HET AFSCHEID VAN MOZES

De Bijbel zegt in het algemeen niet veel tot lof van de dienaren Gods. Alleen God zal geprezen worden. Mozes, tot wiens eer de Schrift enige woorden vermeldt, moet dan wel een buitengewoon man geweest zijn.

"Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren". (Num.12:3 ).

“En daar stond geen Profeet meer op in Israël gelijk Mozes, die de Heer gekend had van, aangezicht tot aangezicht; in alle tekenen en wonderen, waartoe hem de Here gezonden heeft om die in Egypteland te doen aan Farao en aan al zijn knechten en aan al zijn land; en in al die sterke hand en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van gans Israël" (Deut.34:10-12).

Hoe voortreffelijk wordt hier in enkele zinsneden het grootse in deze leidsman van het volk vermeld! De gewijde geschiedenis kan geen tweede noemen, die zelfs maar in zijn schaduw kan ‘taan.

En,'de helden’ van de wereldgeschiedenis zijn, vergeleken bij deze geestelijke reus onbeduidende dwergen. Zijn levensavond was somber. Hierin deelde hij het lot van vele uitstekende mannen, die, omdat zij door hun omgeving. dikwijls miskend worden, zich eenzaam gevoelen. Eenzaam en treurig, omdat de vrees over hen komt, dat hun zwoegen straks blijken zal, tevergeefs te zijn geweest.

Zulke gedachten versomberden gedeeltelijk ook de laatste dagen van Israëls leidsman. Mozes was hier niet zwartgallig, zodat zijn gedachten slechts een uiting waren van een mismoedige geest, maar de Heer had hem gezegd, hoe het volk zich, na zijn dood, zou gedragen.

"En de Here zei tot Mozes: "Zie, gij zult ontslapen met uw vaderen en dit volk zal opstaan en nahoereren de goden van de vreemden, van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb" (Deut.3l:l6).

Met deze zekerheid aangaande het treurige gevolg van zijn levenstaak neemt Mozes afscheid van zijn volk, als hij, op de leeftijd van 120 jaren gans Israël vergadert en moede van de last des levens zijn onmacht bekent, nog langer te kunnen uit- en ingaan. Bovendien weet hij, dat hij, nu het volk aan de grenzen van het beloofde land is gekomen, hij hen niet mag inleiden.

Vol berusting zegt hij: "Daartoe heeft de Heer tot mij gezegd: "Gij zult over deze Jordaan niet gaan" (Deut.31:2).

Ach, hij wist zijn zonde en die van Aäron wel!

Niet, zoals men denkt, hadden zij gezondigd door tweemaal in plaats van éénmaal op de rots te slaan.Neen, maar het jonge geslacht, dat in de woestijn opgroeide, maakte het niet beter dan de vaderen. Het stond tegen Gods dienaren op en verweet hun, dat het drinkwater ontbrak.

Nu wilde God in Zijn onbegrijpelijke liefde, in zachtmoedigheid tot deze jongere mensen komen en Mozes ontving het bevel om met zijn staf tegen de rots te slaan en tot haar te spreken.

We kunnen ons voorstellen, dat de geest van ontevredenheid en verzet tegen Gods leiding, die zich nu weer bij het jonge geslacht openbaarde, Mozes en Aäron met toorn vervulde en dat er een ogenblik van twijfe1 in hun harten opkwam aan het doel van hun taak.

Ja, een ogenblik van toorn en ongeloof kwam er. En in plaats dat de zachtmoedigheid Gods in hun harten woonde, spraken zij toornig tot het volk: "Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit de rotssteen voortbrengen?"

Toen sloeg Mozes de steenrots tweemaal en daar kwam veel water uit, zodat de vergadering, en hun beesten, dronk.

God had het ongeloof gezien in de harten van Mozes en Aäron en sprak: "Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligde voor de ogen der kinderen Israëls, daarom zult gij lieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb."

0, vreselijk Meriba.! (Num.20:l-l2)

Was dan de zonde van Mozes zó groot, dat God hem zó zwaar strafte? Hoe vreselijk moet deze teleurstelling voor de trouwe man Gods zijn geweest! Hij bidt dan ook tot God, om Zijn vonnis op te heffen: "Laat mij toch overtrekken en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte en de Libanon."

Doch God verhoort deze smeekbede niet. Hij wil in heiligheid gediend zijn. En streng spreekt de Heer: "Het zij u genoeg, spreek niet meer tot Mij van deze zaak".

Alleen vergunde God het hem om een hoge berg te bestijgen, vanwaar hij van een machtig panorama genieten kon, maar de Jordaan mocht hij niet overtrekken. (Deut.3:23-27).

En zó gaat de honderdtwintigjarige Profeet op een zekere dag eenzaam uit de vlakke velden van Moab naar het gebergte te Pisga, om van de hoogste top, de 806 meter hoge Nebo, het land te bezien, waarnaar hij met zo onzegbaar veel moeite en verdriet het volk Israël geleid had.

Welke gedachten zullen de man Gods door het hoofd gegaan zijn.! De Franse dichter Alfred de Vigny beschreef in een schoon gedicht het lot van deze eenzame Godsman en legt hem ondermeer deze droeve klacht op de lippen: "Wat heb ik U misdaan, dat Gij mij hebt verkoren?"

Fijn gevoeld is het zeker en, zal niet menige knecht Gods wel eens deze verzuchting, zij het in andere woorden, geslaakt hebben?

Toch zal Mozes zo niet gedacht hebben, want God liet hem niet ongetroost sterven. Want, al mocht Mozes dan zijn taak niet volbrengen, in die zin, dat hij het volk niet inleiden kon, toch nam de Heer hem niet weg zonder dat hij, zij het van verre, het beloofde Land gezien had vanaf de top van de berg Nebo.

En, bovendien had God hem nog iets anders geopenbaard!

Al wist hij dan ook, uit des Heren mond, dat Israël zijn weg verderven zou, al had God aan hem geopenbaard, hoe Hij het volk in de loop der eeuwen straffen zou, tóch wist Mozes uit de mond Gods, dat het einde heerlijk zijn zou.

En, zó leerde Mozes dat zijn levenstaak niet tevergeefs volbracht was, maar dat zijn opofferend leven een schakel geweest was in de grote keten van het raadsbesluit Gods, die het Paradijs in Eden verbindt met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die straks geschapen zullen worden.

God had Mozes het blijde einde geopenbaard van het lied. dat Hij Zijn dienaar door de Geest inspireerde en dat Israël leren moest tot in verre geslachten.

"Toen sprak Mozes voor de oren der ganse gemeente van Israël, de woorden dezes lieds totdat zij voltrokken waren" (dat wil zeggen: het gehele lied).

Dat prachtige lied vinden we opgetekend in Deut.2:1-43, waar het slot de troost bevat: “Juicht gij heidenen met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken en Hij zal de wraak op Zijn wederpartijders doen wederkeren en VERZOENEN ZIJN LAND EN ZIJN VOLK"

Hier zien we het blijde einde van de wereldgeschiedenis in enkele woorden samengevat.

De apostel Paulus haalt deze woorden aan in Rom. 15:8-12, waar hij ons bewijst, dat de grote barmhartigheid Gods ten opzichte van Israël de heidenen met vreugde en hoop zal vervullen.Welk een machtig lied heeft Mozes gedicht in het aangezicht van de dood.

Hemel en aarde roept hij op, om getuigen te zijn van de macht van God."Neig de oren, gij hemel, en Ik zal spreken; en de aarde hore de redenen Mijns monds.Mijne leer druipe als een regen, mijne rede vloeie als de dauw, als een stofregen op de grasscheutjes en als druppelen op het kruid”.

Zó vangt hij aan. Worden hier niet tegelijk de machtigen en de zwakken opgeroepen om het oor te lenen aan de Man Gods?

"Want ik zal de Naam des Heren uitroeper!; geeft onze God grootheid. Hij is de rotssteen, wiens werk volkomen is, want al Zijn wegen zijn gerichten. God is waarheid en is geen onrecht. Rèchtvaardig en recht is Hij”.

Deze lofprijzing Gods bereidt ons er op voor, dat, wat er ook over Israël moge komen, God getrouw en heilig is en dat de plagen en straffen slechts de gevolgen zijn kunnen van de zonden van het volk.

De verzen 5 en 6 klagen dan ook Israël aan, als een dwaas en onwijs volk.

Om het rechtmatige van deze beschuldiging te bewijzen, horen we in de verzen 7-14 de vele weldaden, die God aan Zijn volk bewezen heeft.

Maar, hóe beantwoordde het volk Gods liefde en vaderlijke zorg?.

"Als Jeschurun (Israëls erenaam) vet werd, zo sloeg hij achteruit".

En nu lezen we in 15-18 de afval van het uitverkoren volk. De verzen 19-33 bevatten de straffen Gods over de ontrouwen, die giftige wijndruiven en bittere beziën voortbrachten in plaats van zoete druiven. Hun wijn was vurig drakenvenijn en een wreed adderenvergif. De verzen 34-43 beschrijven de wraak van God aan Zijn vijanden en de herstelling van het verbondvolk.

Dat we dit hoofdstuk aan de hand van deze indeling eens aandachtig lezen, om de grootheid van dit voortreffelijkw gedicht te verstaan!

Mozes nu was honderd en twintig jaar oud toen hij stierf; en zijn oog was niet donker geworden en zijn kracht was niet vergaan.

"En de kinderen Israëls beweenden Mozes in de vlakke velden van Moab, dertig dagen en de dagen des wenens, van de rouw over Mozes, werden voleingd" (Deut.34:7,8).

Zouden er onder die weeklagende Israëlieten nog geweest zijn die zich zelf beschuldigd hebben, mede de oorzaak van het lot van deze zachtmoedige man geweest te zijn? Want, hoewel Mozes en Aäron gezondigd hadden, er was een verzachtende omstandigheid: het onophoudelijk verzet van het volk tegen de, van God gegeven, leiding, waardoor een ogenblik van mismoedigheid het anders zó sterke geloof ondermijnd had van deze grote knecht des Heren.

Zouden er, onder de rouwdragende schare, geweest zijn die de diepte van het leed gepeild hebben, nu het vurige verlangen om het volk in te mogen leider, niet vervuld werd? Wij weten het niet, maar dít weten we wel, dat het afscheid en het tragische sterven van Mozes ons allen iets te zeggen heeft.

De dienstknechten zullen moeten bedenken, dat zij verplicht zijn, om God te heiligen voor het aangezicht van het volk door zich te beheersen en het voorbeeld van  de Heer Jezus na te volgen. Men misléide zich niet door te spreken van heilige toorn. Een vertoornd mens is niet met liefde vervuld. Zijn verstand is beneveld door de boosheid, zodat zijn maatregelen zeker niet door de liefde van Christus zullen gegeven worden.

Alleen Gods toorn is heilig. Een dienstknecht, die menselijkerwijs gesproken, zich terecht vertoornt door grove zonden onder het volk Gods, zal terstond denken aan de geschiedenis van Meriba, opdat hij zich beheerst en zijn Zender niet ontheiligd, die tot het uiterste geduld heeft met de zondaren en die zelfs nog bad voor Zijn moordenaars. Onvolmaakte mensen en heilige toorn ...het gaat niet licht samen.

Maar ook de kinderen Gods zullen er aan denken, hoe hun benemen in het werk des Heren tot jammer en ellende aanleiding kan geven.

De Kerk van Christus kan beter gediend worden door dienstknechten, die in liefde gedragen worden op de vleugelen van het gebed, dan door knechten, die zuchten onder onbillijke miskenning van hun beste bedoelingen.

De apostel Paulus zegt daar iets van: "zijt uwen voorgangers gehoorzaam en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig. (Hebr.13: 17).

Deze aanmaning is in overeenstemming met deze woorden: "En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden en uwe voorstanders (d.w.z. voorgangers) zijn in de Here en u vermanen, en acht ze zeer veel in liefde om huns werks wil! (1 Thess.5: 12,13.

De Heer noemt zich de Goede Herder en dus zullen Zijn plaatsbekleders op aarde in alle bedieningen herders zijn (afgezien van het bijzondere herderambt in elke gemeente), maar dan zullen de leden van de Gemeente ook schapen zijn en geen stotige bokken.

Welk een heerlijke gedachte voor de kinderen Gods, wanneer ze weten, hoe hun gebeden voor de dienstknechten door God verhoord worden tot eer van Zijn Naam en tot bloei van de Kerk.

Welk een zegen zal God gebieden, wanneer er zulk een liefde tot de dienaren in de harten leeft! En hoe zal de ijver voor Gods werk toenemen bij de knechten des Heren, wanneer zij weten, dat hun arbeid gewaardeerd wordt, wanneer zelfs, bij het mislukken van wel gemeende pogingen er geen onbillijke kritiek uitgeoefend wordt, maar het vaste geloof aan het werk des Heren in de harten Zijner kinderen de dienstknechten aanmoedigt om voort te gaan op de ingeslagen weg.

Wat kan er een krachtige wisselwerking zijn tussen de leidslieden en de Gemeente tot heil van de Kerk, het kroonjuweel van de Heer.

Zeker, we zijn allen zonder uitzondering onvolkomen en er worden wel eens verkeerd behandeld, maar hoeveel liefde bewijst God ons, zondige mensen.

Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijn gunsbewzen.

Zullen wij als Teschurun nu ondankbaar achteruitslaan of zullen wij liever niet willen zijn het paard der Majesteit, waarop de Goddelijke Ruiter de overwinning zal bevechten in de dagen, die al ras voor de deur staan?

God stelle onze harten gewillig tot Zijn dienst.©sdj