Exodus 33:11-17: "Ik ken u bij name."
Dikwijls spotten de ongelovigen met de kinderen Gods, wanneer deze doen alsof zij de Here God persoonlijk kennen en door de Here God persoonlijk gekend zijn.
Tegen dergelijke spotters zei de Heer in Johannes 8:9: "Gij kent noch Mij, noch Mijnen Vader, indien gij Mij kendet, zo zoudt gij óók Mijn Vader kennen."
Zij, die van Christus zijn, mogen vrijuit zeggen: "Maar wíj kennen Hem", en, nóg sterker, "Indien wij zeiden dat wij Hem niet kennen, dan zouden wij leugenaars zijn."
Dat de Here God tegen een mens zegt: "Ik ken u bij name", dat is toch zeker wel de hoogste genade.
Terwijl daarentegen de hoogste ongenade is: "Ik ken u niet", Mattheus 25:12, óf, "Ik heb u nooit gekend". Mattheüs 7:22,23.
"Ik ken u bij name", wil dat nu zeggen dat Hij de, door de dochter van Farao geredde Hebreeer, Mozes heette.?
Neen.! De aardse naam heeft meestal heel weinig te maken met het wezen van de persoon, dat wil zeggen, dát, wat hij voor de Here God betekent.
In sommige gevallen in het Oude Testament, was de naam een zwak, flauw beeld van hetgeen de naamgever had bedoeld.
Wanneer de Here God tegen de mens zegt: "Ik ken u bij name", dan dringt dit woord door tot in de diepste grond van die mens en maakt hem tot Zijn kind.
Het: "door God gekend zijn", wordt dan openbaar in zijn gehele levensgeschiedenis.
Laten wij Mozes eens tot voorbeeld nemen.
Nauwelijks was hij geboren, of de Here God grijpt dit kindeke met Zijn machtige hand aan; en, na drie maanden verborgen te zijn geweest, wordt hij in het riet aan de oever van de rivier gelegd.
Dan moet de koningsdochter om te baden naar de Nijl gaan; het kind dat daar ligt, moet wenen, en, de trotse Farao door wie de Israëlieten verdrukt werden, moet de toekomstige redder van dit volk in zijn paleis herbergen; in dit kind een welgevallen hebben en hem dagelijks aan zijn tafel zien zitten en hem óók nog eens laten onderwijzen in alle kunsten en wijsheid van de Egyptenaren, waardoor deze Mozes als een jonge vorst opgroeide.
Het is wel merkwaardig, dat de bijbel ons verder niets meer vertelt over de pleegmoeder van Mozes; óók niet, hóelang zijn moeder bij hem in het paleis heeft mogen blijven.
Wanneer Mozes 40 jaren oud is en tot een krachtige en sterke man was opgegroeid, dan ontwaakt er bij hem een vurige begeerte om zijn volk te verlossen van de slavernij van Egypte en verslaat hij de Egyptenaar.
Maar, zo als het zo vaak gaat, hebben zij, die hij had willen helpen, zijn hulp afgewezen.
Mozes zélf was echter ook nog niet rijp voor dit grote werk want hij ging in eigen kracht.
Het was ook Gods tijd nog niet, en, Mozes moest toen vluchten naar Midian.
En, ook dáár zien wij weer een schijnbare samenloop van omstandigheden want de dochters van Jethro moesten naar de waterput om water te putten toen Mozes daar zat om uit te rusten.
Deze dochters werden door de herders van de put verdreven, maar Mozes verloste hen van deze herders, en, het gevolg hiervan was, dat deze voorname Mozes, zélf een herder werd die zijn kudden in de woestijn ging weiden; ze drenkte aan de waterfonteinen en uitrustte onder de 70 palmbomen van Elim.
Hoe zal het deze man zijn vergaan in zijn veertigjarige herdersleven.?
Al zijn vroegere illusies waren als een zeepbel uiteengespat en verdwenen. Het zal hem zeer zeker wel wonderlijk te moede zijn geweest wanneer hij terugdacht aan zijn koninklijke opvoeding en aan het volk dat zo bitter in Egypte verdrukt werd en waarvoor hij niets kon doen.
Wanneer hij naar de top van de berg Sinaï keek, dan kon hij niet vermoeden dat hij, over enige tijd, daar mét zijn volk, bevende voor de Here God zou staan.
Als man van 80 jaren was hij in het geheel niet meer begerig om iets stouts te doen of te ondernemen.
Máár, het doornbos-braambos-brand en daaruit weerklinkt een stem die aan de sidderende Mozes Gods naam bekend maakt: "Ik zal zijn die Ik zijn zal, Ik ben die Ik ben." Het is de eeuwig onveranderlijke God, de Bron van alle bestaan, die hier tot hem spreekt.
"Ik zal zijn die Ik zijn zal."
"Zijn" ook wij, mensen, dan niet.? Neen.! Wíj "worden".
Want evenals een boom of plant onophoudelijk, bij dag en bij nacht, in de zomer en in de winter, groeit en bloeit en vruchten draagt, zó wordt nu ongemerkt het kind tot een jongeling; de jongeling tot een man en de man tot een grijsaard.
En, zó moet ook de mens, door jeugd en ouderdom, door voor- en tegenspoed, opwassen en moet alles medewerken aan de groei van de mens zodat hij worden kan wat Gods Raad voor hem bepaald heeft.
De naam: "Ik ben", komt aan geen enkel schepsel toe, zolang de tijd zich nog niet in de eeuwigheid heeft opgelost.
Eerst dán zullen de kinderen Gods Hém zien en Hém gelijk zijn.
De moedige Mozes van weleer, wordt angstig en brengt zijn bezwaren bij de Here God naar voren. Als verontschuldiging voert hij aan: zijn zware tong omdat hij niet bespraakt is.
Maar ondanks dat, gaat hij, hoewel beschroomd, naar de Farao. En dán, aangedaan met grote kracht uit de Hoge, staat Mozes dan, samen met Aäron, voor de Farao en doet grote tekenen en wonderen waardoor het volk van Israel, als op vleugelen gedragen, wordt verlost en naar de Sinaï wordt gebracht.
Dáár, op de berg Sinaï, ontmoet Mozes dan het aangezicht Gods en ontvangt hij de Grondwet voor het volk dat daar, op dat ,moment, tot een eigen natie geordend wordt.
Dáár is Mozes de voorbidder en verkrijgt hij genade voor zijn volk wanneer de toorn van de Here God ontstoken is over de zonde die door zijn volk is begaan.
Om een klein vergrijp mocht Mozes zélf het Beloofde Land niet ingaan, maar mag hij het Beloofde Land vanaf de top van de berg Nebo aanschouwen als hij "sterft aan de mond Gods" en door God Zélf begraven wordt.
Wonderlijk.?
Even wonderlijk is het echter voor ons, dat de satan, met Michael die Grote Vorst, die voor de kinderen Israëls voor God staat, om het lichaam van Mozes twistte. (Judas 9).
Wat een grote tegenstelling.!
Terwijl Mozes op de berg bij de Here God was, maakte het volk een gouden kalf, waarover zij het uitriepen: "Dit zijn uwe goden o Israel, die u uit Egypte uitgevoerd hebben."
De tekenen en wonderen die door Mozes waren verricht, waren wel heel snel vergeten.!
Zó is het ook heden nóg.!
De Here Jezus sprak over de tijd van Zijn wederkomst, als van de wederkerende dagen van Noach.
Oók in onzen tijd maakt men zijn eigen goden, de reuzen der aarde, de mannen van naam, die de wereld zullen verlossen. Maar och arme, eer dat hun gebeente verteerd is, is hun roem en aanzien reeds geheel vergaan.!
Hoe geheel anders is het met de "van God verkorenen en de gekenden."
Welk een grote tegenstelling treft ons reeds in de onderscheiding Gods bij het "Ik ken u bij name", óf, "Ik heb u nooit gekend."
God kent hen niet, die met Zijn geboden geen rekening houden; ook hen niet, die de ongerechtigheid werken, ook al is het, dat zij bij name geroepen zijn om te prediken en te profeteren, om duivelen uit te werpen en krachten te doen.
In de dag des Heren zal Hij het aan hen openlijk aanzeggen:"Ik heb u nooit gekend." Mattheüs 7:22,23.
De Heer spreekt dit, van Zijn geroepen dienaren.!
En, of deze werkers der ongerechtigheid nu zullen bidden of smeken, dan wel tandenknarsend vloeken en lasteren, hun woorden breken ongehoord aan het verwulfsel der hel; God kent hen niet.! Vreselijk.!
Kent ook God u bij name.?
Ja,? en wélke zekerheid hebt gij dan daarvoor.?
Toen wij door de handoplegging ener apostel verzegeld werden, werd daarbij uitgesproken dat wij een nieuwe naam zouden ontvangen, een naam, die niemand kent, dan die hem ontvangt.
En tóch.....ach, vele verzegelden zijn, om het maar eens met Petrus te zeggen, tot hun eigen uitbraaksel wedergekeerd en wentelen zich als een gewassen zeug in het slijk. (2 Petrus 2:22)
Zij zijn, als de takken, afgekapt of als rijpe vruchten afgevallen.
Wél ontvingen zij een naam van de Here God, maar zij toonden het wezen niet.
Deze mensen wilden niet "worden" dat, wat Gods Raad met hen bedoelde, maar zij dachten reeds te "zijn" wat zij éénmaal wezen zullen indien zij in God gebleven waren.
Arme, in de strikken van de hoogmoed gevallen zielen.!
Het komt er voor een ieder maar opaan, en voorál voor de verzegelden, of zij van God gekenden zijn.
Van Mozes staat geschreven: "En daar stond geen Profeet meer op in Israel gelijk Mozes, dien de Heer gekend had van aangezicht tot angezicht." Deuteronomium 34:10.
In deze Nieuw Testamentische tijd, heeft de Heer een uitverkoren Gemeente, die genoemd wordt: "een koninklijk priesterdom", en een profetisch volk.
Behoort gij ook tot die Gemeente.?
Ja, toon dan dat gij, evenals eens een Mozes, een van God gekende zijt en genade verkrijgt, én voor uzélf, én voor anderen.
Mozes bad: "Indien Gij hunne zonden niet vergeeft, zo delg mij uit Uw boek."
Dit is toch een geestelijke hoogte, die niet te bereiken is, dan alleen met behulp van de Heilige Geest.
Bent gij óók tot zúlk een hoogte gekomen.?
Was het niet uw Heer en Heiland, die Zijn leven aflegde om zondaren te verlossen.?
Verloochenen wij ons óók zó, om zondaren te verlossen.?
Verloochenen wij ons óók zó om anderen te kunnen behouden.?
Deze verloochening nu, is de priesterlijke zijde van onze roeping.!
En, de koninklijke zijde is: te heersen over onze eigen zwakheden en om onze vijanden lief te hebben en de satan met al zijn geestesheir te weerstaan.
Eerst dán zullen wij éénmaal koningen en priesters kunnen zijn in de regering van onzen Koning Jezus, als Hij zal zitten op de troon Zijner heerlijkheid.
Mozes stierf: "aan de mond Gods."
Wel een vertederende uitdrukking van en over het ontslapen van een kind Gods, dat zijn zielsbegeerte om het beloofde land in te gaan, niet ontving maar het slechts van verre mocht aanschouwen.
Het is, alsof wij aan een sterfbed staan waar een vader zijn stervende kind in de armen neemt; het aan zijn hart drukt en, terwijl hij het kust, sterft het aan zijn lippen.
Mozes heeft aan de mond des Heren geleefd.
In overdrachtelijk zin heeft hij altijd naar des Heren Woord geluisterd, en, zó is hij óók gestorven.
Dat het ook van ons ééns gezegd mag worden dat wij zó konden leven, en, wanneer de Heer nog vertoefd om te komen, óók te sterven aan de mond des Heren.
Eerst dán kan de Here God Zijn doel met ons bereiken: "als gekenden dóór Hem."