Loofhuttenfeest

"En het zal geschieden, dat alle de overgeblevenen van alle heidenen die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om te aanbidden de Koning, de Heer der heirscharen, en om te vie­ren het feest der loofhutten." (Zach.14:16)

 

Omdat de Joden in deze dagen hun jaarlijkse Loofhuttenfeest vieren, willen wij aan de betekenis van dit feest hier onze aandacht wijden.

 

Hoe ook Israël is geslagen en uiteen gedreven naar verschillende landen, de Soek-kah of Loofhut is gebleven en staat nog midden in het Joodse leven. Een en ander hierover kan men lezen in "Joodse Riten en. Symbolen" door rabbijn S.Ph. de Vries.

 

Vijf dagen ná de Grote Verzoendag, op de 15e Tischrie, begint het loofhuttenfeest.

Reeds aan de avond van de Grote Verzoendag, ja, reeds daarvoor, begint men met het maken van de toebereidselen. Er wordt in de tuin, op de veranda of op het balkon, voor de familie een huisje, of hutje, in gereedheid gemaakt, gevlochten van twijgen, riet, stro en hooi.

 

Al naar men vermag, ziet zo’n hutje er mooi en geriefelijk uit, maar soms ongelooflijk primitief. Een ieder van de huisgenoten beijvert zich om iets aan de loofhut te doen voor haar versiering of gezelligheid. Het wordt een week van kamperen vlak bij huis, in de loofhut.

Men huist en eet daar en ontvangt er visite. En, visite komt er.

Het is er een komen en gaan, en een gaan en ko­men. Vooral des avonds is het in de Loof­hut het hoogtepunt van gezelligheid. Maar terwijl men in de maand Tischrie in Pales­tina nog niet aan regen denkt, moet men elders, zoals in ons land, daarmee wel rekening houden. Er moet dus wel voor ge­zorgd worden dat men in de Loofhut niet doornat regent of voor het hemelwater op de vlucht moet gaan.

 

Om zich daarvoor te vrijwaren is men er op bedacht, steeds een goede afdekking voor de hut bij de hand te hebben. Zo heeft de Soekkah zich steeds onder alle hemelstreken gehandhaafd.

 

Naast de Loofhut hoort ook de Plantenbundel, de Loelab. Deze bestaat uit een palmtak, waaraan rechts drie geurende myrthe-takken en links twee onnozele wil­gentakjes zijn bevestigd. Bovendien is daar­aan nog een vrucht bevestigd, die veel overeenkomst heeft met een citroen. Bij het ochtendgebed neemt men de Loelab ter hand en gaat er mee ter synagoge. Aldaar houdt men er ommegangen mede rondom de Thora of wetsrol. Men heft daarbij het Hallel aan. Deze bestaat uit de psalmen 113 tot en met 118.

 

Onder het zingen van de verzen 1-4, 25 en 29 van deze psalm, maakt men dan met de Loelab op en neerwaartse bewegingen naar alle windstreken.

"Looft de Here, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid!".

 

In Lev.23:42-43 lezen we het voorschrift des Heren aan Mozes gegeven betreffende het Loofhuttenfeest. "Zeven dagen zult gij in loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen, opdat uwe geslachten weten, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb”.

 

Het slavenvolk van Egypte en het zwer­vend volk in de woestijn is door God ge­bracht in het beloofde land Kanaän. Het was geworden een onafhankelijk, vrij volk, wo­nende op eigen bodem. Om dit het volk te doen beseffen, zou het jaar op jaar, een volle week, symbolisch als het zwervend volk in de woestijn leven. Zij zouden dan hun vaste woningen verlaten en gaan vertoeven onder het broze dak van een hut.

 

Daarmee zouden zij gedenken hoe God Zijn volk veer­tig jaar in hutten had doen wonen, het had bewaard en geschonken wat het tot levens­onderhoud van node had.

Maar ook, wat een ommekeer voor Israël toen het eindelijk het beloofde land ontving. De Here schonk het een uitermate goed land. Daarom, niet al­leen dat het een gedenkfeest zou zijn aan de vorige zwerftocht, maar ook een feest van dankbaarheid voor de rijke zegen, die het ontving met de schenking van het land als een erfgoed van de Heer.

 

Vandaar dat het Loofhuttenfeest gevierd werd als de oogst was binnengehaald. Wanneer, na noeste arbeid, de werkzaamheden waren geëindigd en men de zegen des Heren in handen had, de vruchten zowel van de akkers als van de Ooft-, wijn-, en olijfgaarden, dan zou men met blijdschap en dankbaarheid tot de Heer naderen.

 

Dan moest iedere Israë­liet voor het aangezicht des Heren ver­schijnen in Zijn heiligdom en Hem aldaar danken voor de geschonken zegen. Dankbare blijdschap was dan een, de Here meest welbehagelijke Godsdienst.

 

Deze dankbare en vrolijke stemming werd nog bevorderd door het wonen in hutten. Op straten en pleinen, op daken en in de tuinen, overal stonden loofhutten. Met het ronddragen van takken met schone vruchten en het houden van vro­lijke maaltijden, drukte men onder elkander zijn vreugde en dankbaarheid uit.

Zo was het Loofhuttenfeeat bij uitstek een feest van vrolijkheid naar des Heren woord in Lev. 23:39.40-.

"Doch op de vijftiende dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult ingezameld hebben, zult gij des Heren feest zeven dagen vieren; op de   eerste dag zal er rust zijn, en op de achste dag zal er rust zijn. En op de eerste zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palm­takken en meien van dichte bomen, met beek­wilgen; en gij zult voor het aangezicht des Heren uws Gods vrolijk zijn."

 

Zoals wij in het begin reeds schreven, onder alle windstreken der aarde  vieren de Joden nu nog het Loofhuttenfeest. Het is voor ons duidelijk, dat voor hen dit feest thans echter geheel zijn betekenis heeft verloren. Daarom is het wel opmerkelijk, dat de Heer door de profeet Zacharia in het 14e hoofdstuk spreekt, dat in de toe­komst de volken van jaar tot jaar zullen optrekken, om het feest der loofhutten te vieren.

 

Bij aandachtige beschouwing wordt het ons duidelijk, dat dit hoofdstuk ons verplaatst in het komende Vrederijk op aar­de, want, daar lezen we: "En de Here zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de Here één zijn, en Zijn naam één”.

En dan vervolgens: “En het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen geko­men zijn, die zullen van jaar tot jaar op­trekken om aan te bidden de Koning, de Here der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten”.

Alsdan zal Israel na "de bange ure van Jakob" doorleefd te hebben, zich geheel en van ganser harte bekeerd hebben tot Christus, hun Zaligma­ker. Na de eeuwenlange ballingschap zal Israël dan zeker wonen in zijn land, een iegelijk onder zijn wijnstok en onder zijn vij­genboom.

 

Maar, zo vragen wij hier, zal de Heer als­dan van hen verlangen om het feest der loof­hutten, hun door de wet van Mozes gegeven, wederom te gaan vieren? En dan niet alleen de Joden, maar ook de andere volken, de overgeblevenen der heidenen".

 

Met deze laat­sten worden bedoeld degenen, die mede onder de antichrist hebben gestreden, maar zich in de eindstrijd in de grootste, benauwdheid en vertwijfeling nog tot God bekeerd hebben, waardoor zij van een gewissen dood zijn gespaard gebleven. (Openb.15:4).

Zou het waar kunnen zijn, dat God alsdan van de bekeerde Joden en overige christelijke volken zal verlangen, dat zij, jaar op jaar, zullen optrek­ken om met elkander in loofhutten vrolijk te zijn?

 

Wij menen, dat deze opvatting van het woord van Zacharia te oppervlakkig zou zijn. De Joden toch zullen bij hun bekering niet terugkeren tot de dienst van het O.Verbond, maar als christenen tot het N.Verbond behoren. Zij zullen dan de Heer dienen in geest en waarheid!

 

De H.Schrift leert ons, dat de wet een schaduw heeft der toekomende goederen.

De feestdagen der Mozaische wet spreken in de­ze al een heel duidelijke taal.

In Deut.16:9,16 lezen we: "Driemaal in het jaar zal al­ wat mannelijk onder u is, voor het aan­gezicht des Heren uws Gods verschijnen in de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest, der ongezuurde broden en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten”.

 

De schaduw van de ongezuurde broden vindt haar heerlijke vervulling in het offer van de zondeloze Heiland, waardoor wij uit de macht van de boze zijn verlost geworden en gebracht tot de vrijheid der kinderen Gods.

 

Het feest der weken, of het Pinksterfeest, is voor ons geworden het feest van de uit­storting van de H.Geest, waardoor een rijke geestelijke oogst in de hemelse schuur zal binnengebracht worden.

 

Nu rest ons nog het derde genoemde feest, het feest der loofhutten.

Wij vieren dit niet, omdat het geen  christelijk feest is. Het had slechts zin en betekenis voor de Joden toen zij onder het O.Verbond leefden in het land Ka­naän. Maar heeft dit feest, dat onder de drie voornaamste feesten van Israël werd genoemd, voor ons dan generlei geestelijke betekenis of voortzetting? Ongetwijfeld!

Maar de tijd is daarvoor nog niet aangebroken.

 

De veertigjarige zwerftocht van het volk Israëls door de woestijn is de type van de strijdende kerk op aarde.

Het ongedurige leven in verplaatsbare tenten tekent ons, dat we hier geen blijvende stad hebben, maar een toekomende verwachten. Aan allerlei gevaren stond Israël bloot in de woeste, huilende wildernis; gevaren van wild gedierte, giftige slangen en roofvogels.

 

Moet het kind Gods ook niet steeds wakende zijn tegen de machten der duisternis, die hem trachten te bespringen en te beroven van het leven Gods?

Maar temidden van al deze gevaren leidde de Heer Zijn volk door de vuurkolom en woonde tussen de cherubs in het heiligdom. Elke dag schonk Hij het in de dorre woestijn brood en gaf water om te drinken.

Wat al voorbeelden van de geestelijke zegeningen, die de kinderen Gods in de strijdende kerk op aarde van hun God dag aan dag mogen ontvangen.

 

Hij voedt hen met het brood des levens en doet hen drinken uit de fontein der levende wateren.

Voor Israël was Kanaän de beloofde erve, het land, waar de Heer het na de veertigjarige zwerftocht, rust zou schenken.

Ka­naän is de type van het Vrederijk, het Koninkrijk van Christus op aarde. Jesaja pro­feteert daarvan: "en zijn rust zal heerlijk zijn”. Dit zal voor de aarde zijn de rust van de zevende dag, waarop God rustte van al Zijn werken. Want er blijft een rust over voor het volk Gods (Hebr.4).

 

Toen Israël Kanaän inging, klom het op uit de woestijn.

Zo zal ook de strijdende Kerk opklimmen uit de levenswoestijn. In het Hooglied lezen we in het 6e hoofdstuk vers 5: “Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haren Liefste?"

Het is de bruid des Heren die na haar aardse strijd ingaat in de beloofde erve. Leunend op de beloften Gods gaat zij het rijk des Heren in.

 

Nu mag zij van haar Bruidegom roemen:”Gij hebt ons onze God gemaakt tot koningen en pries­ters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde”. (Openb.5:10). De kerk zal dan de zegevierende kerk zijn op aarde.

Alle moeite en strijd zullen dan geëindigd zijn. Ook zullen dan de onderlinge strijd en onenigheden der verschillende kerkafdelingen niet meer zijn. Het zal zijn één kudde en één Herder. De Here zal te dien dage één zijn en Zijn naam één. Alsdan zal de kerk één zijn, staande in de ordeningen Gods, zoals Hij deze in de aanvang, voor 19 eeu­wen, had geschonken. Als strijdende kerk heeft de bruid des Heren, de uitverkorene, naar deze ordeningen Gods geleefd onder verachting, smaad en hoop.

 

In het rijk der heerlijkheid zal men de verheerlijkte bruid prijzen. We vinden deze lofprijzing vermeld in Hooglied 7: "Hoe schoon zijn uwe gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de om­draaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaar, uw lengte is te vergelijken bij een palmboom."

De zuivere verkondiging van het woord Gods door de bruid wordt als­dan geroemd en haar lengte vergeleken bij een palmboom. De palmboom is voor de bevol­king van de landen, waar hij groeit, van onschatbare waarde.

 

In Ps.92 wordt de recht­vaardige vergeleken bij een palmboom. De ware rechtvaardige is Jezus Christus. De bruid is tot deze geestelijke lengte opgewassen, doordat zij heeft gewandeld in de ordeningen, die God aan Zijn gemeente had gegeven.

 

Paulus schrijft over de wasdom in Efeze 4. Hij zegt aldaar, dat de ten hemel gevaren Christus aan Zijn kerk gaven en bedieningen heeft gegeven nl. apostelen, profeten, evangelisten en herders, tot de volmaking der heiligen en opbouwing des lichaams van Christus totdat zij allen zouden komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van de Zone Gods, tot een vol­komen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus. En deze grootte heeft zij nu, in haar verheerlijkte staat, bereikt.

Haar lengte is nu die van de palmboom, Christus, de Rechtvaardige.

 

Het vurige verlangen van de volken in het Vrederijk zal zijn om tot de ware orde en volmaaktheid der kerk van Christus op te klimmen. Dit verlangen wordt uitgedrukt in het 8e vers van Hooglied 7: "Ik zeide, Ik zal op de palmboom klimmen, ik zal zijne takken grijpen”.

De palmtakken te grijpen, zal het zoeken zijn der volken die zalig worden en in het licht Gods zullen wande­len.

Takken zijn het beeld der ordeningen.

De ordeningen Gods, zoals de bruid die reeds bezat in haar staat der nederigheid onder kruis en 1ijden, zullen zij alsdan na­volgen. De grote oogst van de wereldakker is binnengehaald. Dankbaarheid en blijdschap vervult de harten der volken. Dan zal de triomferende kerk gedenken aan de vorige tijden. Zij zal gedenken aan al het leed, de moeite en strijd, waaronder zij geleefd heeft, maar waarin de Heer der kerk haar altijd nabij geweest is; dat Hij in de ontzaglijke strijd tussen het licht en de duister­nis niet heeft toegelaten, dat de poorten der hel Zijn gemeente zouden overweldigen.

Van jaar tot jaar zullen de volken optrek­ken tot de grote Koning, Die Davids troon beklom, om vrolijk te zijn voor het aange­zicht des Heren en Zijn verheerlijkte pries­ter-koningen.

En, staande in de heilsordeningen (palmtakken) zal het grote hallel der zegevierende kerk gezongen worden met het herhalende refrein: "Looft de Heer, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid”.

Dat zal de waarachtige blijdschap zijn die God Zijn volk heeft bereid. SdJ