Schibboleth of Sibboleth:

Zicht op de Jordaan

In Richteren 12:1-7, lezen wij van een bittere strijd tussen broeders, namelijk tussen de Gileadieten en de Efraďmieten.

De Gileadieten hadden Jefta geroepen om hun aanvoerder te zijn in de strijd tegen de Ammonieten, door wie zij onderdrukt werden.

Jefta was een Godvrezend man en, hij ging de strijd aan met zijn God en Heer en hij gaf aan hen de overwinning. De Efraďmietenn wilden altijd de eersten zijn onder de stammen van Israël, en deden dat meestal niet op een eervolle wijze. Zij waren jaloers wanneer anderen de overwinning behaalden, maar zélf ontbrak het hen meestal aan moed om te strijden. Hun jaloersheid werd openbaar in de strijd die door Gideon tegen de Midianieten werd gestreden.

Nadat Gieon de Midianieten op de vlucht had gejaagd kwamen de Efraďmieten en twistten met hem omdat hij dat zó maar, zónder hen, had gedaan. Richteren 8:1.

Na de overwinning van Jefta, kwamen zij ook om met Jefta te twisten, en, óók tóen voelden zij zich gepasseerd.

Uit de verzen 2 en 3 van Richteren 12, blijkt evenwel, dat Jefta hen wél opgeroepen had, maar dat zij niet waren opgekomen omdat zij de strijd niet durfden aangaan. En nu konden zij het niet hebben dat deze Gileadied de eer van de overwinning kreeg.

Jefta was een man van een geheel ander karakter dan Gideon; hij duldde de overheersing van Efraďm niet en liet hen geducht boeten voor hun lafheid en hun onoprechtheid. Geen twisten zijn zó bitter als de twisten die tussen broeders ontstaan uit jaloersheid over de eer en de voorrang.

In dit geval was het het verschrikkelijke gevolg, dat er een strijd op leven en dood ontstond waarin Jefta de overwinnaar werd en de Efraďmieten verslagen werden en de overgeblevenen naar de woestijn in vluchtten.

Het schijnt, dat Jefta de bedoeling had om voorgoed met de Efraďmieten af te rekenen; hij bezette het veer over de Jordaan, om te verhinderen, dat de vluchtelingen naar hun huis en erve zouden terugkeren. Het moet voor die arme mensen wel verschrikkelijk zijn geweest, want, in de woestijn blijven konden zij niet.

0m niet de hongerdood te sterven, of in de woestijn van ellende om te komen, bleef hun niets anders over dan te proberen om op de één of andere manier over het veer aan de Jordaan te komen; zij probeerden toen om zich uit te geven voor Gileadieten.

Zelfs in het aangezicht van de dood bleek de onoprechtheid van de Efraďmieten, want, zij dachten dat zij door een leugen konden ontkomen want op de vraag of zij Efraëmieten waren antwoordden zei: “Nee”.

Misschien denken sommige lezers wel, dat zij zo iets deden uit angst voor de dood. Zeer zeker, maar, was hun strijd een edele strijd geweest, dan hadden zij liever in de strijd gevallen dan te liegen; het één was het gevolg van het ander. “Zeg nu Schibboleth” was het antwoord aan de Jordaan, maar zij konden de “sch”, -spreek uit als “sj”-, niet zeggen, en, hóe zij zich daarvoor ook inspanden, zij zeiden: “Sibboleth”. Tegelijk bliksemde het zwaard boven hun hoofd en zij vielen aan de Jordaan.

Er is heel veel uit deze geschiedenis te leren, want, jaloezie en onoprechtheid dragen bittere gevolgen voor allen die met deze zonde zijn behept. Wij merken hierbij ook op, dat slechts een kleine onmogelijkheid in het uitspreken van één woord, de Efraďmieten het leven kostte. Jaloersheid komt voort uit hoogmoed, met he gevolg: onoprechtheid. Wie aan deze zonde lijdt, is afgunstig op een ander die zegenrijke vruchten geniet op zijn edele en goede werken.

Jaloerse mensen zouden wél willen mee oogsten van hetgeen anderen door strijd en moeite hebben gewonnen. Zélf kunnen zij niet strijden. Zij benijden anderen om hun gaven en talenten, maar vergeten dat, als zij die gaven bezaten, deze hun niet zouden passen want zij zouden daardoor moeilijker worden én voor zichzelf, én voor anderen. De Heer geeft ze aan hen, wie Hij ze waardig keurt. Wat kunnen broeders elkaar, dikwijls om kleine dingen, soms vijandig gezind worden. Men stoot zich aan een verkeerd woord, dat misschien wel goed bedoeld is, maar niet wordt begrepen.

De Heer heeft ernstige woorden gesproken over familieverhoudingen, want Hij zei: “Want van nu aan, zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie; de vader zal tegen de zoon verdeeld zijn en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter en de dochter tegen de moeder”. Lukas 12:52,53.

Wij kunnen hieruit afleiden, dat familieleden minder goed met elkaar kunnen omgaan, dan vreemden. In het eerste gezin vinden wij reeds de broederhaat; de rechtvaardige Abel offerde van het beste van de kudde maar Kaďn offerde een verminkt offer. Het gevolg hiervan was, dat de Heer het offer van Abel aannam en dat van Kaďn niet. Kaďn werd jaloers op Abel en sloeg Abel dood, maar, te laat zag hij in dat de oorzaak bij hem zélf lag. Toen de Heer aan Kaďn vroeg waar Abel was, antwoordde hij: “Ben ik mijn broeders hoeder?”

Sinds de zonde in de wereld is gekomen is er verdeeldheid; de onrechtvaardige is altijd jaloers op de rechtvaardige en dit wordt het eerste in het huisgezin opgemerkt.

De Jordaan is de grens van het land Kanaän. En, waar de rechtvaardige Jefta aan die grens afrekende met de onrechtvaardige Efraďmieten, hoeveel te meer zal de Rechtvaardige Rechter streng oordelen aan de grens van het Hemelse Kanaän. De Heer sprak dat élke mens, van élk ijdel gesproken woord, rekenschap zal moeten geven in de dag des oordeels. Hij, die zelfs de haren van ons hoofd heeft geteld, Hij let nauwkeurig op onze daden. De Heer ziet en onderscheidt scherp.

Toen de broeders van Jozef bij hem kwamen zeiden zij: “Wij, uwe knechten, zijn ééns mans zonen, wij zijn vroom”. Hóe hun vroomheid was, dát had Jozef ondervonden.! 0mdat hij rechtvaardig was, én om zijn gaven van dromen, haatten zij hem en hadden zij hem als slaaf verkocht. Jozef antwoordde hen: “Ik vrees God”, én, dit had Jozef bewezen in alles wat hem was overkomen, óók in de geweldige verzoeking, want tóen sprak hij: “Zou ik zulk een kwaad doen en zondigen tegen God?”

God te vrezen, dáárop komt het aan! “Ik heb gezondigd” riep Saul toen hij terugkeerde van het slaan van de Amelekieten en tegen het uitdrukkelijke gebod van de Heer, zich een aanzienlijk deel van de buit toeëigende. En, het woord van de Heer was: “0mdat gij het Woord des Heren verworpen hebt, zo heeft u de Heer verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn”. 1 Sam.15.

“Ik heb gezondigd”, zo klaagde David toen hij de vreselijke zonde met Bathséba had bedreven en bovendien haar rechtvaardige man had laten doden. En, wát verzekerde de Heer hem? “De Heer heeft ook uwe zonden weggenomen, gij zult niet sterven”. 2 Samuël 12.

Waarom, zo vragen wij, mocht Samuël niet tegen Saul, maar Natha wél tegen David van genade spreken? Was de zonde van David dan niet groter dan die van Saul? En, beiden legden dezélfde belijdenis af.! De Heer ziet echter het hart aan, want, Saul sloeg zich op de borst en beleed zijn zonden uit vrees voor de gevolgen; want hij wilde zijn zonden verbergen voor het volk en daarom sprak hij tot Samuël: ”eer mij toch voor de oudsten des volks”.

David echter sloeg zich óók op de borst en beleed zijn zonden, máár, met een wáár berouw want hij voelde hoe hij het gebod van God inzake het huwelijk, had overtreden. Hij besefte, dat hij de liefde van God tot hem, had gekrenkt. Het berouw van David blijkt ook uit zijn vasten en bidden om het behoud van het kind dat Bathséba aan hem had geschonken. In Saul vinden wij een zelfde boete doen als bij Kaďn, die uit vrees sprak: “Mijn misdaad is groter dan dat ze vergeven worde, al wij mij vindt zal mij doodslaan”.

In David vinden wij de treurende zondaar, zoals de vrouw die, aan de voeten van de Heer gezeten, niets tot haar verontschuldiging kon inbrengen, maar die weende en met haar tranen de voeten van de Heer nat maakte.

Aan de grens van het Hemelse Kanaän zullen er mensen zijn die zullen zeggen: “Here, Here, hebben wij niet in uwen naam geprofteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen en in uwe naam krachten gedaan?” maar, tot hen zal de Heer dan zeggen: “Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt”. Mattheüs 7:22,23.

Dáár wordt de scheidingslijn scherp getrokken. Hun gaven en talenten hadden nog wel vruchten gedragen tot zegen van anderen, maar hun hart was vol van ongerechtigheid. Schibboleth of Sibboleth verschilt niet veel van elkaar.! Geve de Heer ons een oprecht hart en jagen wij de liefde na tot aan het heerlijk einde.