ABRAHAM DE VADER DER GELOVIGEN!

 

 In Genesis 12:1-3 lezen wij: "De Here nu sprak tot Abram: “Ga uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken en gij zult ten zegen  zijn; En Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt; en in U zullen alle geslachten gezegend worden”.

Dit Schrift gedeelte verhaalt ons de roeping van Adam.

 

Door het dikwijls lezen of horen van de wijze waarop God de Here, Abram heeft geroepen, kan de ware betekenis daarvan wel eens minder tot ons doordringen.

 

Dan kan het gebeuren, dat de daad van Abram, in het opvolgen van deze goddelijke roeping niet zó hoog geschat wordt als ze verdient.

 

Abram, als de vader der gelovigen is juist in het geloof zulk een groot voorbeeld geweest, dat wij dit zeer zeker naar zijn volle waarde in ons mogen opnemen.

Dan ook zal het in moeilijke tijden, of wanneer wij een geloofsweg moeten bewandelen welke wij zo moeilijk kunnen begrijpen, tot een grote steun zijn!

 

0 zeker! wij allen weten: Abram was een geloofsheld en heeft als zodanig het bevel Gods opgevolgd, zowel in het gaan naar een vreemd land als in het willen offeren van zijn zoon Izaäk! Daarvan getuigt immers ook de schrijver van de brief aan de Hebreën;! (Hebr.11:18,17).

Maar, hebben wij wel eens ernstig overdacht, wat het voor Abram geweest is om heen te trekken naar dat vreemde land, waarvan hem de naam zelfs niet wordt genoemd?

Om de grootheid van deze opdracht te kunnen verstaan en de betekenis voor Abram, om deze opdracht uit te voeren te kunnen beoordelen, moeten we ons verplaatsen in de tijd, dat God tot Abram sprak.

 

In het voorgaande hoofdstuk (Gen.11:26-32) lezen wij de afstamming van Abram, waaruit blijkt, dat zijn vader, Terah, woonde in het Ur der Chaldeën, doch daaruit is weggetrokken met zijn zoon Abram, zijn kleinzoon Lot en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van Abram, om naar het land Kanaän te gaan.

Zij kwamen te Haran en woonden aldaar. (Dus ze zijn niet getrokken naar Kanaän zoals de tekst zou doen vermoeden).

Dit opbreken van woonplaats en wegtrekken naar een andere streek met familie, knechten (slaven) en vee, was in die tijd een veelvoorkómend verschijnsel. Men moest wanneer het voedsel voor mens en dier schaars begon te worden, of door natuurlijke uitbreiding van familie en veestapel de weide-oppervlakte te klein werd, uitzien naar betere of uitgestrektere weidegronden om zich daar opnieuw te vestigen.

 

In vers 27-29 van Genesis 11 lezen wij, dat het huis van Terah zich uitbreidde door huwelijk van zijn zonen Abram, Nahor, en Haran.

Hierdoor zal het ook voor deze herdersvorst nodig geweest zijn om andere oorden op te zoeken. Dit optrekken, van Terah is dus een normaal verschijnsel, máár, ziende op de opdracht, welke Abram daarna van God ontving, ligt hierin een duidelijk zichtbare Godsbestiering.

 

Immers Terah trekt op in Noordwestelijke richting, langs de rivier de Eufraat, komende uit Ur! Deze weg was in die tijd de gebruikelijke weg van Ur naar Kanaän.

Gods plan was, zo wij weten uit de geschiedenis, om Abram te doen trekken naar Kanaän, en is, door het optrekken van zijn vader naar Haran, het gevolg, dat reeds een groot gedeelte van de weg van Ur naar het land "dat de Heer Abram wijzen zal" is afgelegd!

 

God de Heer werkt op Zijn wijze om het gestelde doel te bereiken en, ook in deze geschiedenis zien wij hoe Hij daarbij, ook niet in Hem gelovende personen, in Zijn dienst stelt! Niet in Hem gelovende mensen! Daartoe toch moeten wij ook Terah en zijn huis rekenen.

Ook Abram behoorde, vóór dat hij zijn goddelijke opdracht mocht ontvangen, tot de personen, welke de God der vaderen, de God, welke Zich aan hem zou openbaren, niet kende!

 

Wij lezen dit in Jozua 24:2: “Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de Here, de God Israëls: over gene zijde der rivier hebben uwe vaders van ouds gewoond, namelijk Tera, de vader van Abram en de vader van Nahor, en zij hebben andere goden gediend”

 

De plaats Ur in Mesopotamië, later genoemd Ur der Chaldeën, is een plaats geweest van grote betekenis. De opgravingen in het begin van de 20e eeuw hebben aangetoond, dat er grote gemetselde woningen zijn gebouwd en vele grachten, benevens een zeehaven zijn gegraven. Deze laatste waarschijnlijk, opdat ook de zeeschepen uit de Perzische Golf konden binnenvaren.

Ook heeft men overblijfselen gevonden van fundamenten van een tempel en tempeltoren van 60 x 40 m oppervlakte.

Naar de geschiedenis van Ur moet hier een tempel gestaan hebben van vier verdiepingen, gewijd aan de god Sin of de maangod, ook genoemd de god der stad Ur. Uit dit alles blijkt, dat de plaats en het land waaruit Terah is getrokken met zijn huis, geen kleine omgeving is geweest.

 

Integendeel! De herdersvorsten waren rijk aan vee, goederen, goud en dienstknechten of slaven.

Waar we er reeds op gewezen hebben hoe Jozua zegt, dat Terah andere goden heeft gediend, mogen wij aannemen, dat ook in het huis waar Abram is opgevoed, deze god werd gediend en geëerd.

 

In hoofdstuk 11 van Genesis lezen wij over de nakomelingschap van Sem, in welke geslachtslijst ook Terah wordt genoemd. Sem was de oudste zoon van Noach en deze weder uit het geslacht van Seth, de zoon die ná de dood van de godvruchtige Abel geboren werd en waaruit het volk is voortgesproten, dat begon met de Naam des Heren aan te roepen! (Gen.4:26).

De vader van Abram behoorde dus tot het geslacht, dat in de beginne de Heer, de God Die hemel en aarde gemaakt heeft, eerde en diende!

Bij Terah zelf vinden we daarvan niets meer terug en blijkt God, de Heer de Schepper van hemel en aarde, een onbekende God te zijn!

 

In plaats van de Naam des Heren aan te roepen, eerde men een vreemden god, daartoe de maan als zinnebeeld nemende!

Maar hier komen wij dan ook op het punt, waarin de roeping van Abram door God en de aanneming van deze roeping, door Abram op het hoge peil komt waarvan we in het begin reeds hebben gesproken.

 

Het geslacht van Seth was het Godsgeslacht! En waar nu door de eeuwen heen de gedachten aan God dreigen verloren te gaan, is het God Zelve, Die in Zijn onuitsprekelijke liefde tot de mens, deze mens weer toebereidt om Hem te eerbiedigen, Hem te erkennen als God, Welke boven alle menselijke goden is verheven.

Immers, hoe anders zou Abram aan deze roepstem gehoor kunnen geven?

Het is God, Die daartoe dit mensenhart heeft toebereid, opdat wederom opnieuw Zijn grootheid aan de mens zou geopenbaard worden!

Daarnaast mogen wij ook niet uit het oog verliezen, dat Abram bereid was om de moeilijke taak te aanvaarden! Dit was voor Abram geen kleine zaak!

Het moest worden een gelovig overgeven en zich vrijwillig stellen in de dienst van God, Die Abram tot dit werk heeft uitverkoren!. En, welk een overgave!

Hij toch kende geen God, Die tot hem kon spreken!

 

Ons wordt niet gemeld op welke wijze God tot hem sprak. De wetenschap daarvan heeft dus voor ons geen zin, is voor ons niet van belang!

Waarom, of waardoor Abram deze sprake Gods aanstonds aanvaardde als van werkelijke betekenis voor hem, ook daarvan vermeldt de Schrift niets!

Voor ons blijft alleen: Abram voldeed aan dit spreken Gods en trok met zijn huis op naar het voor hem onbekende land. Voorwaar een daad van zeer groot geloof! Een daad van erkenning, dat Hij, Die tot hem gesproken had, meer was dan de goden, welke hij in het huis van zijn vader had leren kennen.

Dit eenmaal erkennende, vond hij daarin de kracht om nu ook verder het bevel van de, voorheen onbekende God, op te volgen. En dit was geenszins gemakkelijk! Verlaat uw land!

 

Wat wil dit al niet zeggen voor een man als Abram! Hij toch was na de dood van zijn vader Teràh het hoofd van de familie geworden, de knechten, het vee, en al de goederen, welke nu aan zijn zorg waren toevertrouwd!

Nu zou hij, met zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot en al wat tot eigen bezitting behoorde, het land, waar zijn vader zich gevestigd had, verlaten, met al de zorg daaraan verbonden. Nu moest hij breken met zijn familie! Zijns vaders huis, waarvan hij als eerstgeboren zoon de erfgenaam was, overlaten aan anderen!

 

Voor een groot herdersvorst als Abram was dit in die tijd een zaak van zeer grote betekenis.

Doch vers 6 zegt ons: “Abram toog heen!!”.

De beloften, genoemd in vers 2 en 3 waren ook voor Abram toen nog beloften, doch wij, kinderen Gods weten hoe schoon deze beloften zijn vervuld geworden!

“En Ik zal u tot een groot volk maken”.

Hoe is deze belofte tot vervulling gekomen en het natuurlijk Israël geworden tot een groot volk, thans over heel de beschaafde wereld verspreid. Wel is het door de eeuwen heen niet getrouw gebleven en door eigen overtredingen, het niet gehoor geven aan de stemme Gods, zoals éénmaal Abram dit gedaan heeft, in veel ellende gekomen, maar ook hierin zien wij een vervulling van Godswoorden, over dit zijn volk uitgesproken!

 

Ik zal u zegenen en uw naam groot maken en ge zult tot een zegen zijn” (nieuwe ver- taling). Ook deze belofte is waarlijk vervuld.

"Zegen" werd in de tijd, waarin Abram leefde in hoofdzaak afgemeten naar aardse voorspoed en welstand. En zeer zeker kon dit uiteindelijk van Abram gezegd worden. In zijn leven is hij na zijn uittrekken uit Haran tot een groot herdersvorst geworden! In Genesis 24:1 lezen wij: “Abraham was oud en welbedaagd en de Heer had Abraham in alles gezegend!”

“Ik zal uw naam groot maken!” Ook dit is vervuld geworden, want altijd weer zal het Israëlitische volk zich beroepen op Abraham als hun vader!

In Joh.8:53-59 lezen wij, hoe de Joden zich erop beroepen, dat Abraham hun vader is en stenen opnemen tegen Christus als Deze tot hen zegt: "Eer Abram was, ben Ik."

 

En gjj zult tot een zegen zijn”. 0, hoevelen in het 0ude Verbond hebben zich in vader Abraham mogen, verblijden, hoevelen zijn door zijn geloof in de God der vaderen gesterkt geworden!

En, hoè is dit geloof tot een voorbeeld geweest, niet alleen voor het 0ude Verbondsvolk, ook voor het volk van het N.V.

In het hoofdstuk der geloofshelden (Hebr.11) wordt ook Abraham genoemd als voorbeeld. Reeds hierin is Abram tot een zegen geweest, als voorbeeld van wat een vast geloof in Gods belofte vermag, doch, in de verhevenste betekenis is hij een zegen geweest, doordat uit hem, uit zijn volk, de Messias, de Christus is voortgekomen. Daarin is Abram tot een zegen geworden voor gans het schepsel, waarin ook de door God tot Abram gesproken woorden, in vers 3 genoemd, tot vervulling zijn gekomen: “en in u zullen alle geslachten gezegend worden!

 

Uit het hierboven behandelde mogen wij dus zien, hoe God een Waarmaker is van Zijn woord; hoe God het hart van de mens kan vormen tot Zijn eer, zo deze door God begenadigde mens aan de roepstem Gods en de gegeven opdracht gehoor geeft, maar ook zo dit des Heren wil is, voor die roepstem alles wil verlaten.

Mogen ook allen die de God van Abram hebben aanvaard als hun God, nu als N.T.-volk, als het geestelijk Israël, zich verblijden in de vader der gelovigen, als een voorbeeld voor wat het geloof vermag te dragen.

 

Moge het ook voor óns allen tot kracht zijn om door het geloof ons los te kunnen maken van de stoffelijke dingen en ons te verblijden in de éne, waarachtige God en Jezus Christus, de van dien God gezonden Heiland en Verlosser, waardoor een eeuwige heerlijkheid ons deel kan worden.C.K./SdJ