In het Woord van God is sprake van Heilige plaatsen, waar de Heer Zélf verschenen is als de Engel des Aangezichts, ook wel genoemd de Engel des Verbonds.
Twee van de meest bekende plaatsen zijn Bethel en Pniel.
Wanneer de Engel te Bethel aan Jacob verschijnt, dan lezen wij van: "den Engel Gods", Genesis 31:11, maar in het 13e vers zegt de Engel tegen Jacob: "Ik ben de God van Bethel, alwaar gij het opgericht teken gezalfd hebt en Mij een gelofte beloofd hebt."
In Genesis 32 vinden wij de worsteling beschreven van Jacob met de Engel des Heren bij Pniël, waarvan Jacob zegt: "Ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest."
In Jozua 5:13ev., wordt de ontmoeting van Jozua met die Engel beschreven en daar openbaart Hij Zich als de Vorst van het heir des hemels.
Aan Jacob en Ezau verscheen die Engel in de gedaante van een "man", en daarom was het beter geweest wanneer de vertalers hier het woord 'Gezant' of 'Bode' hadden gebruikt.
Die Engel des Heren was een verschijning van Jehova.!
Zowel van Jacob als van Jozua weten wij, dat zij medearbeiders Gods waren, die, een ieder op zijn eigen plaats, met God geworsteld hebben om de zegen; Jacob om het land Kanaän te beërven nadat hij zich vorstelijk gedragen had bij de Here God en de mensen, waarbij hij overwonnen heeft; en, Jozua in het vervullen van de nalatigheid om ten tweede male de kinderen Israëls te besnijden op de heuvel der voorhuiden, en, het innemen van de zondige grenssteden van het land Kanaän, Jericho en Ai.
Pniel en Bethel zijn door vele medewerkers en kinderen Gods, ontheiligd, wij noemen hier slechts: Jerobeam de zoon van Nebat, de opvolger van Salomo.
Deze was door de Heer verwaardigd en gezalfd om Gods medewerker te zijn in het breken van de aardse grootheid van Israel en om de weg te banen voor de wáre Davidszoon en de méérdere van Salomo, Jezus Christus.
Jerobeam is zélf in de zonde van zijn volk teruggevallen en onze God is voor hem geweest als een verterend vuur dat hem en zijn huis heeft verteerd en dat in Efraïm heeft gebrand als de vlammen des Heren Heren.
Deze, door God uitverkoren Koning, heeft zich schuldig gemaakt aan afgoderij, zodat hij zijn vertrouwen op de Here God verloor en dat van het schepsel verwachtte waardoor hij, die zúlke rijke beloften van de Heer had ontvangen, vlees tot zijn arm stelde.
Deze koning heeft zijn kracht niet gezocht in het gebed en heeft het verbond met de Heer der heirscharen niet vernieuwd.
Zij éérste regeringsdaad was, om sterke steden te bouwen en om zich te wapenen tegen de aanvallen van zijn vijanden.
Hij bouwde, dat wil zeggen, versterkte, éérst Sichem, de oude vesting op het gebergte van Efraïm en maakte die stad tot zijn residentie.
In het Over-Jordaanse bouwde hij Pniel, de plaats die wij kennen uit de geschiedenis van Jacob, en zocht in die stad versterking voor zijn macht.
Pniel was gelegen aan de grote karavaanweg van Arabië, en ging via Giled naar Damaskus en Mesopotamië.
De stad Pniel beheerste ook de veren over de Jabbok en was van strategische betekenis voor zijn aardse macht en rijk.
In ditzelfde Pniel heeft éénmaal de Engel des Heren met Jacob geworsteld en zijn vleselijke kracht gebroken.
In ditzelfde Pniel is de vleselijke sterkte van Jerobeams stamvader vernietigd, opdat hij zwak zou worden voor de Here God.
In ditzelfde Pniel heeft Jacob, de gebroken Jacob, biddende met de Heer geworsteld en gesmeekt: "Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent."
In ditzelfde Pniel heeft de overwinnaar beleden: "Ik heb God gezien van Aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest.!"
En dáár bouwde Jerobeam nu zijn vestingen, en worstelde niet met God in het gebed, maar steunt op zijn eigen kracht.
Het ging Jerobeam niet om een theocratische staatkunde, maar om de wereldlijke macht, en hij voelde zich alleen maar veilig achter de muren van zijn aardse sterkten.
Maar, die muren zouden door de Here God tot puinhopen worden gemaakt.!
De ontheiliging van Pniel, de worstelplaats, was de éérste zonde van Jerobeam sedert zijn koningschap; daarná volgde de ontwijding van Bethel, de ándere grote plaats in het leven van Jacob.
Pniel is door Jerobeam ontheiligt, het éérste gebod:"Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben", werd schandelijk door Jerobeam overtreden want hij stelde vlees tot zijn arm en hij bouwde zich vestingen in plaats van op de Here God te vertrouwen.
In die afgoderij werd hij door het volk van Israel gevolgd, máár, er volgde later nog meer.
Want, is eenmaal het eerste gebod uit hoogmoed en egoïsme losgelaten, dan is de weg ook vrij voor andere zonden en blijft de overtreding van het eerste gebod niet uit: "Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen, want Ik, de Heer, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde lid dergenen die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijne geboden onderhouden.
Indien nu de geboden Gods overtreden worden, dan verliest de mens zich in eigenwillige Godsdienst en maakt voor en van die God een beeld dat hij zichzelf verkiest.
De Here God wil echter gediend worden naar Zijn wil en wet en woord.!
Het Woord van de Heer is het richtsnoer voor de werken en het geloof van de mensen.
Al brengt de mens ook aan de Heer de aanbidding, en doet hij verder niets aan de onderhouding van Zijn geboden, dan mag hij toch nog niet zélf bepalen in wélke vorm hij zijn godsdienst belijden wil.!
Jerobeam bezondigde zich óók aan het tweede gebod.
Nog altijd troonde de Tempel Gods te Jeruzalem en was op Sion de plaats van de wáre Godsverering.
Jerobeam stelde daar echter ándere goden voor in de plaats, en, hij vreesde dat, wanneer de Noordelijke Stammen op de grote feesten optrokken naar Sion, naar het centrum van de Godsdienst, zij de ándere stammen zouden ontmoeten waardoor het gevaar voor hem groot was dat deze andere stammen zich van Jerobeam zouden afwenden en wederkeren naar de koning Rehabeam, de koning van het huis Davids.
Om dát nu te voorkomen, ontheiligde hij óók Bethel en ging dwars tegen de wet des Heren in.
Hij richtte daar, in de plaats van God, twéé beelden op, twee gouden stierkalveren; en, daarmede herhaalde hij de zonden van Israel toen Aäron het gouden kalf oprichtte terwijl Mozes op de berg met God, de Heer, sprak en de Wet op de stenen tafelen door Gods eigen hand geschreven, ontving.
Jerobeam stichtte afgodentempels te Dan en te Bethel, en, niet alleen ontheiligde hij Pniel, maar óók Bethel, de plaats waar Jacob de hemelen geopend zag.
Bethel, het huis Gods, werd een plaats van eigenwillige godsdienst en een plek van beeldendienst.
Bethel, waar Gods ladder de hemel en de aarde heeft verbonden, is er getuige van dat het Verbondsvolk des Heren het verbond met Hem verbreekt want Jerobeam en zijn volk vielen terug in de zonden die bij de Sinaï waren gepleegd en vertraden de geboden Gods met voeten.
Jerobeam vernietigde de bevrijding door de God van Israel uit Egypte hij vergreep zich aan Aärons huis door zélf priesters uit de geringsten des volks aan te stellen.
Door al deze gruwelen wilde Jerobeam zichzelf handhaven bij God en hij had eigen eer liever dan de eer des Heren.
In dat kwaad sleepte hij ook het volk van Israel mede.
Bethel werd door hem ontheiligd door de verschrikkelijke dienst des vlezes en hij stelde zijn eigen troon in de plaats van de troon des Heren, waardoor een eigenwillige godsdienst in het Efraïm van die dagen zegevierde.
En dat, terwijl de Here God een ijverig God is, Die de zonden der vaderen bezoekt aan de kinderen.
Jerobeam stond in het doen van deze ongerechtigheden niet alleen, en dat, ondanks dat de Heer hem veel had geschonken; ja, de Heer had hem vanuit de arbeiderstand verheven tot koning over Israel.
De Heer heeft aan hem Zijn hulp en bijstand toegezegd zolang als hij in de geboden en inzettingen Gods zou blijven wandelen.
Jerobeam zocht echter zijn hulp en sterkte niet in des Heren kracht, maar in de aardse machtsmiddelen.
Was dát nu de dank aan de Heer voor het koningschap dat de Heer aan hem had geschonken.?
Was dát nu het antwoord op de zeer ernstige waarschuwing van Abia.?
Maar, wie van ons zou durven beweren dat de tegenstelling van Bethel en Pniel nooit in óns leven voorkomt.?
Dit is voor de belijders van Christus niet vreemd, want wij hoeven dat schrille contrast niet alleen in de wereld te zoeken, de wereld, die gaat pralen in en op haar macht van het wapengeweld en haar wonderen van techniek.
Wij zelf trekken toch zo van ons vertrouwen van de Heer af en wandelen niet in het geloof waarmede wij de wereld overwinnen kunnen; en, dán blijft de worsteling met de Here God achterwege.
Dan wordt in de binnenkamer de stem niet gehoord: "Ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent."
Dán bouwen wij onze eigen sterkte en geven niet des keizers wat des keizers is en Gode wat Gode is; wij proberen ons dan sterkten op te richten alsof díe ons kunnen redden in de wereldnood, die elke dag groter wordt.
En, wáár is dan het toevlucht nemen tot de God Jacobs, waarvan Pniel ons spreekt.?
Wáár is de overgave van ons hart en leven aan Hem, die de worstelaar zal kronen met overwinning, zodat zij, ondanks dat zij hinken, tóch trimferend wandelen in het licht.?
O, hoe velen hebben in Bethel, het Huis Gods, de Kerk van Christus, geloften beloofd, ja zelfs dure eden gezworen om altijd in het Huis des Heren te verkeren.?
Wáár zijn zij.?
Hoevelen hebben andere goden, andere leringen aangebeden en zich daarvoor gebogen en de zuivere leer der Schriften verlaten.?
Hoevelen zij er die de Here God hebben gedankt voor het Apostolisch Profetisch licht dat hun is opgegaan, maar die toch weer zijn teruggevallen in hetgeen zij eerst beleden.?
Hoevelen zijn er nu, die zich eigen sterkten bouwen en die niet meer uit Gods hand durven leven.?
Gij verlaat uw God, wanneer gij vlees tot uw arm stelt en daarmede het woord van de profeet Habakuk krachteloos maakt: "Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven."
Schenke de Here God aan Zijn kerk dat geloof, waardoor Pniel geheiligd wordt en Bethel, het Huis Gods, getuige zal zijn van onze trouw aan de Heer, van ons geloof en hoop en liefde voor God en Zijn dienst, tótdat de Heer zal gekomen zijn en ons zal voeren naar het Bethel daar bóven, het Huis des Vaders, voor het aangezicht Gods.