SAMGAR EN ZIJN OSSESTOK.

 

De tijd van de Richteren, valt tussen de dood van Jozua en zijn trouwe medestrijders, en de éérste koning, Saul, die door het volk van God werd afgedwongen.

Deze tijd is echter niet geheel nauwkeurig aan te duiden; onder de geleerden heerst nogal een verschil van mening en over het algemeen stelt men de tijd van de Richteren zo omstreeks tussen 1300 en 1050 vóór Christus.

De naam Richter doet ons enigszins vreemd aan, deze naam betekent niets anders dan het gewone woord “rechter”.

Daarom doet deze naam vreemd aan omdat wij in het boek Richteren, dat naar deze rechters is genoemd, zo heel weinig over rechtspraak lezen.

Slechts bij het verhaal over de Richteres Debora en over Samuël, vinden wij iets over de rechtspraak.

De naam betekent meer, dat zij wél machthebbers waren, maar geen koningen omdat God Zélf de Koning van Zijn volk was.

De richters verkregen dan ook nooit het bezitsrecht over land en volk, en evenmin het erfrecht; hun taak was meer de verdediging van hun volk en het verdrijven van de vreemde overheersers.

Hun machtsgebied strekte zich slechts zóver uit als het volk aan hun oproep wilde gehoorzamen.

In het beroemde lied van Debora vinden wij stammen berispt die niet opkwamen ten strijde en andere stammen geroemd, die wel mede hadden geholpen in de strijd.—Richteren 5--.

De tijd van de richteren was een zeer woelige tijd.

Na de dood van Jozua en diens medestanders verviel het volk al zeer spoedig van de ware Godsdienst. En men vergat God, die het volk toch op een zo wonderbaarlijke wijze had gered uit de slavernij van Egypte en hen door Zijn machtige arm door de woestijn had gevoerd.

Het volk vergat hun God, Die óók bij de verovering van het Beloofde Land, Zijn beloften, aan de vaderen gedaan, gestand had gedaan.

Het volk diende liever de afgoden, welker dienst de schandelijkste luisten gedoogden, ja, zelfs tot een plicht stelde.

En, hier begint reeds de afval van God aan, dat uiteindelijk met de vreselijke oordelen over het Verbondsvolk in de verbanning en de verwoesting van stad en tempel gestraft

werd.

Een schrijver zegt van de tijd van de Richteren: “”Hij biedt het bonte beeld van een jong volk dat naar onafhankelijkheid streeft, met de daarmede gepaard gaande sterke deugden, maar ook met de gebreken, zoals een volk vertoont dat nog op godsdienstig en zedelijk gebied ontwikkeld is. Het gaat er in deze eeuwen rumoerig en bloederig toe, maar, temidden van het gekletter van wapens wordt ook het geluid van cimbalen en reien vernomen, en, uit het dreunen van de wilde hartstochten stijgt ook de lofzang tot Jehova omhoog, de God der vaderen, die zich ook aan de zonen niet onbetuigd laat.””

Enkele van de Richters zijn zeer beroemd: Barak, Gideon, Jefta, Simson, maar de anderen zijn minder bekend en worden daarom wel de kleine Richters genoemd.

Onder dezen noemen wij Samgar, over wien op twee plaatsen wordt gesproken.

In Richteren 3:31: “”Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossestok, alzo verloste hij ook Israël””.

En, in Richteren 5:6: “”In de dagen Samgars, des zoons van Anath, in de dagen van Jaëls, hielden de wegen op, en, die op paden wandelden, gingen op kromme paden.””

Met deze laatste woorden zien wij de gevaarlijke toestand van Israël getekend, want deze woorden betekenen in gewoon Hollands, dat de vijanden de grote handelswegen bezet hielden, zodat hij, die er op uit moest, langs kronkelpaden zijn weg moest zien te vinden.

Of deze Samgar nog meer gedaan heeft dan deze éne heldendaad, vermeldt de geschiedenis niet, maar dit éne feit spreekt boekdelen.!

Hij verloste Israël, en, zijn naam betekent: “”Zwaard””, óf, volgens anderen: “”Vreemdeling””.

De geleerden beweren dat hij een Hethitische naam draagt en dus wérkelijk een vreemdeling was.

Anath was de Egyptische godin van de oorlog, en, ook déze bijzonderheid zou er op kunnen wijzen, dat Samgar een vreemdeling was.

De uitdrukking: ‘Samgar, de zoon van Anath’, kan dus betekenen: ‘Samgar, die een vreemdeling en een groot krijgsheld was’.

Trouwens, de wereldgeschiedenis vermeldt meer van vreemden die een ánder land hebben gered, denken wij maar eens aan Willem de Zwijger, die ons land redde in het begin van de 80-jarige oorlog, die van Duits bloed was.

Uit de Joodse wetten weten wij, dat zelfs een slaaf een kind van Abraham kon worden.

Hoe het ook zij, deze Samgar was een eenvoudig man die geen aanhang had, hij was te arm om wapens te kopen, maar hij versloeg tóch de vijanden en verloste Israël terwijl hij slechts gebruik maakte van een ossestok.

Had hij echter niet iets meer tot zijn beschikking.?

Ja, zeker.! Hij steunde op zijn geloof.!

Hij kende de God der vaderen en hij wist zich door dien God geroepen, die God, die hemel en aarde heeft geschapen en die aan het Verbondsvolk had getoond dat Hij machtig was.

Met die machtige God durfde hij de strijd wel aan, en, wij zien het glansrijke gevolg: hij verslaat geheel alleen een troep vijanden van 600 man sterkt en, de gevolgen van deze heldendaad waren groot: Israël werd bevrijd van zijn erfvijand.

Deze eenvoudige, voor het overige aan ons geheel onbekende Samgar, was een held, en, ofschoon de schrijver van de Hebreeënbrief in zijn haastige opsomming hem niet noemen kan, behoort hij tot de lange, zeer lange reeks van geloofshelden, wier namen toch niet onbekend zijn in de hemel, ook al kennen wij deze namen nauwelijks of in het geheel niet.

Zijn geloof maakte hem sterk, zijn geloof, dat hem zei, dat God geen mens was dat Hij zou liegen.

God had Kanaän aan de vaderen beloofd en dát woord zóu worden vervuld, daaraan twijfelde hij geen moment.

En, waar hij geroepen werd om zijn volk te bevrijden, daar begon hij met al zijn geestdrift en al zijn moed aan de bijna bovenmenselijke taak, de bevrijding van zijn volk.

In de Heilige Schrift vinden wij verschillende voorbeelden van zulk groot Godsvertrouwen.

Toen David zich aanmeldde bij Saul, om de Filistijn te verslaan die de slagorden van Israël hoonde, sprak hij, toen koning Saul hem niet wilde laten gaan: “”Die God, die mij van de leeuw en de beer gered heeft, die zal mij óók redden uit de hand van de Filistijn.””

Goliath “vloekte David bij zijn goden”, waarop David antwoordde: “”Ik kom tot u in de Naam des Heren der heirscharen, de God der slagorden Israëls, dien gij gehoond hebt, en de ganse gemeente zal weten dat de Heer niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des Heren, die zal ulieden in onze hand geven.””

Dergelijke geloofstaal horen wij ook uit de mond van de boezemvriend van David, de trouwe Jonathan in 1 Samuël 14:6: “”Bij de Here is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen””.

In dát geloof versloeg hij, alleen vergezeld van zijn wapendrager, de vijand.

Zo staat Samgar niet alleen, en, wij hebben ze zelfs in ons midden, die geloofshelden en heldinnen zijn, die door een onbeperkt geloofsvertrouwen ons het hart verwarmen en de Almachtige God eren.

In vele opzichten letten wij te weinig op elkander, en, wat de gebreken van anderen aangaat, dáárvoor staat ons oog meestal wijd open.

Maar, de geestelijke strijd van anderen merken wij meestal  niet, zelfs niet van mensen in onze onmiddellijke omgeving.

Er zijn veel meer helden en heldinnen dan wij wel denken.

Er zijn vijanden die sterker zijn dan wij wel eens vermoeden; voortdurende ziekte; aanhoudende armoede; gestadige werkeloosheid; en spot van onze omgeving.

Denk er eens over na, hóe deze sluipende vijanden zijn die ons geloof kunnen ondermijnen en het kunnen doen verloochenen.

Maar, kennen wij ook niet broeders en zusters, die hun ziekte met geduld dragen, die vertrouwen hebben in hun armoede dat een kind Gods vele musjes te boven gaat, broeders en zusters, die weten, dat God voor de vlijtige hand toch nog wel eens uitkomst geven wil en die zich voor hun Heer niet schamen maar Hem voor de mensen belijden omdat zij weten dat de Heer hen straks voor de Vader en Zijn engelen zal belijden.?

Dezulken zijn helden, evenals Samgar, David en Jonathan, die sterk zijn door hun kinderlijk geloof en niet werkeloos blijven zitten, maar die elk wapen dat zij kunnen vinden aangrijpen want élk wapen, hóe zwak ook in zichzelf, wordt door het geloof machtiger dan het modernste geschut.!

Wij zijn, als zwakke mensen, meestal té veel geneigd om te berekenen en te tellen, Samgar telde echter niet hóeveel vijanden er tegenover hem stonden.

David keek niet naar de grootte van Goliath en zijn zwaard.

Jonathan dacht er niet aan, dat hij, én zijn trouwe knecht, maar met zijn tweeën waren tegenover velen.

Het geloof telt niet en rekent niet angstvallig, maar handelt.

Dáárom is een geloof zónder de werken dood, met andere woorden: wanneer de werken ontbreken, dan kan men wel menen dat men gelooft, maar, men hééft géén geloof.!

Here, Here, zeggen, is gemakkelijk, maar wij moeten handelen door het geloof.!

Bidden met veel schone woorden, is voortreffelijk, maar het gebed moet gevolgd worden door daden opdat blijkt dat wij geloven, dat God ons hoort.

Ook de strijd van de Kerk tegen het on- en bijgeloof, tegen star dogmatisme, is een strijd die slechts door het geloof kan worden gewonnen.

Wanneer wij heden onze weinige dienstknechten tellen, en, wij zien op de geringe geldmiddelen die wij hebben, dan hoeven wij de strijd tegen de vijand niet eens te beginnen.

In één der gemeenten sprak de Heer tot voor korte tijd geleden, dat het penningske van de weduwe door Hem zó gezegend kan worden dat Hij het gebruiken wil om de wereld te overwinnen.

Híer valt álle berekening weg.!

Hier valt slechts te geloven, en, dus te handelen.!

Wij moeten steeds bidden, dat de geest van de oude helden in ons mag wonen want wij weten, dat wij mét Christus, álles vermogen.

Die vóór ons is, is sterker dan allen die tégen ons zijn.

Twaalf arme, ongeleerde apostelen zendt Christus uit en hun woord overwint de wereld.

Samgar betekende immers volgens sommigen: “”Zwaard””?

Welnu, wij hebben een tweesnijdend scherp zwaard in het Woord van God.

En, wie dat zwaard hanteert, die zál OVERWINNEN.

Overwinnen in de strijd tegen onszelf, tegen onze hartstochten, tegen ons egoïsme, tegen de spotters in onze omgeving, en tegen alle moeilijkheden van het leven.

Wie gelooft, die zal éénmaal méér dan overwinnaar worden bevonden, want, wie overwint, zal álles beërven.Ósdj.