Jozefs Beker:

Genesis 44:5.

Wij kennen allen de geschiedenis van Jozef en zijn broeders, en, wij weten hóe heimelijk de hofmeester van de onderkoning van Egypte, op diens bevel, de zilveren beker van Jozef in de zak van Benjamin verborg.

Wanneer Jozef aan zijn dienaar het bevel geeft om zijn broeders te achterhalen, dan zegt deze dienaar tot hen, (de broeders van Jozef): “”Is het déze niet, daar mijn heer uit drinkt en waarbij hij iets zekerlijks zal waarnemen?””

Velen van ons zullen deze laatste woorden wel hebben gelezen, en er over nagedacht hebben.

Wát betekent: “Waarbij hij iets zekerlijks waarnemen zal”?

Wij moeten toegeven, zoals het hier staat is het moeilijk om zich er een gedachte over te vormen. De Duitse Bijbelvertaling van Luther zegt: “Waarbij hij profeteert”.

Andere vertalingen zeggen allen ongeveer hetzelfde.

Een Franse vertaling zegt: “Waardoor hij onfeilbaar de toekomst voorzegt”.

Het was dus wel een zeer bijzondere beker.

De Bijbel geeft ons hiervan echter geen verdere verklaring, maar, de geschiedvorsers weten ons er iets meer van te vertellen.

Gerlach, een bekend Bijbeluitlegger, zegt in een aantekening bij deze tekst: “Wij vinden bij de ouden van een soort van waarzeggerij gewag gemaakt, die door middel van bekers geschiedde. (kulikomantie). Men meende daarbij de toekomst te kunnen ontraadselen, óf door de lichtstralen, die zich op de oppervlakte van het water spiegelden, óf uit figuren die er ontstonden, wanneer men kleine stukjes goud- of zilverblik op het water legde en er dan een steentje bij wierp. Deze figuren, die onder het uitspreken van bepaalde toverformules, door de gezegde beweging op de oppervlakte van het water werden gevormd, werden voor tekenen gehouden waaruit men de toekomst kon lezen.”

Deze soort van waarzeggerij was in de oudheid zeer verbreid.

In het mooie werk van Prof.Noordtzij: “Gods Woord en der eeuwen getuigenis”, lezen wij op bladzijde 218: “Wij vinden ze ook in de Eufraat-Tigrisvlakte. Hier wordt olie op het water gegoten en wordt uit de vormen die de olie aanneemt, de toekomst voorspeld. Zó heet het bijvoorbeeld “wanneer de olie zich oplost en de beker vult, dan sterft de zieke vóór de veldslag, dan komt het leger om” óf, “wanneer de olie zich aan de rechterkant van de beker hecht , dan geneest de zieke”. De priester heet hier dan ook zelfs “de oliekundige”.

Dat men aan de beker van Jozef deze toverkracht ook toekende, dat zegt hij zelf, wanneer zijn broeders vóór hem staan, want, wij lezen in vers 15: “En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, dat gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik, dat zekerlijk waarnemen zoude?”

Het woord “waarnemen” betekent hier letterlijk: “door waarzeggerij ontdekken”.

Nu is er heel veel gedebatteerd en getwist over de vraag of Jozef zélf óók het bijgeloof van de Egyptenaren deelde.

Gerlach zegt wel, dat hij dat voor zich, niet gelooft, maar voegt er aan toe: “Wij maken er uit op, hóe gevaarlijk voor Jozef en later ook voor de Israëlieten het verblijf in Egypte was, het Egypte dat een overvloedige bron was van allerlei bijgeloven”.

Prof.Noordtzij zegt hierover: “In hoeverre Jozef de invloed van zijn Egyptische omgeving heeft ondergaan, wordt niet in Genesis vermeld. Maar tóch is er één plaats die er m.i. op wijst dat ook hij niet ongestraft deel heeft gemaakt van de Egyptische priesterschap”.

En, dan behandelt hij onze tekst, en wijst er dan op dat de Here God aan Israël de waarzeggerij enz. verbiedt, en vervolgt dan: “Hiermede is het doen van Jozef geoordeeld. De pogingen van de kanttekenaren om Jozef vrij te pleiten, houden m.i. geen steek”.

Wij zélf zullen ons hier van een oordeel onthouden, maar willen er toch nog op wijzen, dat het spreken van Jozef, voor zijn omgeving in ieder geval gevaarlijk was.

Want, wáárom gebruikte zélfs de 0nderkoning een toverbeker?.

Dan war er toch zeker wel waarde aan te hechten.!

Wát hebben wíj nu te maken met de toverbeker van Jozef.?

Misschien méér dan wij denken, want, er is in deze geschiedenis een les.

Jozef was door de Here God begenadigd, en door dromen openbaarde de Heer aan hem de toekomst.

Niet alleen, dat God hem dromen schonk betreffende zijn eigen lot, maar óók bezat Jozef de gave om de dromen van een ander uit te leggen. (van de bakker en de schenker van de Farao).

Hij had dus álle redenen gehad om álle Egyptische tovenaars-voorwerpen uit zijn woning te verwijderen.

Heeft hij zélf dan misschien het bijgeloof niet gedeeld, hij gaf tóch aanleiding tot het vermoeden dat hij, als een door God begenadigd man, tóch nog waarde toekende aan al dergelijke onzin.

Het bijgeloof is alle tijden en op alle plaatsen, altijd zeer sterk geweest en dat is het heden ten dage nóg.

Ja, júist in onze dagen van “verlichting”.!!, is het méér dan ooit verspreid.

In alle grote dagbladen vindt men de advertenties van waarzeggers vermeld, het liefst onder allerlei vreemde namen.

Vooral Indische en Egyptische namen schijnen zeer aantrekkelijk te zijn, en, sommige van deze bedriegers verdienen veel geld en worden zelfs door aanzienlijke personen geraadpleegd.

Velen doen dit zogenaamd voor de grap, maar geloven heimelijk toch nog wel aan deze geheime kunst.

Hoeveel waarde hechten vele mensen niet aan allerlei voortekenen: ‘het krassen van de uilen; het huilen van honden; het morsen met zout; het afkloppen van boze dingen wanneer men er zich bij voorbeeld op heeft beroemd dat het een of ander ons nog niet is gepasseerd.

En, dát moet dan nog gebeuren op ruw hout, want anders baat het niet.

“Ik zal het maar gauw afkloppen” hoort men zelfs wel gelovigen zeggen, die dan ook de daad bij het woord voegen.

Vaak is dit slechts scherts, maar er schuilt misschien ook nog wel vrees in.!

Indien dit laatste onder ons zou voorkomen, dan zou dit een schande zijn, maar, wordt dit ondoordacht als scherts gedaan, dan is het toch nog af te keuren omdat dan ánderen, evenals bij Jozef, kunnen denken dat wij tóch nog zulke praktijken aanhangen.

Evenmin als Jozef, mogen wij, die de gaven van de Heilige Geest bezitten, ons nooit met een dergelijke onzin bezighouden, en, wij zijn voor de eer des Heren verplicht om ons in deze zaak, zelfs van de schijn van het kwaad te onthouden.

Wanneer een lid van de gemeente bijgelovige dingen gebruikt of steeds gedachteloos noemt, dan kán hij bij andersdenkenden, allicht de indruk wekken dat hij er misschien toch heimelijk wel waarde aan toekent.

Spreekt nu zo iemand met andersdenkenden over een profetie of visioen, waarvan wij de vervulling hebben beleefd of nog verwachten, dan zullen zij deze gave op één lijn stellen met alle bijgelovige uitspraken en voortekens.

En, wíe is dan de oorzaak dat onze naaste zondigt.?

Dat wij er toch voor zorgen dat wij het werk Gods niet ontheiligen door ondoordachte dingen en nog veel minder door heimelijk warde toe te kennen aan deze dwaasheden.

Wij onteren er de Here God mee, en dát is zonde.!

Wij gaan, in dit verband, nog een stapje verder.

Men hoort soms uit de mond van geloofwaardige en ernstige mensen, allerlei wonderlijke genezingen mededelen, die tot stand zijn gekomen door ‘slapende’ dames, door magnetiseurs, en wat dies meer zei.

Hoewel wij in eigen kring van kennissen nooit een dergelijk geval heb kunnen constateren, kunnen wij toch zo, zonder meer, maar niet zeggen dat al deze verhalen onwaar zijn.

Máár, hóe staan wij daar tegenover.?

Wij weten en kennen de weg die, in geval van ernstige ziekte, ons door de Bijbel wordt aangewezen: wij roepen de ouderlingen der gemeente, die ons zalven en over ons bidden.

Wanneer er daarna geen genezing komt, en de ziekte wordt erger en de pijnen ondraaglijk en de dokter ons niets kan geven tot verbetering, zullen wij dan ons misschien ook wenden tot een ‘slapende dame’, (somnambule), die, ó zó vroom, éérst in gebed gaat, of tot een magnetiseur?

De verzoeking komt tot ons en heeft het gemakkelijk, want de pijnen zijn ondraaglijk en ons gebed helpt niet, zo lijkt het alsof “de hemel van koper is”.

“Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze”, zó mag een kind Gods dan wel bidden.

Wanneer de Heer ons, door zalving niet wil genezen, zullen we dan onze toevlucht tot duistere machten nemen?

Dán zegt de verzoeker: “Maar, die krachten zijn toch óók uit God?

Dus, dan zou God ons, door Zijn kracht, wél willen helpen door middel van soms goddeloze lieden, en níet langs de weg die Hij aan ons in Zijn eigen Woord voorschrijft?

En, gesteld nu eens, dat een ‘somnambule’ u zou kunnen genezen, zou u dan die genezing uit de handen van de duistere machten aannemen?

Of zou u de Here God misschien óók kunnen verheerlijken door zonder morren het kruis te dragen dat Hij u oplegt, zodat de gehele omgeving gezegend wordt door uw groot vertrouwen en kinderlijke berusting?

In de tijd van de Christenvervolging konden de arme gevangenen steeds de vrijheid verkrijgen wanneer ze alleen maar, op de strafplaats, luidt zeiden: “De Keizer is God!”

Dán werden zij aan hun familie teruggegeven; de moeder aan haar kinderen en de man aan zijn gezin.

Maar, velen riepen luidt: “Christus is God.!” En die werden dan op allerlei gruwelijke manieren ter dood gebracht.

Maar, zij stierven als helden en zij zullen zeker in de Dag des Heren, als Overwinnaars worden gekroond.

Petrus moest óók God verheerlijken, zei de Heer, en hóe?

Met zijn marteldood!

Moge de beker van Jozef u tot zegen zijn, want, Genesis 44:5, staat niet zonder doel in het Boek der Boeken.sdj