uit de ene Hoofdstroom zijn voortgekomen.
Wij hebben dus alleen te letten op de betekenis van de naam Kusch, die heenduidt op de in de zonden van de afgoderij levende volkeren.
Ook dezen zouden door het water van de Hoofdstroom vruchtbaar worden, door de werking van de Heiligen Geest.
Maar, óók de Gemeente des Heren zal vertroost worden, en, hoe kan dat béter geschieden dan door dát ambt, dat in directe zin door de Parakleet, de andere Trooster, zou worden beïnvloed.
Parakleet betekent eigenlijk "Voorspreker", of "advokaat", en, wij lezen dat de Heilige Geest met onuitsprekelijke verzuchtingen bidt voor Gods volk. Romeinen 8:26.
De Sulammith, de Bruid, weet van zich zelf dat zij zwartactig is vanwege hare zonden, maar, zij wordt getroost dat zij liefelijk is.
Oók wordt zij vermaand om getrouw te blijven, en tot haar waarschuwing wordt gewezen op de komende oordelen.
Alles wat de Bruidegom in Zijn liefde getuigen wil komt tot haar door het Woord des Geestes, en, zó verstaan wij het woord uit Openbaring 19:10: "De getuigenis van Jezus is de Geest der profetie."
Wij lezen in Handelingen 13:1-4, dat de profeten in de gemeente de Apostelen Barnabas en Paulus tot hun ambt riepen.
"De naam van de derde rivier is Hiddékel, gaande naar het Oosten van Assur."
Hiddekel betekent: "snelle of vrolijk voorthuppelende rivier."
Wij denken hierbij aan Jesaja 52:7: "Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgene die het goede boodschappen, enz."
De Apostelen waren in de eerste plaats aangewezen om het Evangelie te verkondigen, maar zij konden niet overal zijn en zo zien wij bij voorbeeld dat Apostel Paulus voor zijn arbeid de grote centra uitkiest en vandaar uit mede-arbeiders uitzendt. Coll.1:7; 4:13; Filp.2:25-30.
Zo was Timotheus zulk een rondreizende Evangelist 2 Timotheus 4:5, evenals Titus.
Het land Assur, welke naam "geluk" betekent, was door de zonde rijp voor het oordeel, maar door de prediking van Jona bekeerde de stad zich.
Jona is het beeld van de Here Jezus, de Heiland, Die het wáre geluk kwam brengen als de meerdere van Jona. Lukas 11:32.
Zó brachten de Evangelisten de wáre blijdschap welke ons bij voorbeeld opgetekend wordt in Efeze 2:11-22.
"En de vierde rivier is Frath".
Kort en krachtig is deze aanduiding, en deze naam betekent: "zoetwaterstroom"
Haar richting wordt niet aangewezen, en, wanneer de Frath de Eufraat zou zijn, dán gaat ze naar Babel. De wérkelijke betekenis van de naam Babel is niet "verwarring", maar "Poort Gods".
In de poort der oude steden voltrok zich het dagelijkse leven, en, zó zorgt de vierde stroom voor het inwendige leven.
In de bodem zijn vruchtbare stoffen die zónder besproeiïng toch niets kunnen voortbrengen en zó moet het inwendige leven der gemeente, waarvoor de elementen reeds aangebracht zijn, door de werkzaamheden van deze stroom tot ontwikkeling worden gebracht door huisbezoek; het troosten der zieken; het terechtbrengen der afdwalenden, enz.
Zo zien wij hier de woorden van Efeze 4:11-16, hun grondslag vinden in het eerste en in het laatste Bijbelboek.
MARAN-ATHA.
DE HEER KOMT !