KALEB DE MAN DIE EEN ANDERE GEEST HAD.
Doch mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is en hij volhard heeft mij na te volgen, zo zal ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. Numeri 14:24.
Kaleb is de enige persoon in de Bijbel, van wie de Here zegt: een andere geest is met hem geweest.
Merkwaardigerwijze wordt deze man gelijktijdig verbonden met de belofte in dat de ganse aarde met de heerlijkheid des Heren zal worden vervuld.
Wanneer wij nu de diepere oorzaken van Gods getuigenis over Zijn knecht Kaleb overdenken, dankunnen wij ons alleen maar verwonderen. Geheel Israël viel in die dagen af van het levend geloof. Het gehele volk morde, alleen Kaleb niet.
God gebruikt vaak een enkel mens, door wie de gehele wereld met Zijn heerlijkheid kan worden vervuld. Kaleb leefde in een uiterst gevaarlijke tijd, want de vraag of geloof dan wel ongeloof zou zegevieren, bewoog de hemel en de aarde.
Het ging om het beloofde land Israël in bezit te nemen en te behouden. Over geheel Israël kwam net als in onze dagen het defaitisme, het doffe berusten in het Wij kunnen niet.
Maar God de Here heeft toen wonderbare dingen aan Zijn volk gedaan, zoals Hij dit ook thans nog doet. De toestand zag er maar gevaarlijk en dreigend uit, want altijd, wanneer Gods Woord tot daden overgaat, stelt zich de vijand fel te weer.
De vijanden van Israël zijn ook vandaag daarom zo woedend en in opstand, omdat Israël tussen Gods belofte en vervulling in staat.
Dit is toch in uw eigen persoonlijk leven ook zo: als u aan de grens staat van de volheid van God, tracht het ongeloof u te verlammen.
Welnu, Kaleb stond precies tussen Gods belofte, ja, tussen Gods eed en de inlossing daarvan, in.
De Heer zegt in Numeri 14:23 Zélf, dat Hij het land hun vaderen gezworen had om te geven en Jozua en Kaleb roepen het uit: Indien de Here een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven, een land hetwelk van melk en honig is vloeiende vers 8.
Dus bevonden zij zich tussen belofte en vervulling in. Wij staan vandaag midden in de vervulling van het profetische Woord. Het is uiterst verhelderend en veelzeggend om die personen in Profetisch licht te zien, die het als enkeling, als weinigen waagden om aan het geloof vast te houden en zich door niets te laten ontmoedigen.
Want steeds weer, als de Here begonnen is om Zijn belofte waar te maken, komt hiertegen een geweldige, vrees aanjagende stroom van ongeloof in 't geweer. Ja, wanneer de vervulling van de Goddelijke belofte in onze ogen onmogelijk is geworden, is God al begonnen om haar tot heerlijke werkelijkheid te maken.
Wat was de eigenlijke achtergrond van het ganse gebeuren in Numeri 13 en 14?
Niet alleen, dat ongeveer tien vijandelijke volken moesten worden verslagen en Israël het land in bezit moest nemen: dit behoorde alleen maar tot de gegeven doelstelling. Het ging in wezen echter om dat, waarover Numeri 14:21 spreekt: Doch zekerlijk, zo waarachtig al Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des Heren vervuld worden.
De heerlijkheid en de majesteit van God ware aan gevaar bloot gesteld, wanneer deze sleutelpersonen er niet geweest zouden zijn. Daarom zijn de sleutelpersonen van zo'n beslissend gewicht. God heeft in de gehele heils geschiedenis steeds sleutelpersonen gehad, mensen als Daniël, David, Jeremia, Jesaja, en, in het Nieuwe Testament zelfs een kind, de kleine jongen, want, nooit zou heerlijkheid van onze Heiland bij de spijziging van de vijfduizend zó tot openbaring zijn gekomen, wanneer die jongen er niet geweest zou zijn, die onvoorwaardelijk in de Here Jezus geloofde en Hem alles ter beschikking stelde.
Met Mozes en Jozua is dit alles wel heel duidelijk, want die beiden stonden óver en bóven het volk van Israël en worden hier ook nauwelijks door de Here vermeld: ieder voor zich immers typeert op aangrijpend priesterlijk profetische wijze de Here Jezus.
Ik zie Mozes als de priester, die in Numeri 14:13-19 ten behoeve van het volk het aangezicht van God zoekt, en dan zegt de Heer in vers 20: Ik heb hun vergeven naar uw woord.
Daartegenover riep Jozua, die de naam van Jezus draagt, het moedeloos geworden volk profetisch toe, dat zij het land in bezit konden nemen.
Mozes richt zich dus tot God, terwijl Jozua zich richt tot het volk en zo geven beiden een uitbeelding van een aspect van het ambt van de Here Jezus. Doch nu komt de beslissing: Jozua was een worstelaar in het geloof, doch hij was dit niet alleen, maar samen met één enkele man uit het volk: met Kaleb.
Nadat de verspieders hun slechte nieuws aan het volk hadden bekend gemaakt, grijpt het ongeloof als een zwarte stroom om zich heen en dan begint de gehele vergadering te morren en te schreeuwen.
Op dat moment springt Jozua samen met Kaleb in de bres: En Jozua, de zoon van Nun en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen en zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn om het te verspieden, is een uitermate goed land. Indien de Here een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven, een land hetwelk van melk en honig is vloeiende. Allen zijt tegen de Here niet wederspannig. Numeri 14: 6-9a.
Zo zien wij in Jozua een beeld van de Here Jezus en in Kaleb een beeld van hen, die Jezus navolgen, waarom de Here ook, als Hij over Kaleb spreekt, er de nadruk oplegt: hij heeft volhard mij na te volgen vers 24.
De naam Kaleb betekent niet voor niets hond, zo trouw als een hond, die zijn meester op de voet volgt. De Here zoekt ook in onze dagen zulke getrouwe navolgers van Jezus. God, de Here, ziet uit naar zulke afgezonderde Kalebs, die in de branding van de afval, waarin onze theologische verspieders het Woord Gods door hun verstandelijke argumenten krachteloos maken; Kalebs, die als een rots blijven staan, die in qrote getrouwheid de Heer navolgen.
WILT U OOK NIET ZO'N KALEB ZIJN'?
De Heer gaf van Kaleb getuigenis, dat hij een ándere geest, en wel de geest van het geloof had; het was echter óók de geest van zekerheid zoals wij dit in Romeinen 8:16 kunnen lezen: Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.
Een mens, óók een christen, moet in de golven van het ongeloof mee zwemmen, wanneer hij deze andere geest niet heeft. Maar, zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Romeinen 8:9.
Let hierbij op de uitdrukking van des Heer: een andere geest.
De zeshonderdduizend Israëlieten waren allen van één en dezelfde geest vervuld: van de geest van het ongeloof, die hen omlaag trok, hen aanklaagde en hen deed lamenteren: Wij kunnen niet, wij zijn hiertoe niet in staat en mogen en kunnen de belofte van de Heer niet zo in volle ernst opnemen, want dat geldt toch niet meer voor onze dagen ?.
Naast Mozes en Jozua had slechts één ánder mens de Heilige Geest, en dat was Kaleb die sprak: Wij kunnen.!!
Kaleb was een man met een sterke geloofsovertuiging: Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken en dat erfelijk bezitten want wij zullen dat voorzeker overweldigen. Numeri 13:30.
Wilt u hierbij vooral acht slaan op de besliste, vastbesloten en niet mis te verstane staving van zijn bewering, want met deze uitspraak van Kaleb hebben wij in de Bijbel een uniek bewijs dat Israël werkelijk op dat tijdstip het land Beloofde Land in bezit had kunnen nemen, dus niet pas veertig jaren later.
Het is overigens van belang om vast te stellen, dat wij vandaag alle dingen in naam van de Here Jezus kunnen doen. Het is daarom van eminente betekenis om duidelijk in te zien, dat het ongeloof van het volk in feite de hindernis was, zoals Hebreeën 3:19 zegt: En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.
En dat niet omdat het hiervoor de tijd nog niet was. Er zijn onderzoekers van de Schrift, die beweren dat de tijd voor Israël om het beloofde land in te trekken, toen nog niet was aangebroken, doch de Bijbel spreekt juist anders en heel duidelijk over dit punt. Niet de Amorieten of andere sterke vijanden en niet de ongelegen tijd verhinderden hun intocht, doch alleen hun ongeloof. Zij hadden dus het land moeten en ook in de naam des Heren kunnen intrekken. De weg lag voor hen open. Kaleb, de man met het duidelijke oordeel des geloofs sprak met grote zekerheid: Laat ons vrijmoedig optrekken en dat erfelijk bezitten, want wij zullen dat voorzeker overweldigen.
Wij zouden er daarom - ons ter waarschuwing - de nadruk op willen leggen: Zij waren op dat ogenblik evenzo in staat het land in bezit te nemen als op welke andere tijd dan ook - zoals veertig jaar later, omdat Hij, Die aan hen het land had gegeven, de enige Bron van hun flinkheid en bekwaamheid was en de eeuwig Onveranderlijke is.
U moet dus niet wachten om het erfdeel te veroveren, want wanneer ge werkelijk gelooft, wanneer ge de andere geest van Kaleb hebt, kunt gij het in bezit nemen.
Dat bedoelde Mozes ook, toen hij in Deuteronomium 1:21 zei: Zie, de Here uw God heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Here uwer vaderen God tot u gesproken heeft; vreest niet en ontziet u niet.
Mocht iemand soms menen, dat Mozes hier gelogen heeft?, volstrekt niet! Hij sprak door de inspiratie van de Heilige Geest. Doch dan lezen wij verder in vers 22: Toen naderde gij allen tot mij en zeide: Laat ons mannen voor ons aangezicht henen zenden, die ons het land uitspeuren en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen en tot wat steden wij komen zullen.
Men moet er dus duidelijk aan vasthouden: de verspieders worden op initiatief van de Israëlieten uitgezonden. Laten wij toch niet Gods geheime raadsbesluiten als voorwendsel gebruiken om in ongeloof te volharden. Wij kunnen niet zeggen, dat Israël veertig jaren in de woestijn MOEST blijven totdat het volk rijp was geworden om Kanaän in bezit te nemen, want zij hadden het toen al kunnen veroveren.
Wij kunnen nu in de naam van Jezus voorwaarts trekken en het land, dat vóór ons ligt, tot het onze maken. Laten wij toch niet luisteren naar de 'verspieders', naar die rationele theologen, naar die mensen, die betogen dat men de zichtbare wereld meer moet geloven dan de eeuwig onzichtbare.
Met dat, wat deze mensen uitdenken, wordt het koninkrijk van God niet gebouwd. Het is eigenaardig, hoe de verspieders op de moderne theologen gelijken: alles be-amen en alles ontkennen.
Nadat zij veertig dagen door het land waren getrokken, zeggen zij heel optimistisch in Numeri 13:27: Wij zijn gekomen tot het land, waarhenen gij ons gezonden hebt en voorwaar het is van melk en honig vloeiende en dit is zijn vrucht, máár, onmiddellijk daarop volgt dan de ontkenning, de afwijzing: Behalve dat het een sterk volk is hetwelk in dat land woont en de steden zijn vast en zeer groot en ook hebben wij daar Enaks kinderen gezien . . , . het is sterker dan wij . . .. alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden. vers 28, 31, 32 .
Zij spreken per slot van rekening alleen nog maar over de reuzen en in het geheel niet meer over God. Wij zijn bewust of onbewust door ons verstand beïnvloed. Ons verstand nu be-aamt alles: het aanvaardt God en de Bijbel en gelijktijdig wijst het alles af.
Waar zijn de mannen met een andere geest?
Laat ons Kalebs zijn; Kalebs voor het bedreigde Israël alsmede voor de gemeente van Jezus Christus, die de moed laat zakken. Israël ontvangt vandaag adviezen zowel van zijn Amerikaanse verspieder Kissinger als van de negen Europese landen om zijn vijanden toch niet te prikkelen en vergaande concessies te doen.
De Gemeente van Jezus Christus wordt vandaag over 't algemeen de raad gegeven om toch vooral terwille van de lieve vrede tolerant te zijn: dat zijn deze onwaardige tien verspieders. God moge zowel in Israël als hier Kalebs met een andere geest verwekken!
Er zijn er maar weinigen, waarom 2 Kronieken 16:9 dan ook zegt: Des Heren ogen doorlopen de ganse aarde om zich sterk te bewijzen aan degenen welker harte volkomen is tot Hem.
Lezer, lezeres, is uw hart geheel en al aan God gewijd?
Bent u een Kaleb?
Hebt u een andere geest dan degenen, die om u heen zijn?
De Here Jezus heeft zo nadrukkelijk gevraagd: Doch de Zoon des mensen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde ?. Lucas 18:8.
Waar zijn de Kalebs onder ons?
Verzet u niet langer tegen een geestelijk ontwaken; heb de moed om tegen de stroom op te roeien. Kaleb was de man die in leven bleef; niet alleen stierven zijn 10 medeverspieders, maar óók de vele honderdduizenden Israëlieten van zijn generatie. Maar hij bleef met Jozua in leven, omdat hij op de gezegende bodem van het geloof in de levende God stond.
Wanneer wij deze basis hebben, dan kunnen wij het volgende vaststellen: niet alleen eren wij God met zulk een geloof dat temidden van een menigte van tegen de 600 OO0 ongelovigen toch wel uniek was, doch God Zelf eert steeds het geloof, dat Hij Zelf in een ziel heeft geplant. Het is Zijn eigen gave, doch een gave welke Hij gaarne schenkt, waarom dan ook de Here heeft gezegd: U geschiede naar uw geloof.
Doch ook het tegendeel is waar: U geschiede naar uw ongeloof. De Here bestrafte Israël doordat Hij hen naar de woestijn teruggedreven heeft, omdat zij niet geloofden. Numeri 14:40-45.
Nú trachten zij het land achteraf nog in eigen kracht te veroveren. Doch, Mozes riep hen toe: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des Heren? want dat zal geen voorspoed hebben. Numeri 14:41-
Waarom slaagde Israël toen niet meer in zijn pogen ?. Omdat zij de Here hadden uitgeschakeld! Omdat zij zich hadden laten bewegen om voor de zichtbare wereld te kiezen en zich bang lieten maken door reuzen en grote, sterke en versterkte steden en niet - zoals Jozua en Kaleb dit deden - met de levende God rekening hielden, maar nu willen zij het geloof nabootsen.
Doch zulk een geloof heeft geen steunpunt in God en moet daarom schipbreuk lijden (vergelijk ook Hebreeën 11:29b]--.
Laat ons nu zien, wat er 45 jaar later plaatsvond: Kaleb, een nauwgezet man die de Heer in grote getrouwheid navolgde, heeft niet alleen getuigenis van zijn geloof afgelegd: Wij zullen het land voorzeker overweldigen, doch hij volbracht later--toen de Heer hem dit toestond--, ook een daad des geloofs, want die zelfde kinderen Enaks, bij wiens aanblik het gehele volk faalde en de moed verloor, Genesis 13, heeft Kaleb, op de leeftijd van 85 jaar in Hebron verslagen.
Dat lezen wij immers in Jozua 15:13-14: Doch Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar de mond des Heren tot Jozua: de stad van Arba--(vader van Enak)--, dat is Hebron. En Kaleb verdreef vandaar de drie zonen Enaks: Sesai en Ahiman en Talmai, geboren van Enak.
Hij kende geen vrees, waarom dan ook Kalebs geloofsgetuigenis met zijn vijfentachtig jaren- (dus 45 jaar later)- frisser en krachtiger was dan ooit tevoren: En nu, zie, de Here heeft mij in het leven behouden, gelijk als hij gesproken heeft: het zijn nu vijfenveertig jaren sedert de Here dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde en nu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud: ik ben nog heden zo sterk gelijk als ik was ten dage toen Mozes mij uitzond, gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht tot de oorlog en om uit te gaan en om in te gaan. Jozua 14:10,11.
Kaleb verzekert daarmede ook, dat de Here steeds Dezelfde blijft, dat Zijn overwinningskracht nimmer beperkt is voor hen, die onbeperkt in Hem geloven en dat het niets ter zake doet of wij nu jong of oud zijn.
In Kaleb werd openbaar, wat wij later door de mond van Paulus vernemen in 2 Corinthe 4:16: Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
Er zijn mensen, die werkelijk steeds ouder worden en dan zichtbaar vervallen en verouderen, doch er zijn ook mensen --en dat zijn Kaleb- naturendie zo vast, zo vol vertrouwen op de onzichtbare God rekenen en dat doen van dag tot dag, van maand tot maand, ja, van jaar tot jaar, dat zij steeds jonger worden.
De eeuwige jeugd straalt door hun gerimpeld gezicht heen, zodat zij met Kaleb. zelfs al worden zij 85, 90 of 100 jaar, kunnen getuigen: Gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, want bij de Here is geen verandering.
Dit belooft ook Psalm 92:13-16: De rechtvaardige zal groeien als een pa1mboom, hij zal wassen als een cederboom op Libanon. Die in het huis des Heren geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods; In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn om te verkondigen dat de Here recht is; Hij is mijn rotssteen en in Hem is geen onrecht.
De verjongingsmiddelen, welke door onze apothekers worden aangeprijsd, geven geen baat, doch de waarachtige levensgemeenschap met de Here houdt u werkelijk tot in hoge ouderdom jong.
Laat mij tenslotte nog eens tot de dagen, waarin wij thans leven, terugkeren: Kaleb uit de stam van Juda vertegenwoordigt ook de Joden van heden, ook het huidige Israél. De levenskracht van de kinderen Israél's is ondanks zijn vele vijanden ongebroken. Hoe zal het zijn, wanneer geheel Israél zijn vertrouwen alleen op de Here zal stellen?
Dan zal het een zegen zijn voor de gehele wereld, dan namelijk wanneer in de harten van het volk van Israël een andere geest komt. En ik mag aan u vragen: Wat kunt u zijn wanneer ge breekt met uw snood ongeloof en uw vertrouwen geheel op God stelt?
Ik zal u hierop een Bijbels antwoord geven: Stromen van levend water zullen uit uw binnenste vloeien! Kaleb zwom niet alleen tegen de stroom van ongeloof op, doch hij zelf bevat levende bronnen. Hij mocht reeds tevoren ondervinden, wat de Here Jezus eeuwen later zeide: Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien Johannes 7:38.
Dat hebben zowel zijn omgeving als zijn gezin gezien. Eén van zijn dochters kwam tot hem en zei:Geef mij toch een huwelijksgift nu gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterbronnen. Toen gaf hij haar de hoog- en de laaggelegen bronnen. Jozua 15:19 N.Vert.
Kaleb bezat twee soorten bronnen, een dubbele maat van dat kostbare nat in Israël, hooggelegen en laaggelegen. De vraag van Kaleb's dochter is die van miljoenen mensen aan de Kalebs van vandaag: Geef mij een zegen, geef ook mij waterbronnen !
Nu willen wij u heel persoonlijk vragen: Hebt u eveneens hoog- en laaggelegen bronnen, dat wil zeggen: hebt u gezorgd voor die hemelse stromen van levend water, omdat uw wandel met de Here Jezus in de hemel is; omdat ge, - zoals Efeze 2:6 dit zegt: medegezet bent in de hemel in Christus Jezus ?.
Kent u ook de laaggelegen bronnen in uw leven, welke opborrelen uit de diepte van het lijden? Kaleb moest veertig jaren lang met de ongelovigen door de woestijn trekken, ofschoon hij zelf van ganser harte bereid was geweest om het land in bezit te nemen. Wat heeft hem dit veel verdriet berokkend!
Doch op deze wijze ontving hij de laaggelegen bronnen, zó werd zijn verdrukking, 2 Corinthe 4:17, in heerlijkheid omgezet.
Spoedig zal geheel Israël uit louter Kalebs bestaan, die, zichtbaar voor de gehele wereld - zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen hebben: vloeiende vanuit de diepte van het lijden en uit de innige verbondenheid met de Heer Jezus Christus.
En u.?
Wordt toch een Kaleb. ! ©sdj