Hersteld Apostolische Zendingkerk OFFERANDE

 

 

OFFERANDE.

Er ligt een berg ginds in het verre Oosten, heilig en belangrijk in de geschiedenis van het mensdom. Het is de berg Moria, de berg der Voorzienigheid, waar eens het zwaarste offer werd gebracht, dat voor een mens denkbaar of mogelijk is; waar de heerlijkste redding door God werd geschonken, toen de nood tot het ui­terste was geklommen, toen de gehoorzaamheid haar toppunt had bereikt.

 

Op zijn gewijde kruin werd in later tijd, naar alle waarschijnlijkheid, de tempel gebouwd; en als Abrahams na­kroost opklom tot zijn voorhoven, om er God te verheerlijken, dan voelde het zich opgewekt vol vertrouwen op die Almachtige, Die voorziet waar alle menselijke hulp te kort schiet.

Of, als men nergens uitkomst zag, en het water aan de lippen kwam, dan wees men naar de berg heen, en riep elkander vertroostend toe: "Op de berg des Heren zal het voorzien worden"- en de beproeving van de vader der gelovigen, zijn offer en zijn verlossing, stond met le­vendige trekken voor het oog van zijn nage­slacht en wekte tot standvastig geloof, tot on­bepaalde gehoorzaamheid en tot ootmoedig, maar onwankelbaar vertrouwen.

 

Er is een berg der beproeving in het leven van elke mens, van elke Christen.

Een berg, waarop de mens soms het dierbaarste ten offer brengt, een berg, die steil is en waar rots­punten de voet wel kwetsen, maar die niette­min behoort bij de weg der godzaligheid.

Welgelukzalig wie de beproeving gekend hebben, en er door geoefend zijn, wie achter de overste Leidsman des geloofs hun kruis leerden dragen.

Het is een heerlijke gedachte: de berg der beproeving in het land der vreemdelingschap, is de berg der voorzienigheid die ons opwaarts voert naar het Vaderland.

Over de berg der beproeving loopt het pad der heiligmaking naar de poort des hemels.

 

Wij willen in gezelschap van de vrome aartsvader, die berg beklimmen zodat wij er wijsheid kunnen leren en troost mogen vinden op de levensweg.

Gen.22:1,2: “En het geschiedde, dat God Abraham verzocht”, hetgeen zeggen wil: God stelde het geloof van Abraham op de allerzwaarste proef.

Laat ons zien, Hóe Hij dat deed, en bewonderen wij de onnavolgbare eenvoudigheid en verhevenheid van dit Bijbelse geschiedenis verhaal.

 

En de Here zeide tot hem: Abraham! En, hij zeide: “Zie, hier ben ik”.

En Hij zeide: “Neem nu uwen enige, dien gij liefhebt, en ga heen naar het land Moria en offer hem aldaar ten brandoffer op één van de bergen die Ik u nader zeggen zal”.

God heeft gesproken, Abraham zwijgt.

God beveelt, Abraham gehoorzaamt.

 

Het verloop van de geschiedenis weten wij, en, waar we het allen over eens zijn, dat is het feit, dat de proef waarop Abraham hier gesteld wordt, ontzettend zwaar is en voor mensenverstand niet te begrijpen.

Dat is de hoogste voortreffelijkheid van de mensen.

Die voortreffelijkheid heeft de Heer voor de Zijnen afgebeden: “Vader, dat zij één zijn in Ons Gelijk Gij in Mij en Ik in U”.

 

Gehele overgave aan God, onze wil in overeenstemming te brengen met Zijn wil, Hem niets te weigeren, Hem alles te geven wat Hij vraagt, als Zijn liefde in onze harten is uitgestort: Ziedaar, de volkomenheid waartoe God de mens door beproeving wil geleiden opdat hij hervormd worde en wedergeboren naar Zijn beeld.

Ziedaar, het toppunt der zelfverloochening, waarin de ware grootheid van de gelovige mens bestaat.

 

 God kende de kracht van het geloof van Abraham en daarom koos Hij de allersterkste proef opdat dit geloof zich in geheel zijn onwankelbare grootheid zou kunnen openbaren.

God liet het tot het uiterste komen opdat de gehoorzaamheid van Abraham tot het uiterste klimmen zou, maar, God liet de uitkomst in Zijn hand, opdat die uitkomst tot heerlijkheid van Hem en tot zaligheid van Zijn vriend zou zijn.

Zó voerde Hij Abraham tot Zich op, door hem zijn énige áf te vragen.

Kunnen wij nauwer gemeenschap tussen de mens en God voorstellen, dan dáár op de berg der beproeving, op de top van de Moria?

 

Op de 3e dag, als Abraham de bergen ziet, moeten de knechten achterblijven; hierdoor wordt aan Abraham de laatste verbinding met de aarde ontnomen.

Nu, met het gezicht op de berg, gaat hij alléén, zoals óók de Here Jezus alléén ging.

Ja, zoals ieder mens die offert, het alléén moet doen.!

De Here God wil, dat ook wij dit goed zullen weten en, we lezen dan in Gen.22:6: “En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izaäk, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zei beiden gingen samen”.

Ja, het wordt aan ons, in het 8e vers nogmaals verteld: “Zo gingen zij beiden tesamen”.

Abraham en Izaäk, vader en zoon.

 

Er wordt niet veel gesproken; Abraham is oud, en het “bergopwaarts” gaan valt hem zwaar.

De top is zo hoog, en Abraham is bezwaard door zijn offer.

Izaäk is geheel anders; hij is de jonge, sterke, hoopvolle.

Hij zoekt naar afwisseling, en, ziedaar, ineens ontdekt hij dat er iets vergeten is: “Mijn Vader”, zo vraagt hij, en, Abraham kijkt op uit zijn gepeins en antwoordt hem vol droefheid: “Zie, hier ben ik mijn zoon”.

Hoe vertrouwelijk klinken deze woorden; welk een oneindige liefde en tederheid gaat er van uit.

Nú komt de vraag die Abraham vol zorgen tegemoet zag; Izaäk is wel meer met zijn vader meegegaan om te offeren, en hij weet, wat er nodig is.

Vader heeft aan alles gedacht, aan het vuur, aan het hout en het mes, máár, hij heeft één ding vergeten: het offer zelf.!

“Vader, waar is het offer ten brandoffer?”.

 

Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk: de waarheid of een leugen.

Denk u eens Abraham's toestand in. Die is als een emmer water, boordevol. Zolang die emmer stil blijft staan, gaat het goed, maar één duwtje is voldoende,om er het water rondom over te doen spatten.  

Daar hebt u Abraham, zo boordevol, en daar is het duwtje: die vraag van Izaäk.

Waar het lam is? 0, mijn jongen, God wil dat ik jou zal binden en offeren.

De waarheid zeggen?  Neen, ik doe het niet, ik kan het niet, kom mee we gaan terug. Dat is de waarheid!

Dan de leugen? Abraham zou kunnen zeggen: Ach jongen, vader heeft het vergeten, heeft er niet meer aan gedacht. Maar wat zal hij dan straks in de ogen van zijn kind zien, als hij hem op het hout vastbindt? Vader u hebt mij bedrogen!   

Zo zit Abraham tussen de waarheid, die zo hard is en de leugen, die zo vreselijk is.

Hij kan nergens heen, geen kant is open.

Maar, als aan alle kanten de weg afgeklemd is, dan blijft de weg naar boven open en Abraham zegt met het oog naar boven:  "God zal Zichzelve een lam ten  brandoffer voorzien, mijn zoon!".

 

Ach, als het in het leven zó ver komt, dat wij, als Abraham, in de klem zitten, als we niet meer voor- of achteruit kunnen, dan ontdekt Gods kind pas, dat er één weg is, die niet af gesloten kan worden, de weg naar boven.

Als alle eigen kracht, alle menselijke steun ontnomen wordt, dan is het alleen nog een zich werpen in des Vaders armen. Abraham werpt zich in Gods armen: De Here zal het voorzien.

 

Gij kent wel die oude vuurstenen, waar vonken in zitten, Die vonken komen er niet uit, als men de stenen wrijft, maar ze komen, als de stenen geslagen worden.

Abraham wordt geslagen, fel geslagen: “Mijn vader, waar is het lam ten brandoffer?"

De vonk, die daardoor ontstaat, is het woord, dat nu door Abraham  gesproken wordt: "De Here zal het voorzien, mijn zoon!”.

Het eeuwigheids licht, de H.Geest, wordt ons hierin getoond. Zoals Abraham de type is van God de Vader, en Izaäk van God de Zoon, zo openbaart zich in die twee, God de H.Geest.

Daar gaan zij verder, Abraham en Izaäk, en zij zijn gerust in het geleide van de H.Geest.

Zó gaan zij verder, totdat zij de top van berg hebben bereikt, en, zij bouwen daar steen voor steen een altaar.

 

Dan steekt Abraham zijn hand uit om zijn zoon te grijpen en hij bindt hem op de takken.

Izaäk ligt daar, vol verbazing en met grote vragende ogen; dan is daar in zijn vaders hand het mes, gereed om ter offeren.

“En Abraham strekte zijn hand en nam het mes om zijn zoon te slachten”. (vrs.10).

Máár, op dát ogenblik komt God: “Abraham, Abraham”.

“Zie, hier ben ik”.

“Strek uw hand niet uit aan de jongen en doe hem niets!; want nú weet Ik, dat gij Godvrezende zijt, en uwen zoon, uw énige, Mij niet onthouden hebt”.

Welk een eerstelingoffer!.

O, wat is deze geschiedenis vol van Christus, terwijl Mozes, die ons dit beschrijft, niet geweten heeft van Christus en Zijn kruis!.

Hoe geweldig, dat hier een mens, een zondig mens, de weg van gehoorzaamheid, de weg naar vrede gaat, terwijl die weg een kruisiging is.

 

Zoals Abraham zijn zoon Izaäk gaf, hem geheel had losgelaten, toen hij hem, gebonden op het droge hout neerlegde, zó heeft God Zijn Zoon Jezus Christus geheel en al gegeven op het ogenblik waarop Christus aan het kruishout riep: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?.

Zó gaf God alles, maar, daarom vraagt God ook alles aan ons!.

De beslissing ligt bij het altaar.

 

God riep Abraham en deze ging opwaarts, langzaam en moeizaam; zó roept God ook ons om de zware gang te gaan naar het altaar van de offerande.

Abraham keerde terug mét zijn zoon aan de hand, als een koning.

Zó wil God ook ons doen terugkeren, gerechtvaardigd uit het geloof, roemende in de God onzes heils.

Willen wij zo voortgaan, alles missende en alles bezittende, droevig en nochtans blijde? Het grote geheim is: Here, leer mij mijzelf kennen. Here, maak mij arm, zo arm, dat mij niets anders overblijft dan Uw genade! De Here zal het voorzien.

 

Ja, er straalt ons nog iets hogers toe, als ons oog van Moria's kruin in de verre toekomst dringt. Golgotha’s heuvel  is nabij. Er moest een mens (Abraham) zijn, die zijn enige zoon aan zijn God niet onthield, en het toppunt bereikte, waartoe menselijke liefde jegens God kon stijgen, opdat er een maat­staf zou zijn, waarnaar wij enige mate de Goddelijke liefde zouden kunnen meten, die Zijn Zoon, Zijn Enige, Zijn Geliefde, in Wien Zijn welbehagen was, overgaf voor zondaren, voor vijanden, voor godlozen, overgaf niet tot aan, maar tot in de dood des kruises, ­overgaf aan een van Hem afkerige, verloren wereld.

 

Daarbij wordt Abrahams liefde klein, zinkt zijn offer in het niet weg, wanneer wij met aanbidding denken aan dat offer, dat de God van alle genade aan ons gebracht heeft, toen Hij Zijn Enige voor ons overgaf.

Wij aanschouwen in het offer van Abraham, hoever de gehoorzaamheid aan God kan en moet gaan. Er komt hier een belangrijk punt naar voren, van waaruit wij de gehoorzaamheid aan God hebben te beschouwen.

 

Gehoorzaamheid aan God is een offerande, die de Heer van ons, ieder persoonlijk, vraagt en waardoor Hij ons ieder persoonlijk, in de gelegenheid stelt, om te tonen, wat wij voor Hem over hebben.

Dat denkbeeld is aan het Evangelie niet vreemd. Het wil, dat wij ons zelf stellen tot een levende, heilige Gode welbehagelijke offerande, welke is onze redelijke godsdienst, en dat wij geestelijke offeranden zullen op­offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.

 

In dat Licht stelt God de zware proef van gehoorzaamheid voor, die Hij van Abraham vraagt. , Het is geen kastijding, die God Abraham oplegt, maar God vraagt het offer van Abraham voor Zich, en daarom staat Abraham zijn offer aan God af.

Er was geen andere weg, want Abraham had God lief boven al, bóven zijn enige.

Voorwaar, de Heer zegent degene het hoogst van wie Hij het zwaarste offer vraagt, omdat Hij hem in staat stelt, het allergrootste bewijs van zijn gehoorzaamheid en zijn Liefde, die alles voor God over heeft, te geven.

 

Abraham geloofde God. Daartoe alleen was hij tot zulk een gehoorzaamheid in staat, zo zegt de schrijver van de brief aan de Hebreën (XI:17-18).

"Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht wend, zijn enig­geborene geofferd, overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken".

Het geloof van Abraham kan de proef doorstaan. Zijn God, Die het in hem gelegd en gewerkt had en niet ophield het bij hem te versterken, ook door deze laatste vuur­proef, kende dat geloof, en daarom leidde Hij hem naar Zijn aanbiddelijke wijsheid in die vuurproef, opdat ook de beproeving van het geloof van Abraham, zou bevonden worden te zijn tot Zijn heerlijkheid, want als wij hem zien staande blijven door dat geloof, dan geven wij Gode eer, Die zulke krachten in den mens wil werken.

 

Door dat geloof heeft Abraham zichzelf overwonnen, en hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke en heeft hij Gode behaagd. Zo is zijn geloof volmaakt geworden uit zijn werken. Door het geloof heeft hij zijn enige geofferd. Voorwaar dan, alle dingen zijn mogelijk degene, die gelooft.

 

Zien wij tenslotte, hoe de Heer het beproef­de beloont. Het heerlijkste loon volgt op de zwaarste proef. Daar scheurt de wolk, de En­gel daalt en geeft Abraham zijn enige weder. Dat was een ogenblik van hemelse verrukking, ­dat was het loon des geloofs.

Met het offer, dat wij vrijwillig, uit gehoorzaamheid aan God gebracht hebben, vervult een gevoel van zaligheid ons hart; het is Zijn genadig welbehagen, dat op ons rust, en waarvan wij de bewustheid bij ons zelf omdragen, het is de liefde van God, onze Vader, en van Jezus Christus, de Zoon, die in onze harten is uitgestort door de Heiligen Geest, Die in ons verzege1d is geworden. Het is de overtuiging, dat wij nader bij God gekomen, nauwer met Christus zijn verbonden geworden,

Dat is heerlijker genadeloon dan al de eer bij mensen! Dan al de schatten der gehele wereld! Als wij na beproeving des geloofs, het getuigenis in ons zelf voelen, dat de berg, die wij beklommen hebben, ons tot hoger trap van Christelijke volkomenheid geleid heeft, dat wij in heiligmaking zijn gevorderd, dat de loop der heerlijkheid bij ons is ver­sterkt, en wij dat alles beschouwen als het werk van de Heilige Geest, Die alzo de beproeving aan onze ziel heeft geheiligd, dan geven wij Gode de eer en roemen in Zijn ontferming, en wij ontsteken op de top van de berg ons dankoffer, omdat Hij gena­dig heeft voorzien. Sdj.